Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2026-03-27
ECLI:NL:RBZWB:2026:3441
Civiel recht; Personen- en familierecht
Rekestprocedure
4,041 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBZWB:2026:3441 text/xml public 2026-05-12T10:56:08 2026-04-27 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-03-27 C/02/446319 / JE RK 26-494 Uitspraak Rekestprocedure NL Breda Civiel recht; Personen- en familierecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:3441 text/html public 2026-05-12T10:55:37 2026-05-12 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBZWB:2026:3441 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 27-03-2026 / C/02/446319 / JE RK 26-494 Verlenging machtiging tot uithuisplaatsing. Thuissituatie is geëscaleerd en terugkeer naar een van de ouders is (nog) niet mogelijk. RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Familie- en Jeugdrecht Locatie Breda Zaaknummer: C/02/446319 / JE RK 26-494 Datum uitspraak: 27 maart 2026 Beschikking van de kinderrechter over een verlenging machtiging tot uithuisplaatsing in de zaak van Jeugdbescherming Brabant , hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (de GI), gevestigd te Etten-Leur, over [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum] 2011 in [geboorteplaats] , hierna te noemen: [minderjarige 1] . De kinderrechter merkt als belanghebbende aan: [de moeder] , hierna te noemen: de moeder, wonende in [woonplaats] , advocaat: mr. G.A.P. Avontuur uit Oosterhout, De kinderrechter merkt als informant aan: [de vader] , hierna te noemen: de vader, wonende in [woonplaats] , advocaat: mr. P.F.M. Gulickx uit Breda. 1 Het verloop van de procedure 1.1. De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling: - het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 23 maart 2026. 1.2. De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 27 maart 2026. Daarbij waren aanwezig: - de vader; - de moeder, bijgestaan haar advocaat; - een vertegenwoordiger van de GI. 1.3. De advocaat van de vader is niet verschenen. De kinderrechter stelt vast dat de advocaat van de vader wel juist is opgeroepen en op de hoogte is geweest van het moment van de zitting. De kinderrechter heeft bij aanvang van de zitting nog getracht om de advocaat van de vader te bereiken. Dit is echter niet gelukt. 1.4. De kinderrechter heeft [minderjarige 1] naar haar mening gevraagd. [minderjarige 1] heeft van die gelegenheid geen gebruik gemaakt. 1.5. Gelet op de nauwe samenhang van het onderhavige verzoek van de GI met het door de GI ingediende verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in de zaak met kenmerk C/02/445203 / JE RK 26-286, zijn deze zaken gezamenlijk mondeling behandeld. In voornoemde zaak wordt bij separate beschikking beslist. 2 De feiten 2.1. De moeder is belast met het eenhoofdig ouderlijk gezag over [minderjarige 1] . 2.2. Bij beschikkingen van 3 april 2024 heeft de kinderrechter [minderjarige 1] en [minderjarige 2] (opnieuw) onder toezicht gesteld. Deze maatregel is nadien steeds verlengd, laatstelijk bij beschikking van 15 oktober 2025, met ingang van 24 oktober 2025 en tot 3 april 2026. 2.3. De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 19 februari 2026 een spoedmachtiging verleend om [minderjarige 1] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een accommodatie jeugdhulpaanbieder 24-uurs, dan wel een voorziening voor (netwerk)pleegzorg, tot 5 maart 2026. Deze machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] in een accommodatie jeugdhulpaanbieder 24-uurs is bij beschikking van 27 februari 2026 verlengd, tot 3 april 2026. 2.4. [minderjarige 1] woont middels voormelde machtiging op een groep van Sterk Huis en wordt op de dag van de zitting overgeplaatst naar een gezinshuis in [plaats]. 3 Het verzoek 3.1. De GI verzoekt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] in een gezinsgerichte accommodatie te verlengen voor de duur van negen maanden en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. 4 De standpunten 4.1. De GI handhaaft het verzoek en verwijst voor de onderbouwing daarvan naar het verzoekschrift. [minderjarige 1] heeft (fysiek) grensoverschrijdend gedrag vertoont richting de moeder, waardoor de thuissituatie bij de moeder onhoudbaar is geworden. Na de escalatie bij de moeder is [minderjarige 1] eerst naar de vader gegaan, waarna zij op een crisisgroep van Sterk Huis is geplaatst. [minderjarige 1] zal heden vanuit de groep van Sterk Huis, geplaatst worden bij een gezinshuis in [plaats]. Ondanks de leeftijd en problematiek van [minderjarige 1] , is het gezinshuis bereid om de plaatsing aan te gaan. Er zijn mogelijkheden voor dagbesteding in de buurt van het gezinshuis, er zijn drie scholen benaderd voor [minderjarige 1] om in te kunnen stromen en de behandeling bij de Viersprong kan worden voortgezet. Ook zal worden gekeken naar behandeling binnen de GGZ. Gezien de problematiek van [minderjarige 1] is het belangrijk dat de behandeling zo snel mogelijk wordt hervat. De GI denkt dat de uithuisplaatsing van [minderjarige 1] positief kan zijn voor haar. Dit biedt haar de kans vanuit een neutrale setting de behandeling en begeleiding aan te gaan, hetgeen in de thuissituatie bij de ouders niet is gelukt. 