Rechtspraak Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-04-28
ECLI:NL:RBZWB:2026:3477
ECLI:NL:RBZWB:2026:3477 text/xml public 2026-06-02T09:00:36 2026-04-29 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-04-28 25/3526 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Breda Bestuursrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:3477 text/html public 2026-05-29T08:51:36 2026-06-02 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBZWB:2026:3477 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 28-04-2026 / 25/3526 Tussenuitspraak over een verzoek op grond van de Wet open overheid. Eiser heeft gevraagd om informatie over TGG/TAG/Staalslakken openbaar te maken. De rechtbank oordeelt dat de herbeoordeling van de minister onvolledig is en dat hij de weigeringsgronden onjuist heeft toegepast. RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Zittingsplaats Breda Bestuursrecht zaaknummer: BRE 25/3526 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 april 2026 in de zaak tussen [eiser] , uit [woonplaats] , eiser en de minister van Infrastructuur en Waterstaat, de minister. Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over de beslissing op bezwaar van 24 juni 2025 (bestreden besluit) waarin de minister het bezwaar van eiser deels gegrond heeft verklaard en op grond van de Wet open overheid (Woo) een aantal documenten ruimer (maar nog steeds gedeeltelijk) openbaar heeft gemaakt. Eiser is het hier nog niet mee eens en voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de (gedeeltelijke) openbaarmaking van de stukken. 1.1. De rechtbank komt in deze tussenuitspraak tot het oordeel dat de minister onvolledig is geweest bij de herbeoordeling en dat de minister de weigeringsgronden onjuist heeft toegepast . Eiser krijgt dus gelijk en het beroep is dus gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Procesverloop 2. Op 21 februari 2024 heeft eiser een verzoek ingediend op grond van de Woo bij de Inspectie Leefomgeving Transport (ILT). De minister heeft bij besluit van 3 oktober 2024 een deel van de gevraagde informatie openbaar gemaakt. Met het bestreden besluit van 24 juni 2025 heeft de minister het bezwaar gegrond verklaard en een aantal documenten ruimer (maar nog steeds gedeeltelijk) openbaar gemaakt. 2.1. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. 2.2. De rechtbank heeft het beroep op 19 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en namens de minister mr. O.K.N. Kumar en [persoon] (inspecteur). Beoordeling door de rechtbank De feiten 3. Op 21 februari 2024 heeft eiser een Woo-verzoek ingediend bij de ILT. Dit informatieverzoek is na overleg tussen eiser en een medewerker van de afdeling Juridische zaken van de ILT nader gespecificeerd. Het verzoek ziet op informatie die betrekking heeft op het gebied van de gemeente Hulst/Perkpolder en andere gebieden nabij Provincie Zeeland inzake TGG/TAG/Staalslakken in de periode 17 juli 2020 tot en met 21 februari 2024. 3.1. Hierna heeft de minister de besluiten genomen zoals beschreven in het procesverloop. Het bestreden besluit 4. Met het bestreden besluit heeft de minister het bezwaar deels gegrond verklaard. De minister heeft besloten om op document 3a geen weigeringsgrond meer toe te passen omdat dit een artikel is uit een tijdschrift en daarom reeds openbare informatie betreft. De documenten met nummers 5, 8, 13, 14, 17 tot en met 19, 22, 30, 56, 57, 78, 85, 96, 131 en 147 betreffen e-mails. Van deze documenten zijn de extensies, het onderwerp en de tijd en datum alsnog openbaar gemaakt. In de documenten 5, 8, 13, 14, 17 tot en met 19, 22, 57, 78, 85, 131 en 147 heeft de minister alsnog informatie deels openbaar gemaakt door de weigeringsgrond van artikel 5.1, tweede lid, onder i, van de Woo minder ruim toe te passen. Voor de documenten 30, 56 en 96 heeft de minister de weigeringsgrond van artikel 5.1, tweede lid, onder i, van de Woo onveranderd toegepast. Toetsingskader 5. De wettelijke Voor de documenten 17 en 147 volgt