Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2026-04-30
ECLI:NL:RBZWB:2026:3473
Bestuursrecht; Belastingrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
4,085 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBZWB:2026:3473 text/xml public 2026-05-11T09:00:20 2026-04-28 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-04-30 BRE 25/3122 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig Verzet NL Breda Bestuursrecht; Belastingrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:3473 text/html public 2026-05-08T10:47:20 2026-05-11 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBZWB:2026:3473 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 30-04-2026 / BRE 25/3122 8:55 Verzet ongegrond. Naar het oordeel van de rechtbank is afdoende duidelijk op welke beroepen de griffierechtnota's betrekking hebben. Gemachtigde dient aan de hand van de gegevens in de griffierechtnota's en zijn administratie een koppeling te kunnen maken met de door hem gevoerde zaak. De rechtbank ziet geen reden om te betwijfelen of de herinneringsnota is ontvangen. Gemachtigde heeft in de procedure tot en met de behandeling van het verzet voldoende de gelegenheid gehad om te reageren op de uitspraak van 9 februari 2026 en de daarin aangehaalde brieven en stukken. Het beginsel van hoor en wederhoor is niet geschonden. Er is geen sprake van één beroepschrift tegen twee of meer met elkaar samenhangende besluiten. Vast staat dat de rechtbank binnen de gestelde termijn het griffierecht niet heeft ontvangen. De rechtbank heeft dan ook terecht het beroep niet-ontvankelijk verklaard. De rechtbank ziet in al hetgeen gemachtigde heeft aangevoerd geen aanleiding tot een ander oordeel. RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Zittingsplaats Breda Belastingrecht zaaknummer: BRE 25/3122 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 april 2026 op het verzet van [belanghebbende] B.V., statutair gevestigd in [plaats] , belanghebbende (gemachtigde: mr. D.A.N. Bartels), tegen de uitspraak van de rechtbank van 9 februari 2026 in het geding tussen belanghebbende en de heffingsambtenaar van de Samenwerking Belastingen Walcheren en Schouwen-Duiveland , de heffingsambtenaar . Inleiding 1. Deze uitspraak op het verzet van belanghebbende gaat over de uitspraak van de rechtbank van 9 februari 2026 waarin de rechtbank het beroep van belanghebbende niet-ontvankelijk heeft verklaard. Het beroep ziet op de WOZ-beschikking met aanslagnummer [nummer] voor het object [adres 1] . 1.1. De rechtbank heeft het verzet op 16 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van belanghebbende deelgenomen. Beoordeling door de rechtbank 2. De rechtbank beoordeelt in deze uitspraak uitsluitend of in de uitspraak van 9 februari 2026 terecht is geoordeeld dat buiten redelijke twijfel is dat het beroep niet-ontvankelijk is, omdat het griffierecht niet is betaald. Zij doet dit aan de hand van de gronden van het verzet. 2.1. Gemachtigde voert in verzet het volgende aan: - De aanduiding ‘kennelijk’ vereist dat geen twijfel mogelijk is. Er was nader onderzoek vereist, omdat de griffierechtnota onduidelijk is (geen objectadres, wisselende tenaamstelling, geen splitsingsbrief). - Een deugdelijke herstelbrief met vermelding van termijn en rechtsgevolg ontbreekt. - De ontvangst van de nota’s en brieven wordt betwist. - Er is sprake van samenhang als bedoeld in artikel: 8:41, derde lid van de Awb. De rechtbank was gehouden dit ambtshalve te onderzoeken. - In de uitspraak wordt verwezen naar track-and-trace informatie van PostNL. Deze informatie is niet aan gemachtigde voorgelegd, wat strijdig is met het beginsel van hoor en wederhoor. 2.2. De rechtbank komt tot het oordeel dat het verzet ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Verzonden nota’s 3. Belanghebbende is bij brief van 30 juni 2025 gewezen op de verschuldigdheid van het griffierecht. In de brief wordt als kenmerk het zaaknummer BRE 25/03122 en belanghebbende [belanghebbende] BV vermeld. Deze gegevens zijn ook terug te vinden in de ontvangstbevestiging van het beroep. Aangezien de rechtbank het griffierecht niet tijdig heeft ontvangen, is met dagtekening 29 juli 2025 een herinneringsnota verzonden met hetzelfde kenmerk. In de herinneringsnota wordt aangegeven dat het beroepschrift niet-ontvankelijk kan worden verklaard, als het verschuldigde bedrag niet (tijdig) binnen vier weken is overgemaakt. De rechtbank stelt vast dat gemachtigde hiermee de mogelijkheid is geboden het verzuim te herstellen met vermelding van termijn en rechtsgevolg. 