Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2026-04-30
ECLI:NL:RBZWB:2026:3464
Bestuursrecht; Belastingrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
4,040 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBZWB:2026:3464 text/xml public 2026-05-11T09:00:18 2026-04-28 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-04-30 BRE 25/3751 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig Verzet NL Breda Bestuursrecht; Belastingrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:3464 text/html public 2026-05-08T09:56:21 2026-05-11 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBZWB:2026:3464 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 30-04-2026 / BRE 25/3751 8:55 Verzet ongegrond. De rechtbank stelt vast dat in de brief van 3 oktober 2025 wordt vermeld (i) welk verzuim moet worden hersteld, (ii) binnen welke termijn en (iii) dat het beroep niet-ontvankelijk kan worden verklaard als niet aan het verzoek wordt voldaan. Naar het oordeel van de rechtbank is met deze brief op correcte wijze een herstelmogelijkheid geboden. De rechtbank ziet geen reden om te betwijfelen of deze brief ook is ontvangen. Vast staat dat de rechtbank binnen de gestelde termijn geen uittreksel uit het handelsregister van belanghebbende heeft ontvangen. De rechtbank heeft dan ook terecht geoordeeld dat niet kan worden beoordeeld of de machtiging is afgegeven door de (uiteindelijk) bevoegd bestuurder/persoon. Gesteld gemachtigde heeft in de gehele procedure tot en met de behandeling van het verzet voldoende de gelegenheid gehad om te reageren op de uitspraak van 6 februari 2026 en de daarin aangehaalde brieven en stukken. Het beginsel van hoor en wederhoor is niet geschonden. RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Zittingsplaats Breda Belastingrecht zaaknummer: BRE 25/3751 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 april 2026 op het verzet van [belanghebbende] B.V., uit [plaats] , belanghebbende (gesteld gemachtigde: mr. D.A.N. Bartels), tegen de uitspraak van de rechtbank van 6 februari 2026 in het geding tussen belanghebbende en de heffingsambtenaar van de Samenwerking Belastingen Walcheren en Schouwen-Duiveland , de heffingsambtenaar. Inleiding 1. Deze uitspraak op het verzet van belanghebbende gaat over de uitspraak van de rechtbank van 6 februari 2026 waarin de rechtbank het beroep van belanghebbende niet-ontvankelijk heeft verklaard. Het beroep ziet op de WOZ-beschikking met aanslagnummer [nummer] voor object [adres 1] . 1.1. De rechtbank heeft het verzet op 16 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gesteld gemachtigde van belanghebbende deelgenomen. Beoordeling door de rechtbank 2. De rechtbank beoordeelt in deze uitspraak uitsluitend of in de uitspraak van 6 februari 2026 terecht is geoordeeld dat buiten redelijke twijfel is dat het beroep niet-ontvankelijk is, omdat geen uittreksel uit het handelsregister van belanghebbende is overgelegd. Zij doet dit aan de hand van de gronden van het verzet. 2.1. Gesteld gemachtigde voert in verzet het volgende aan: - Bij brief van 5 september 2025 is reeds een machtiging en uittreksels ingediend. - In de uitspraak wordt niet vermeld dat een herstelbrief is verstuurd met vermelding van een termijn en het rechtsgevolg. De brief van 3 oktober 2025 voldoet niet aan de eisen. - De ontvangst van de brief van 3 oktober 2025 wordt betwist. - De machtiging was materieel toereikend. De rechtbank had bij twijfel over de bevoegdheid gericht en concreet moeten verzoeken om aanvullende documentatie. Ter zitting heeft gesteld gemachtigde verklaard dat [belanghebbende] als rechtspersoon niet bestaat. - In de uitspraak wordt verwezen naar track-and-trace informatie van PostNL. Deze informatie is niet aan de belanghebbende voorgelegd, wat strijdig is met het beginsel van hoor en wederhoor. 