Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2026-04-29
ECLI:NL:RBZWB:2026:3502
Bestuursrecht; Belastingrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
4,047 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBZWB:2026:3502 text/xml public 2026-05-07T08:42:15 2026-04-29 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-04-29 BRE 25/3668 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Breda Bestuursrecht; Belastingrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:3502 text/html public 2026-05-07T08:41:11 2026-05-07 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBZWB:2026:3502 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 29-04-2026 / BRE 25/3668 Aanslag BIZ-bijdrage, beroep ongegrond. RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Zittingsplaats Breda Belastingrecht zaaknummer: BRE 25/3668 uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 29 april 2026 in de zaak tussen [belanghebbende] , uit [woonplaats] , belanghebbende, en de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking West-Brabant , de heffingsambtenaar. Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar van 8 april 2025. 1.1. De heffingsambtenaar heeft aan belanghebbende voor het jaar 2025 een aanslag bedrijveninvesteringszones-bijdrage (BIZ-bijdrage) opgelegd van € 300. 1.2. De heffingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard. 1.3. De rechtbank heeft het beroep op 4 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: belanghebbende, bijgestaan door haar partner, en namens de heffingsambtenaar: [gemachtigde] . Beoordeling door de rechtbank 2. De rechtbank beoordeelt of de aanslag BIZ-bijdrage ten onrechte is opgelegd aan belanghebbende. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende. 3. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de heffingsambtenaar terecht de aanslag BIZ-bijdrage opgelegd aan belanghebbende. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Feiten 4. Belanghebbende is eigenaar van een onroerende zaak te [woonplaats] . De onroerende zaak is volgens de belastingadministratie van de gemeente in 2023 gesplitst in twee adressen, [adres 1] en [adres 2] . 4.1. Op 1 januari 2025 stond [adres 2] leeg. 4.2. De heffingsambtenaar heeft voor het jaar 2025 ter zake van de onroerende zaak [adres 2] (hierna: de onroerende zaak) een aanslag BIZ-bijdrage opgelegd op grond van de [Verordening] (de Verordening). Het gebruiksdoel van de onroerende zaak is in de BAG geregistreerd als 'winkelfunctie'. Motivering 5. Over onroerende zaken die gelegen zijn binnen de bedrijveninvesteringszone en die niet in hoofdzaak tot woning dienen wordt een BIZ-bijdrage geheven. De BIZ-bijdrage wordt in beginsel geheven van de degene die bij het begin van het kalenderjaar gebruiker is van de onroerende zaak. Indien de onroerende zaak op dat moment geen gebruiker kent, wordt de BIZ-bijdrage geheven van de eigenaar. Er wordt geen BIZ-bijdrage geheven over de in artikel 6 van de Verordening genoemde onroerende zaken, waaronder onroerende zaken voor zover bestemd en in gebruik als kantoorruimte. Belastingplichtige 5.1. Vast staat dat sprake is van een onroerende zaak die gelegen is binnen de bedrijveninvesteringszone en die niet in hoofdzaak tot woning dient. Op 1 januari 2025 was er geen gebruiker van de onroerende zaak. De BIZ-bijdrage is daardoor in beginsel terecht geheven bij belanghebbende als eigenaar. Voor de BIZ-bijdrage wordt gekeken naar een tijdstip, namelijk 1 januari van het belastingjaar. Dat de onroerende zaak later in het jaar verhuurd is, maakt dus niet uit voor de BIZ-bijdrage. Vrijstellingen 5.2. Indien sprake is van een onroerende zaak die valt onder de vrijstellingen, wordt geen BIZ-bijdrage geheven. Winkelruimtes vallen niet onder de vrijstellingen van artikel 6 van de Verordening. 