3.1. Naar het oordeel van de rechtbank is ook afdoende duidelijk op welke beroepen de griffierechtsnota’s betrekking hebben. Gemachtigde dient aan de hand van de gegevens in de griffierechtnota’s en zijn administratie de koppeling te kunnen maken met de door hem gevoerde zaak. Daarbij is het niet relevant dat de griffierechtnota niet het objectadres vermeldt. Er is immers geen rechtsregel die voorschrijft dat dergelijke correspondentie een (volledige) vermelding van deze gegevens moet bevatten. Betwisting ontvangst 4. Gemachtigde ontkent (in meerdere procedures) dat hij aangetekende zendingen heeft ontvangen. De rechtbank overweegt dat alle correspondentie aan gemachtigde wordt verzonden naar het door hem opgegeven postbusadres [postbus] te ( [adres 2] . Deze postbus bevindt zich op een PostNL-punt in een winkel van Primera aan het [adres 3] . Gemachtigde heeft in 2023 in meerdere verzetzaken met dezelfde argumenten de ontvangst van in die zaken door de rechtbank aangetekend verzonden stukken betwist. Na de zitting in die zaken heeft de heffingsambtenaar in één van die zaken gemeld dat hem bij navraag was gebleken dat de eigenaar en medewerkers van de Primera toegang hebben tot (een afschrift van) het identiteitsbewijs van gemachtigde en dat de afspraak geldt dat zij namens gemachtigde voor ontvangst van de aangetekende brieven tekenen. Deze werkwijze zou volgens die melding zijn ontstaan omdat gemachtigde veel aangetekende post ontvangt en het zowel de eigenaar van de Primera als gemachtigde het op deze manier veel tijd bespaart. 4.1. De herinneringsnota van 29 juli 2025 is aangetekend verzonden en volgens de track-and-trace informatie van PostNL is op 31 juli 2025 voor ontvangst getekend. De rechtbank ziet geen reden om te betwijfelen of deze ook is ontvangen. Het is immers in de eerste plaats gemachtigde zelf die voor alle correspondentie een postbusnummer opgeeft. De rechtbank acht het onaannemelijk dat gemachtigde de brief van 29 juli 2025 niet heeft ontvangen. De stelling van gemachtigde dat niet duidelijk is wie de brief heeft afgehaald, is in dit geval een onvoldoende betwisting van de ontvangst. Er zijn verder, behoudens de ontkenning van de gemachtigde, geen aanwijzingen dat hij de brief niet zou hebben ontvangen. Op grond van het vorenstaande acht de rechtbank voldoende vaststaan dat gemachtigde de brief heeft ontvangen. Deze grond slaagt niet. Hoor en wederhoor 5. Gemachtigde stelt dat in de uitspraak wordt verwezen naar track-and-trace informatie van PostNL die niet aan hem is voorgelegd. Naar het oordeel van de rechtbank is het beginsel van hoor en wederhoor niet geschonden. Gemachtigde heeft in de procedure tot en met de behandeling van het verzet voldoende de gelegenheid gehad om te reageren op de uitspraak van 9 februari 2026 en de daarin aangehaalde brieven en stukken. Samenhang 6. De rechtbank overweegt dat indien belanghebbende één beroepschrift indient tegen twee of meer met elkaar samenhangende besluiten slechts eenmaal griffierecht is verschuldigd. In dit geval is geen sprake van één beroepschrift tegen twee of meer met elkaar samenhangende besluiten. Verder is het zo dat het niet-betalen van griffierecht omdat belanghebbende zelf vindt dat sprake is van samenhang waarbij de rechtbank later anders beslist, in zijn risicosfeer ligt. 6.1. Vast staat dat de rechtbank binnen de gestelde termijn het griffierecht niet heeft ontvangen. De rechtbank heeft dan ook terecht het beroep niet-ontvankelijk verklaard. De rechtbank ziet in al hetgeen gemachtigde heeft aangevoerd geen aanleiding tot een ander oordeel. Het verzet is ongegrond. Conclusie en gevolgen 7. De gronden van het verzet slagen niet. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding anders te oordelen dan in de uitspraak van 9 februari 2026. Het verzet is ongegrond.