2.2. De rechtbank komt tot het oordeel dat het verzet ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Toetsingskader 3. Iemand die namens een ander beroep instelt, moet op verzoek van de rechtbank een machtiging indienen om aan te tonen dat hij namens die ander beroep mag instellen. Dit staat in artikel 8:24, tweede lid van de Awb. Als dat niet gebeurt, kan de rechtbank het beroep op grond van artikel 6:6 van de Awb niet-ontvankelijk verklaren. Als de ander een rechtspersoon is of een natuurlijk persoon die een onderneming drijft, kan de rechtbank ook verlangen dat een recent uittreksel uit het handelsregister wordt overgelegd. Procesverloop 4. De rechtbank constateert dat gesteld gemachtigde in het beroepschrift vermeld dat hij beroep instelt namens belanghebbende, [belanghebbende] B.V. Bij brief van 5 augustus 2025 is verzocht om een machtiging in te dienen en een uittreksel uit het handelsregister (eventueel meerdere uittreksels van bovenliggende rechtspersonen) waaruit blijkt wie als (uiteindelijk) bevoegd bestuurder gerechtigd is beroep in te stellen. 4.1. De rechtbank heeft op 5 september 2025 een machtiging ontvangen, ondertekend door [persoon 1] en [persoon 2] en uittreksels uit het handelsregister van [bedrijf 1] B.V. en [bedrijf 2] B.V. De rechtbank heeft op 3 oktober 2025 nogmaals verzocht om een uittreksel uit het handelsregister van belanghebbende. 4.2. De rechtbank heeft op 29 oktober 2025 wederom een machtiging en uittreksels uit het handelsregister van [bedrijf 3] B.V., [bedrijf 2] B.V. en [bedrijf 1] B.V ontvangen. Herstelmogelijkheid verzuim 5. De rechtbank stelt voorop dat bij de stukken van 5 september 2025 niet de juiste uittreksels waren toegevoegd. De rechtbank heeft daarom bij brief van 3 oktober 2025 gesteld gemachtigde de mogelijkheid geboden het verzuim te herstellen. Deze brief wordt ook genoemd in de uitspraak van 6 februari 2026. 5.1. De rechtbank constateert dat in de brief van 3 oktober 2025 wordt vermeld (i) welk verzuim moet worden hersteld, (ii) binnen welke termijn en (iii) dat het beroep niet-ontvankelijk kan worden verklaard als niet aan het verzoek wordt voldaan. Naar het oordeel van de rechtbank is met deze brief op correcte wijze een herstelmogelijkheid geboden. De door gesteld gemachtigde aangehaalde jurisprudentie heeft geen enkele relevantie met betrekking tot de in verzet aangevoerde gronden. 5.2. Gesteld gemachtigde ontkent (in meerdere procedures) dat hij aangetekende zendingen heeft ontvangen. De rechtbank overweegt dat alle correspondentie aan gesteld gemachtigde wordt verzonden naar het door hem opgegeven postbusadres [postbus] te ( [adres 2] . Deze postbus bevindt zich op een PostNL-punt in een winkel van Primera aan het [adres 3] . Gesteld gemachtigde heeft in 2023 in meerdere verzetzaken met dezelfde argumenten de ontvangst van in die zaken door de rechtbank aangetekend verzonden stukken betwist. Na de zitting in die zaken heeft de heffingsambtenaar in één van die zaken gemeld dat hem bij navraag was gebleken dat de eigenaar en medewerkers van de Primera toegang hebben tot (een afschrift van) het identiteitsbewijs van gesteld gemachtigde en dat de afspraak geldt dat zij namens gesteld gemachtigde voor ontvangst van de aangetekende brieven tekenen. Deze werkwijze zou volgens die melding zijn ontstaan omdat gesteld gemachtigde veel aangetekende post ontvangt en het zowel de eigenaar van de Primera als gesteld gemachtigde het op deze manier veel tijd bespaart. 5.3. De brief van 3 oktober 2025 is aangetekend verzonden en volgens de track-and-trace informatie van PostNL is op 4 oktober 2025 voor ontvangst getekend. De rechtbank ziet geen reden om te betwijfelen of deze ook is ontvangen. Het is immers in de eerste plaats gesteld gemachtigde zelf die voor alle correspondentie een postbusnummer opgeeft. De rechtbank acht het onaannemelijk dat gesteld gemachtigde de brief van 4 oktober 2025 niet heeft ontvangen. De stelling van gesteld gemachtigde dat niet duidelijk is wie de brief heeft afgehaald, is in dit geval een onvoldoende betwisting van de ontvangst. Er zijn verder, behoudens de ontkenning van de gesteld gemachtigde, geen aanwijzingen dat hij de brief niet zou hebben ontvangen. Gesteld gemachtigde heeft bovendien op 29 oktober 2025 nog aanvullende uittreksels uit het handelsregister ingediend. Op grond van het vorenstaande acht de rechtbank voldoende vaststaan dat gesteld gemachtigde de brief heeft ontvangen. 5.4.