5.3. Belanghebbende stelt dat het verhuren van een winkelruimte niet meer mogelijk is en dat de onroerende zaak vanaf maart 2025 verhuurd is als yogastudio, dus als praktijkruimte. Praktijkruimtes vallen volgens belanghebbende onder de vrijstelling. Daarnaast stelt belanghebbende dat de kans groot was dat de onroerende zaak verhuurd zou worden als kantoorruimte, wat eveneens onder de vrijstelling valt. 5.4. De heffingsambtenaar heeft gesteld dat de kwalificatie van de onroerende zaak in de BAG leidend is en dat daarin staat vermeld dat de onroerende zaak een winkelfunctie heeft. Daarnaast wijst de heffingsambtenaar op een advertentie van belanghebbende op Funda, waarin de onroerende zaak destijds te huur werd aangeboden onder de volgende omschrijving: “Het is een ideaal pand voor kantoor, maar ook als winkel- of praktijkruimte met de nodige opslag in de kelder.” Daaruit volgt volgens de heffingsambtenaar dat de onroerende zaak nog als winkelruimte kon worden verhuurd en dat het destijds dus nog niet duidelijk was dat de onroerende zaak uitsluitend als kantoorruimte zou worden gebruikt. Ook wijst de heffingsambtenaar erop dat de onroerende zaak vanaf 2023 voor het vaststellen van de WOZ-waarde elk jaar is gewaardeerd als winkel en dat belanghebbende daarvan jaarlijks op de hoogte is gesteld door middel van de toezending van het taxatieverslag. Belanghebbende heeft hier nooit bezwaar tegen ingediend. Verder heeft de heffingsambtenaar gesteld dat praktijkruimtes waren vrijgesteld onder de Verordening BI-zone centrum [woonplaats] voor belastingjaar 2010, maar dat dit in de Verordening 2023-2025 niet langer het geval is. 5.5. De rechtbank stelt voorop dat belanghebbende een beroep doet op een vrijstelling en dat zij daarom de bewijslast heeft dat op 1 januari 2025 een vrijstelling op de onroerende zaak van toepassing is. Naar het oordeel van de rechtbank is belanghebbende niet in haar bewijslast geslaagd. Belanghebbende heeft tegenover de gemotiveerde betwisting van de heffingsambtenaar niet aannemelijk gemaakt dat de onroerende zaak per 1 januari 2025 geen winkelfunctie had of kon hebben en (dus) evenmin dat de onroerende zaak enkel als kantoorruimte was bestemd en in gebruik was. Dat de onroerende zaak niet enkel als kantoorruimte kon worden gebruikt, volgt ook uit de omstandigheid dat deze later is verhuurd als yogastudio. Dat belanghebbende de kans groot achtte dat de onroerende zaak als kantoorruimte zou worden verhuurd, is niet relevant. Evenmin is relevant dat de onroerende zaak later in het jaar is verhuurd als yogastudio, reeds omdat dit gebruik van de onroerende zaak niet valt onder vrijstellingen van de op dat moment geldende Verordening. Bekendmaking en toepassing Verordening 5.6. Belanghebbende stelt niet te zijn ingelicht over de BIZ-bijdrage. Ter zitting heeft belanghebbende gesteld dat zij het stembiljet voor de stemronde over de BIZ-bijdrage niet heeft ontvangen. 5.7. De heffingsambtenaar heeft gesteld dat de Verordening tijdig en op de juiste wijze is gepubliceerd. Ter zitting heeft de heffingsambtenaar aangevoerd dat de Verordening pas tot stand kan komen als aan de voorwaarden is voldaan, waaronder het houden van de stemronde. Omdat de stelling van belanghebbende pas ter zitting concreet is geworden, kon de heffingsambtenaar niet eerder nagaan of belanghebbende het stembiljet heeft ontvangen. 5.8. De rechtbank stelt het volgende voorop. Vast staat dat de gemeenteraad van de gemeente [woonplaats] bij Verordening een BIZ-bijdrage heeft ingesteld overeenkomstig artikel 1, eerste en derde lid, van de Wet op de bedrijveninvesteringszones (Wet BIZ). Op grond van artikel 4 van de Wet BIZ treedt een dergelijke Verordening niet eerder in werking dan nadat gebleken is van voldoende steun onder de bijdrageplichtigen (de zogenoemde draagvlakmeting). De heffingsambtenaar heeft onbetwist gesteld dat het niet anders kan zijn dan dat voor het vaststellen van de Verordening een stemronde moet hebben plaatsgevonden. 5.9. Indien de rechtbank de stelling van belanghebbende zou volgen dat het stembiljet niet is ontvangen door belanghebbende, dan is naar het oordeel van de rechtbank sprake van een procedurele fout van de heffingsambtenaar die van onvoldoende gewicht is om te kunnen stellen dat niet voldaan is aan artikel 4 van de Wet BIZ en daardoor de Verordening ten aanzien van belanghebbende buiten toepassing te laten. 5.10.