de rechtbank de minister dat de weigeringsgrond van artikel 5.1, tweede lid, onder e, van de Woo correct op namen en persoonsgegevens is toegepast. In document 131 ziet de rechtbank wel een weggelakt blok waar de weigeringsgronden nog steeds door elkaar lopen na de heroverweging. Dat bevestigt dat geen volledige heroverweging heeft plaatsgevonden. De rechtbank merkt over document 131 verder op dat het ongelakte stuk uit drie pagina’s bestaat, maar dat voor de deels openbare stukken de derde pagina niet is meegestuurd. Deze derde pagina is een e-mail aan eiser zelf. De omstandigheid dat die mail al is gericht aan de Woo-verzoeker, maakt niet dat het buiten beschouwing kan worden gelaten bij de beoordeling van het Woo-verzoek. Bij wijze van steekproef is de rechtbank ook op een ander document gestuit waar het aantal pagina’s van de ongelakte en gelakte versies niet overeenkomt. Voor de deels openbaar gemaakte versie van document 21 mist namelijk de tweede pagina. Dus de verstrekking van de gelakte stukken is in ieder geval voor deze twee documenten onvolledig. Ook daaruit blijkt dat de heroverweging onvolledig is. 7.2. Eiser heeft ten slotte tijdens de zitting een lijst met documentnummers overhandigd waarvan hij geheel geen kopie heeft gekregen. Voor zover dit terecht integraal geweigerde stukken zijn (wat verderop in deze uitspraak wordt beoordeeld), hoefde de minister niet geheel zwart gelakte stukken aan te leveren en kon de minister volstaan door deze stukken niet te verstrekken. Mocht de minister de weigeringsgrond van artikel 5.1, tweede lid, onder e toepassen? 8. Eiser is het niet eens met de wijze waarop de minister artikel 5.1, tweede lid, onder e, van de Woo heeft toegepast. Tijdens de zitting heeft hij verduidelijkt dat hij niet vindt dat namen van ambtenaren, contactpersonen en hun contactgegevens openbaar moeten zijn. Hij vindt echter wel dat namen van gerechtelijke deskundigen niet mogen worden weggelakt. Hij verwijst specifiek naar document 159b. 8.1. De rechtbank oordeelt dat de minister ten onrechte de weigeringsgrond van artikel 5.1, tweede lid, onder e, van de Woo heeft toegepast door de naam van de gerechtelijk deskundige consequent weg te lakken. Het gaat in dit geval namelijk om een persoon die is benoemd als gerechtelijk deskundige in de lopende civiele zaak. Dat betekent dat de gerechtelijk deskundige zichtbaar moet zijn op de plekken waar hij optreedt als gerechtelijk deskundige. Ook deze beroepsgrond slaagt dus. Mocht de minister de weigeringsgrond van artikel 5.1, tweede lid, onder i toepassen? 9. Eiser betoogt dat de weigeringsgrond van artikel 5.1, tweede lid, onder i, van de Woo onjuist en ten onrechte is toegepast. In de eerste plaats stelt hij dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd dat publicatie van de informatie daadwerkelijk nadelige gevolgen zal hebben voor de vertrouwelijkheid van het handelen van overheidsinstanties. Eiser betwijfelt specifiek dat de documenten 30, 56 en 96 zien op een lopende juridische procedure zoals de minister stelt en verzoekt de rechtbank om deze stukken te beoordelen. Ten tweede is alle informatie waar het Woo-verzoek op ziet milieu-informatie in de zin van artikel 19.1a van de Wet milieubeheer. Dat betekent dat op grond van artikel 4, vierde lid, onder a, van het Verdrag van Aarhus de minister terughoudend moet zijn met deze weigeringsgrond. Deze weigeringsgrond moet bovendien verdragsconform worden toegepast. Ten slotte en in het verlengde hiervan stelt eiser dat artikel 5.1, tweede lid, onder i, van de Woo een onjuiste implementatie is van artikel 4, vierde lid, onder a, van het Verdrag van Aarhus en dus dat deze weigeringsgrond onverbindend is vanwege strijd met hoger recht. 