Volledig
ECLI:NL:RBZWB:2026:3464 text/xml public 2026-05-11T09:00:18 2026-04-28 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-04-30 BRE 25/3751 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig Verzet NL Breda Bestuursrecht; Belastingrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:3464 text/html public 2026-05-08T09:56:21 2026-05-11 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBZWB:2026:3464 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 30-04-2026 / BRE 25/3751 8:55 Verzet ongegrond. De rechtbank stelt vast dat in de brief van 3 oktober 2025 wordt vermeld (i) welk verzuim moet worden hersteld, (ii) binnen welke termijn en (iii) dat het beroep niet-ontvankelijk kan worden verklaard als niet aan het verzoek wordt voldaan. Naar het oordeel van de rechtbank is met deze brief op correcte wijze een herstelmogelijkheid geboden. De rechtbank ziet geen reden om te betwijfelen of deze brief ook is ontvangen. Vast staat dat de rechtbank binnen de gestelde termijn geen uittreksel uit het handelsregister van belanghebbende heeft ontvangen. De rechtbank heeft dan ook terecht geoordeeld dat niet kan worden beoordeeld of de machtiging is afgegeven door de (uiteindelijk) bevoegd bestuurder/persoon. Gesteld gemachtigde heeft in de gehele procedure tot en met de behandeling van het verzet voldoende de gelegenheid gehad om te reageren op de uitspraak van 6 februari 2026 en de daarin aangehaalde brieven en stukken. Het beginsel van hoor en wederhoor is niet geschonden. RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Zittingsplaats Breda Belastingrecht zaaknummer: BRE 25/3751 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 april 2026 op het verzet van [belanghebbende] B.V., uit [plaats] , belanghebbende (gesteld gemachtigde: mr. D.A.N. Bartels), tegen de uitspraak van de rechtbank van 6 februari 2026 in het geding tussen belanghebbende en de heffingsambtenaar van de Samenwerking Belastingen Walcheren en Schouwen-Duiveland , de heffingsambtenaar. Inleiding 1. Deze uitspraak op het verzet van belanghebbende gaat over de uitspraak van de rechtbank van 6 februari 2026 waarin de rechtbank het beroep van belanghebbende niet-ontvankelijk heeft verklaard. Het beroep ziet op de WOZ-beschikking met aanslagnummer [nummer] voor object [adres 1] . 1.1. De rechtbank heeft het verzet op 16 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gesteld gemachtigde van belanghebbende deelgenomen. Beoordeling door de rechtbank 2. De rechtbank beoordeelt in deze uitspraak uitsluitend of in de uitspraak van 6 februari 2026 terecht is geoordeeld dat buiten redelijke twijfel is dat het beroep niet-ontvankelijk is, omdat geen uittreksel uit het handelsregister van belanghebbende is overgelegd. Zij doet dit aan de hand van de gronden van het verzet. 2.1. Gesteld gemachtigde voert in verzet het volgende aan: - Bij brief van 5 september 2025 is reeds een machtiging en uittreksels ingediend. - In de uitspraak wordt niet vermeld dat een herstelbrief is verstuurd met vermelding van een termijn en het rechtsgevolg. De brief van 3 oktober 2025 voldoet niet aan de eisen. - De ontvangst van de brief van 3 oktober 2025 wordt betwist. - De machtiging was materieel toereikend. De rechtbank had bij twijfel over de bevoegdheid gericht en concreet moeten verzoeken om aanvullende documentatie. Ter zitting heeft gesteld gemachtigde verklaard dat [belanghebbende] als rechtspersoon niet bestaat. - In de uitspraak wordt verwezen naar track-and-trace informatie van PostNL. Deze informatie is niet aan de belanghebbende voorgelegd, wat strijdig is met het beginsel van hoor en wederhoor. 