Volledig
ECLI:NL:RBZWB:2026:3502 text/xml public 2026-05-07T08:42:15 2026-04-29 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-04-29 BRE 25/3668 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Breda Bestuursrecht; Belastingrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:3502 text/html public 2026-05-07T08:41:11 2026-05-07 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBZWB:2026:3502 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 29-04-2026 / BRE 25/3668 Aanslag BIZ-bijdrage, beroep ongegrond. RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Zittingsplaats Breda Belastingrecht zaaknummer: BRE 25/3668 uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 29 april 2026 in de zaak tussen [belanghebbende] , uit [woonplaats] , belanghebbende, en de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking West-Brabant , de heffingsambtenaar. Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar van 8 april 2025. 1.1. De heffingsambtenaar heeft aan belanghebbende voor het jaar 2025 een aanslag bedrijveninvesteringszones-bijdrage (BIZ-bijdrage) opgelegd van € 300. 1.2. De heffingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard. 1.3. De rechtbank heeft het beroep op 4 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: belanghebbende, bijgestaan door haar partner, en namens de heffingsambtenaar: [gemachtigde] . Beoordeling door de rechtbank 2. De rechtbank beoordeelt of de aanslag BIZ-bijdrage ten onrechte is opgelegd aan belanghebbende. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende. 3. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de heffingsambtenaar terecht de aanslag BIZ-bijdrage opgelegd aan belanghebbende. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Feiten 4. Belanghebbende is eigenaar van een onroerende zaak te [woonplaats] . De onroerende zaak is volgens de belastingadministratie van de gemeente in 2023 gesplitst in twee adressen, [adres 1] en [adres 2] . 4.1. Op 1 januari 2025 stond [adres 2] leeg. 4.2. De heffingsambtenaar heeft voor het jaar 2025 ter zake van de onroerende zaak [adres 2] (hierna: de onroerende zaak) een aanslag BIZ-bijdrage opgelegd op grond van de [Verordening] (de Verordening). Het gebruiksdoel van de onroerende zaak is in de BAG geregistreerd als 'winkelfunctie'. Motivering 5. Over onroerende zaken die gelegen zijn binnen de bedrijveninvesteringszone en die niet in hoofdzaak tot woning dienen wordt een BIZ-bijdrage geheven. De BIZ-bijdrage wordt in beginsel geheven van de degene die bij het begin van het kalenderjaar gebruiker is van de onroerende zaak. Indien de onroerende zaak op dat moment geen gebruiker kent, wordt de BIZ-bijdrage geheven van de eigenaar. Er wordt geen BIZ-bijdrage geheven over de in artikel 6 van de Verordening genoemde onroerende zaken, waaronder onroerende zaken voor zover bestemd en in gebruik als kantoorruimte. Belastingplichtige 5.1. Vast staat dat sprake is van een onroerende zaak die gelegen is binnen de bedrijveninvesteringszone en die niet in hoofdzaak tot woning dient. Op 1 januari 2025 was er geen gebruiker van de onroerende zaak. De BIZ-bijdrage is daardoor in beginsel terecht geheven bij belanghebbende als eigenaar. Voor de BIZ-bijdrage wordt gekeken naar een tijdstip, namelijk 1 januari van het belastingjaar. Dat de onroerende zaak later in het jaar verhuurd is, maakt dus niet uit voor de BIZ-bijdrage. Vrijstellingen 5.2. Indien sprake is van een onroerende zaak die valt onder de vrijstellingen, wordt geen BIZ-bijdrage geheven. Winkelruimtes vallen niet onder de vrijstellingen van artikel 6 van de Verordening. 