9.1. De minister heeft toegelicht dat alle documenten onderdeel uitmaken van het proces van standpuntbepaling in een nog niet afgeronde civiele zaak van de Staat der Nederlanden. Deze civielrechtelijke procedure is aangehouden totdat de bestuursrecht Als een stuk inderdaad onderdeel uit heeft gemaakt van het proces van standpuntbepaling, dan betekent dat namelijk nog niet dat alle passages in dat document kunnen worden geweigerd op basis van deze weigeringsgrond. De minister had alle 163 documenten waarop deze weigeringsgrond is toegepast dus kritischer moeten doornemen en had per passage moeten beoordelen of de weigeringsgrond kon worden toegepast. Bij de verplichte belangenafweging heeft de minister ten tweede onvoldoende rekening gehouden dat sprake is van milieu informatie. Daarbij geldt namelijk dat de minister op grond van het Verdrag van Aarhus, een zwaardere motiveringsplicht heeft als hij wil weigeren om milieu informatie openbaar te maken. 10.3. Omdat is gebleken dat de minister de weigeringsgrond van artikel 5.1, tweede lid, onder i, van de Woo onjuist heeft toegepast en deze beroepsgrond dus al slaagt, laat de rechtbank zich nu niet uit over het beroep van eiser op het verdrag van Aarhus en de volgens hem beweerde strijdigheid van dit artikel met dit verdrag. Herstelmogelijkheid 11. Zoals hiervoor is overwogen is het bestreden besluit in strijd met het artikel 7:11, eerste lid, van de Awb (overweging 7), met artikel 5.1, tweede lid, en onder e, van de Woo (overweging 8.1) en met artikel 5.1, tweede lid, en onder i, van de Woo (overweging 10 tot en met 10.3). Op grond van artikel 8:51a, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de rechtbank het bestuursorgaan in de gelegenheid stellen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen. Op grond van artikel 8:80a van de Awb doet de rechtbank dan een tussenuitspraak. De rechtbank ziet aanleiding om de minister in de gelegenheid te stellen de gebreken te herstellen. Dat herstellen kan hetzij met een aanvullende motivering, hetzij, voor zover nodig, met een nieuwe beslissing op bezwaar, na of tegelijkertijd met intrekking van het nu bestreden besluit. Om de gebreken te herstellen zal de minister in de eerste plaats een volledige heroverweging moeten uitvoeren waarbij hij zich niet beperkt tot zestien documenten. De minister moet bij de heroverweging alle documenten betrekken waarop de weigeringsgronden van artikel 5.1, tweede lid, onder e en i, van de Woo zijn toegepast. Ten tweede zal de minister kritischer moeten kijken wanneer hij een weigeringsgrond toepast. Per document en per gelakte passage zal de minister moeten motiveren waarom artikel 5.1, tweede lid, onder i, van de Woo aan de orde is voor die informatie. Als de minister opnieuw al dan niet gelakte stukken openbaar maakt, dan is vanzelfsprekend dat hij dezelfde documentnummering blijft aanhouden als tot nu toe is toegepast. De rechtbank bepaalt de termijn waarbinnen de minister het gebrek kan herstellen op zes weken na verzending van deze tussenuitspraak. 12. De minister moet op grond van artikel 8:51b, eerste lid, van de Awb én om vertraging te voorkomen zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen twee weken, meedelen aan de rechtbank of hij gebruik maakt van de gelegenheid het gebrek te herstellen. Als de minister gebruik maakt van die gelegenheid, zal de rechtbank eiser in de gelegenheid stellen binnen vier weken te reageren op de herstelpoging van de minister. In beginsel, ook in de situatie dat de minister de hersteltermijn ongebruikt laat verstrijken, zal de rechtbank zonder tweede zitting uitspraak doen op het beroep. 13. Het geding zoals dat na deze tussenuitspraak wordt gevoerd, blijft in beginsel beperkt tot de beroepsgronden zoals die zijn besproken in de tussenuitspraak, omdat het inbrengen van nieuwe geschilpunten over het algemeen in strijd met de goede procesorde wordt geacht. De rechtbank verwijst naar de uitspraak van de ABRvS van 12 juni 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:CA2877). 14. De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan tot de einduitspraak op het beroep. Dat laatste betekent ook dat zij over de proceskosten en het griffierecht nu nog geen beslissing neemt. Beslissing De rechtbank: - draagt de minister