Volledig
ECLI:NL:RBZWB:2026:3473 text/xml public 2026-05-11T09:00:20 2026-04-28 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-04-30 BRE 25/3122 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig Verzet NL Breda Bestuursrecht; Belastingrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:3473 text/html public 2026-05-08T10:47:20 2026-05-11 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBZWB:2026:3473 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 30-04-2026 / BRE 25/3122 8:55 Verzet ongegrond. Naar het oordeel van de rechtbank is afdoende duidelijk op welke beroepen de griffierechtnota's betrekking hebben. Gemachtigde dient aan de hand van de gegevens in de griffierechtnota's en zijn administratie een koppeling te kunnen maken met de door hem gevoerde zaak. De rechtbank ziet geen reden om te betwijfelen of de herinneringsnota is ontvangen. Gemachtigde heeft in de procedure tot en met de behandeling van het verzet voldoende de gelegenheid gehad om te reageren op de uitspraak van 9 februari 2026 en de daarin aangehaalde brieven en stukken. Het beginsel van hoor en wederhoor is niet geschonden. Er is geen sprake van één beroepschrift tegen twee of meer met elkaar samenhangende besluiten. Vast staat dat de rechtbank binnen de gestelde termijn het griffierecht niet heeft ontvangen. De rechtbank heeft dan ook terecht het beroep niet-ontvankelijk verklaard. De rechtbank ziet in al hetgeen gemachtigde heeft aangevoerd geen aanleiding tot een ander oordeel. RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Zittingsplaats Breda Belastingrecht zaaknummer: BRE 25/3122 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 april 2026 op het verzet van [belanghebbende] B.V., statutair gevestigd in [plaats] , belanghebbende (gemachtigde: mr. D.A.N. Bartels), tegen de uitspraak van de rechtbank van 9 februari 2026 in het geding tussen belanghebbende en de heffingsambtenaar van de Samenwerking Belastingen Walcheren en Schouwen-Duiveland , de heffingsambtenaar . Inleiding 1. Deze uitspraak op het verzet van belanghebbende gaat over de uitspraak van de rechtbank van 9 februari 2026 waarin de rechtbank het beroep van belanghebbende niet-ontvankelijk heeft verklaard. Het beroep ziet op de WOZ-beschikking met aanslagnummer [nummer] voor het object [adres 1] . 1.1. De rechtbank heeft het verzet op 16 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van belanghebbende deelgenomen. Beoordeling door de rechtbank 2. De rechtbank beoordeelt in deze uitspraak uitsluitend of in de uitspraak van 9 februari 2026 terecht is geoordeeld dat buiten redelijke twijfel is dat het beroep niet-ontvankelijk is, omdat het griffierecht niet is betaald. Zij doet dit aan de hand van de gronden van het verzet. 2.1. Gemachtigde voert in verzet het volgende aan: - De aanduiding ‘kennelijk’ vereist dat geen twijfel mogelijk is. Er was nader onderzoek vereist, omdat de griffierechtnota onduidelijk is (geen objectadres, wisselende tenaamstelling, geen splitsingsbrief). - Een deugdelijke herstelbrief met vermelding van termijn en rechtsgevolg ontbreekt. - De ontvangst van de nota’s en brieven wordt betwist. - Er is sprake van samenhang als bedoeld in artikel: 8:41, derde lid van de Awb. De rechtbank was gehouden dit ambtshalve te onderzoeken. - In de uitspraak wordt verwezen naar track-and-trace informatie van PostNL. Deze informatie is niet aan gemachtigde voorgelegd, wat strijdig is met het beginsel van hoor en wederhoor. 2.2. De rechtbank komt tot het oordeel dat het verzet ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Verzonden nota’s 3. Belanghebbende is bij brief van 30 juni 2025 gewezen op de verschuldigdheid van het griffierecht. In de brief wordt als kenmerk het zaaknummer BRE 25/03122 en belanghebbende [belanghebbende] BV vermeld. Deze gegevens zijn ook terug te vinden in de ontvangstbevestiging van het beroep. Aangezien de rechtbank het griffierecht niet tijdig heeft ontvangen, is met dagtekening 29 juli 2025 een herinneringsnota verzonden met hetzelfde kenmerk. In de herinneringsnota wordt aangegeven dat het beroepschrift niet-ontvankelijk kan worden verklaard, als het verschuldigde bedrag niet (tijdig) binnen vier weken is overgemaakt. De rechtbank stelt vast dat gemachtigde hiermee de mogelijkheid is geboden het verzuim te herstellen met vermelding van termijn en rechtsgevolg. 