5.3. Belanghebbende stelt dat het verhuren van een winkelruimte niet meer mogelijk is en dat de onroerende zaak vanaf maart 2025 verhuurd is als yogastudio, dus als praktijkruimte. Praktijkruimtes vallen volgens belanghebbende onder de vrijstelling. Daarnaast stelt belanghebbende dat de kans groot was dat de onroerende zaak verhuurd zou worden als kantoorruimte, wat eveneens onder de vrijstelling valt. 5.4. De heffingsambtenaar heeft gesteld dat de kwalificatie van de onroerende zaak in de BAG leidend is en dat daarin staat vermeld dat de onroerende zaak een winkelfunctie heeft. Daarnaast wijst de heffingsambtenaar op een advertentie van belanghebbende op Funda, waarin de onroerende zaak destijds te huur werd aangeboden onder de volgende omschrijving: “Het is een ideaal pand voor kantoor, maar ook als winkel- of praktijkruimte met de nodige opslag in de kelder.” Daaruit volgt volgens de heffingsambtenaar dat de onroerende zaak nog als winkelruimte kon worden verhuurd en dat het destijds dus nog niet duidelijk was dat de onroerende zaak uitsluitend als kantoorruimte zou worden gebruikt. Ook wijst de heffingsambtenaar erop dat de onroerende zaak vanaf 2023 voor het vaststellen van de WOZ-waarde elk jaar is gewaardeerd als winkel en dat belanghebbende daarvan jaarlijks op de hoogte is gesteld door middel van de toezending van het taxatieverslag. Belanghebbende heeft hier nooit bezwaar tegen ingediend. Verder heeft de heffingsambtenaar gesteld dat praktijkruimtes waren vrijgesteld onder de Verordening BI-zone centrum [woonplaats] voor belastingjaar 2010, maar dat dit in de Verordening 2023-2025 niet langer het geval is. 5.5. De rechtbank stelt voorop dat belanghebbende een beroep doet op een vrijstelling en dat zij daarom de bewijslast heeft dat op 1 januari 2025 een vrijstelling op de onroerende zaak van toepassing is. Naar het oordeel van de rechtbank is belanghebbende niet in haar bewijslast geslaagd. Belanghebbende heeft tegenover de gemotiveerde betwisting van de heffingsambtenaar niet aannemelijk gemaakt dat de onroerende zaak per 1 januari 2025 geen winkelfunctie had of kon hebben en (dus) evenmin dat de onroerende zaak enkel als kantoorruimte was bestemd en in gebruik was. Dat de onroerende zaak niet enkel als kantoorruimte kon worden gebruikt, volgt ook uit de omstandigheid dat deze later is verhuurd als yogastudio. Dat belanghebbende de kans groot achtte dat de onroerende zaak als kantoorruimte zou worden verhuurd, is niet relevant. Evenmin is relevant dat de onroerende zaak later in het jaar is verhuurd als yogastudio, reeds omdat dit gebruik van de onroerende zaak niet valt onder vrijstellingen van de op dat moment geldende Verordening. Bekendmaking en toepassing Verordening 5.6. Belanghebbende stelt niet te zijn ingelicht over de BIZ-bijdrage. Ter zitting heeft belanghebbende gesteld dat zij het stembiljet voor de stemronde over de BIZ-bijdrage niet heeft ontvangen. 5.7. De heffingsambtenaar heeft gesteld dat de Verordening tijdig en op de juiste wijze is gepubliceerd. Ter zitting heeft de heffingsambtenaar aangevoerd dat de Verordening pas tot stand kan komen als aan de voorwaarden is voldaan, waaronder het houden van de stemronde. Omdat de stelling van belanghebbende pas ter zitting concreet is geworden, kon de heffingsambtenaar niet eerder nagaan of belanghebbende het stembiljet heeft ontvangen. 5.8. De rechtbank stelt het volgende voorop. Vast staat dat de gemeenteraad van de gemeente [woonplaats] bij Verordening een BIZ-bijdrage heeft ingesteld overeenkomstig artikel 1, eerste en derde lid, van de Wet op de bedrijveninvesteringszones (Wet BIZ). Op grond van artikel 4 van de Wet BIZ treedt een dergelijke Verordening niet eerder in werking dan nadat gebleken is van voldoende steun onder de bijdrageplichtigen (de zogenoemde draagvlakmeting). De heffingsambtenaar heeft onbetwist gesteld dat het niet anders kan zijn dan dat voor het vaststellen van de Verordening een stemronde moet hebben plaatsgevonden. 5.9. Indien de rechtbank de stelling van belanghebbende zou volgen dat het stembiljet niet is ontvangen door belanghebbende, dan is naar het oordeel van de rechtbank sprake van een procedurele fout van de heffingsambtenaar die van onvoldoende gewicht is om te kunnen stellen dat niet voldaan is aan artikel 4 van de Wet BIZ en daardoor de Verordening ten aanzien van belanghebbende buiten toepassing te laten. 5.10.