2.2. De rechtbank komt tot het oordeel dat het verzet ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Toetsingskader 3. Iemand die namens een ander beroep instelt, moet op verzoek van de rechtbank een machtiging indienen om aan te tonen dat hij namens die ander beroep mag instellen. Dit staat in artikel 8:24, tweede lid van de Awb. Als dat niet gebeurt, kan de rechtbank het beroep op grond van artikel 6:6 van de Awb niet-ontvankelijk verklaren. Als de ander een rechtspersoon is of een natuurlijk persoon die een onderneming drijft, kan de rechtbank ook verlangen dat een recent uittreksel uit het handelsregister wordt overgelegd. Procesverloop 4. De rechtbank constateert dat gesteld gemachtigde in het beroepschrift vermeld dat hij beroep instelt namens belanghebbende, [belanghebbende] B.V. Bij brief van 5 augustus 2025 is verzocht om een machtiging in te dienen en een uittreksel uit het handelsregister (eventueel meerdere uittreksels van bovenliggende rechtspersonen) waaruit blijkt wie als (uiteindelijk) bevoegd bestuurder gerechtigd is beroep in te stellen. 4.1. De rechtbank heeft op 5 september 2025 een machtiging ontvangen, ondertekend door [persoon 1] en [persoon 2] en uittreksels uit het handelsregister van [bedrijf 1] B.V. en [bedrijf 2] B.V. De rechtbank heeft op 3 oktober 2025 nogmaals verzocht om een uittreksel uit het handelsregister van belanghebbende. 4.2. De rechtbank heeft op 29 oktober 2025 wederom een machtiging en uittreksels uit het handelsregister van [bedrijf 3] B.V., [bedrijf 2] B.V. en [bedrijf 1] B.V ontvangen. Herstelmogelijkheid verzuim 5. De rechtbank stelt voorop dat bij de stukken van 5 september 2025 niet de juiste uittreksels waren toegevoegd. De rechtbank heeft daarom bij brief van 3 oktober 2025 gesteld gemachtigde de mogelijkheid geboden het verzuim te herstellen. Deze brief wordt ook genoemd in de uitspraak van 6 februari 2026. 5.1. De rechtbank constateert dat in de brief van 3 oktober 2025 wordt vermeld (i) welk verzuim moet worden hersteld, (ii) binnen welke termijn en (iii) dat het beroep niet-ontvankelijk kan worden verklaard als niet aan het verzoek wordt voldaan. Naar het oordeel van de rechtbank is met deze brief op correcte wijze een herstelmogelijkheid geboden. De door gesteld gemachtigde aangehaalde jurisprudentie heeft geen enkele relevantie met betrekking tot de in verzet aangevoerde gronden. 5.2. Gesteld gemachtigde ontkent (in meerdere procedures) dat hij aangetekende zendingen heeft ontvangen. De rechtbank overweegt dat alle correspondentie aan gesteld gemachtigde wordt verzonden naar het door hem opgegeven postbusadres [postbus] te ( [adres 2] . Deze postbus bevindt zich op een PostNL-punt in een winkel van Primera aan het [adres 3] . Gesteld gemachtigde heeft in 2023 in meerdere verzetzaken met dezelfde argumenten de ontvangst van in die zaken door de rechtbank aangetekend verzonden stukken betwist. Na de zitting in die zaken heeft de heffingsambtenaar in één van die zaken gemeld dat hem bij navraag was gebleken dat de eigenaar en medewerkers van de Primera toegang hebben tot (een afschrift van) het identiteitsbewijs van gesteld gemachtigde en dat de afspraak geldt dat zij namens gesteld gemachtigde voor ontvangst van de aangetekende brieven tekenen. Deze werkwijze zou volgens die melding zijn ontstaan omdat gesteld gemachtigde veel aangetekende post ontvangt en het zowel de eigenaar van de Primera als gesteld gemachtigde het op deze manier veel tijd bespaart. 5.3. De brief van 3 oktober 2025 is aangetekend verzonden en volgens de track-and-trace informatie van PostNL is op 4 oktober 2025 voor ontvangst getekend. De rechtbank ziet geen reden om te betwijfelen of deze ook is ontvangen. Het is immers in de eerste plaats gesteld gemachtigde zelf die voor alle correspondentie een postbusnummer opgeeft. De rechtbank acht het onaannemelijk dat gesteld gemachtigde de brief van 4 oktober 2025 niet heeft ontvangen. De stelling van gesteld gemachtigde dat niet duidelijk is wie de brief heeft afgehaald, is in dit geval een onvoldoende betwisting van de ontvangst. Er zijn verder, behoudens de ontkenning van de gesteld gemachtigde, geen aanwijzingen dat hij de brief niet zou hebben ontvangen. Gesteld gemachtigde heeft bovendien op 29 oktober 2025 nog aanvullende uittreksels uit het handelsregister ingediend. Op grond van het vorenstaande acht de rechtbank voldoende vaststaan dat gesteld gemachtigde de brief heeft ontvangen. 5.4.