3.1. Naar het oordeel van de rechtbank is ook afdoende duidelijk op welke beroepen de griffierechtsnota’s betrekking hebben. Gemachtigde dient aan de hand van de gegevens in de griffierechtnota’s en zijn administratie de koppeling te kunnen maken met de door hem gevoerde zaak. Daarbij is het niet relevant dat de griffierechtnota niet het objectadres vermeldt. Er is immers geen rechtsregel die voorschrijft dat dergelijke correspondentie een (volledige) vermelding van deze gegevens moet bevatten. Betwisting ontvangst 4. Gemachtigde ontkent (in meerdere procedures) dat hij aangetekende zendingen heeft ontvangen. De rechtbank overweegt dat alle correspondentie aan gemachtigde wordt verzonden naar het door hem opgegeven postbusadres [postbus] te ( [adres 2] . Deze postbus bevindt zich op een PostNL-punt in een winkel van Primera aan het [adres 3] . Gemachtigde heeft in 2023 in meerdere verzetzaken met dezelfde argumenten de ontvangst van in die zaken door de rechtbank aangetekend verzonden stukken betwist. Na de zitting in die zaken heeft de heffingsambtenaar in één van die zaken gemeld dat hem bij navraag was gebleken dat de eigenaar en medewerkers van de Primera toegang hebben tot (een afschrift van) het identiteitsbewijs van gemachtigde en dat de afspraak geldt dat zij namens gemachtigde voor ontvangst van de aangetekende brieven tekenen. Deze werkwijze zou volgens die melding zijn ontstaan omdat gemachtigde veel aangetekende post ontvangt en het zowel de eigenaar van de Primera als gemachtigde het op deze manier veel tijd bespaart. 4.1. De herinneringsnota van 29 juli 2025 is aangetekend verzonden en volgens de track-and-trace informatie van PostNL is op 31 juli 2025 voor ontvangst getekend. De rechtbank ziet geen reden om te betwijfelen of deze ook is ontvangen. Het is immers in de eerste plaats gemachtigde zelf die voor alle correspondentie een postbusnummer opgeeft. De rechtbank acht het onaannemelijk dat gemachtigde de brief van 29 juli 2025 niet heeft ontvangen. De stelling van gemachtigde dat niet duidelijk is wie de brief heeft afgehaald, is in dit geval een onvoldoende betwisting van de ontvangst. Er zijn verder, behoudens de ontkenning van de gemachtigde, geen aanwijzingen dat hij de brief niet zou hebben ontvangen. Op grond van het vorenstaande acht de rechtbank voldoende vaststaan dat gemachtigde de brief heeft ontvangen. Deze grond slaagt niet. Hoor en wederhoor 5. Gemachtigde stelt dat in de uitspraak wordt verwezen naar track-and-trace informatie van PostNL die niet aan hem is voorgelegd. Naar het oordeel van de rechtbank is het beginsel van hoor en wederhoor niet geschonden. Gemachtigde heeft in de procedure tot en met de behandeling van het verzet voldoende de gelegenheid gehad om te reageren op de uitspraak van 9 februari 2026 en de daarin aangehaalde brieven en stukken. Samenhang 6. De rechtbank overweegt dat indien belanghebbende één beroepschrift indient tegen twee of meer met elkaar samenhangende besluiten slechts eenmaal griffierecht is verschuldigd. In dit geval is geen sprake van één beroepschrift tegen twee of meer met elkaar samenhangende besluiten. Verder is het zo dat het niet-betalen van griffierecht omdat belanghebbende zelf vindt dat sprake is van samenhang waarbij de rechtbank later anders beslist, in zijn risicosfeer ligt. 6.1. Vast staat dat de rechtbank binnen de gestelde termijn het griffierecht niet heeft ontvangen. De rechtbank heeft dan ook terecht het beroep niet-ontvankelijk verklaard. De rechtbank ziet in al hetgeen gemachtigde heeft aangevoerd geen aanleiding tot een ander oordeel. Het verzet is ongegrond. Conclusie en gevolgen 7. De gronden van het verzet slagen niet. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding anders te oordelen dan in de uitspraak van 9 februari 2026. Het verzet is ongegrond.