4.2. Door en namens de moeder is ingestemd met het verzoek. Hoewel de uithuisplaatsing van [minderjarige 1] moeilijk is voor de moeder, staat zij hier wel achter. De moeder kan zich vinden in de plaatsing bij het gezinshuis in [plaats]. De gezinshuisouders hebben zich goed verdiept in de persoon van [minderjarige 1] en hebben een goed beeld bij de benodigde dagbesteding, schoolgang en behandeling van [minderjarige 1] . De plaatsing biedt hopelijk de nodige kansen om de problematiek van [minderjarige 1] te doorbreken. De moeder heeft er vertrouwen in dat het goed komt met [minderjarige 1] wanneer zij de juiste hulp krijgt. De moeder heeft geprobeerd om contact te onderhouden met [minderjarige 1] , maar ontvangt enkel haatberichten van haar. 4.3. Ook de vader stemt in met het verzoek. De vader staat achter de voortzetting van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] . Het is een goede keuze geweest om [minderjarige 1] uit huis te plaatsen. De moeder heeft toen duidelijk aangegeven dat zij de zorg voor [minderjarige 1] niet meer aankon. De vader vond het fijn dat [minderjarige 1] naar hem is gekomen en hij haar heeft kunnen opvangen. Ook voor de vader was het zwaar dat [minderjarige 1] naar de crisisgroep moest en vandaag wordt overgeplaatst naar een gezinshuis. De vader had [minderjarige 1] graag zelf naar het gezinshuis in [plaats] gebracht. 5 De beoordeling Wettelijk kader 5.1. Op basis van artikel 1:265b lid 1 BW kan de kinderrechter de GI, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid. 5.2. Op grond van artikel 1:265c lid 2 BW kan de rechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:265b lid 1 BW is voldaan, de duur van de machtiging uithuisplaatsing telkens verlengen met ten hoogste een jaar Inhoudelijke beoordeling 5.3. De kinderrechter is van oordeel dat ook aan de voorwaarden voor een verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] is voldaan. Hiertoe overweegt de kinderrechter als volgt. 5.4. Het is de kinderrechter gebleken dat het verblijf van [minderjarige 1] bij de moeder de afgelopen periode onhoudbaar is geworden vanwege het grensoverschrijdende gedrag van [minderjarige 1] richting moeder. Vanuit haar problematiek lijkt [minderjarige 1] bij de moeder moeite te hebben met grenzen en regels. De moeder is volledig uitgeput door de situatie en haar draagkracht is overschreden. Nadat de thuissituatie bij de moeder is geëscaleerd en [minderjarige 1] daar is weggelopen, heeft de vader [minderjarige 1] voor een korte periode opgevangen, maar de vader kon [minderjarige 1] op het moment evenmin een blijvend opvoedperspectief bieden. De kinderrechter is dan ook van oordeel dat een plaatsing bij één van de ouders op dit moment niet tot de mogelijkheden behoord. Hier zijn alle betrokkenen het over eens.
Volledig
ECLI:NL:RBZWB:2026:3441 text/xml public 2026-05-12T10:56:08 2026-04-27 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-03-27 C/02/446319 / JE RK 26-494 Uitspraak Rekestprocedure NL Breda Civiel recht; Personen- en familierecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:3441 text/html public 2026-05-12T10:55:37 2026-05-12 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBZWB:2026:3441 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 27-03-2026 / C/02/446319 / JE RK 26-494 Verlenging machtiging tot uithuisplaatsing. Thuissituatie is geëscaleerd en terugkeer naar een van de ouders is (nog) niet mogelijk. RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Familie- en Jeugdrecht Locatie Breda Zaaknummer: C/02/446319 / JE RK 26-494 Datum uitspraak: 27 maart 2026 Beschikking van de kinderrechter over een verlenging machtiging tot uithuisplaatsing in de zaak van Jeugdbescherming Brabant , hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (de GI), gevestigd te Etten-Leur, over [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum] 2011 in [geboorteplaats] , hierna te noemen: [minderjarige 1] . De kinderrechter merkt als belanghebbende aan: [de moeder] , hierna te noemen: de moeder, wonende in [woonplaats] , advocaat: mr. G.A.P. Avontuur uit Oosterhout, De kinderrechter merkt als informant aan: [de vader] , hierna te noemen: de vader, wonende in [woonplaats] , advocaat: mr. P.F.M. Gulickx uit Breda. 1 Het verloop van de procedure 1.1. De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling: - het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 23 maart 2026. 1.2. De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 27 maart 2026. Daarbij waren aanwezig: - de vader; - de moeder, bijgestaan haar advocaat; - een vertegenwoordiger van de GI. 1.3. De advocaat van de vader is niet verschenen. De kinderrechter stelt vast dat de advocaat van de vader wel juist is opgeroepen en op de hoogte is geweest van het moment van de zitting. De kinderrechter heeft bij aanvang van de zitting nog getracht om de advocaat van de vader te bereiken. Dit is echter niet gelukt. 1.4. De kinderrechter heeft [minderjarige 1] naar haar mening gevraagd. [minderjarige 1] heeft van die gelegenheid geen gebruik gemaakt. 1.5. Gelet op de nauwe samenhang van het onderhavige verzoek van de GI met het door de GI ingediende verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in de zaak met kenmerk C/02/445203 / JE RK 26-286, zijn deze zaken gezamenlijk mondeling behandeld. In voornoemde zaak wordt bij separate beschikking beslist. 2 De feiten 2.1. De moeder is belast met het eenhoofdig ouderlijk gezag over [minderjarige 1] . 2.2. Bij beschikkingen van 3 april 2024 heeft de kinderrechter [minderjarige 1] en [minderjarige 2] (opnieuw) onder toezicht gesteld. Deze maatregel is nadien steeds verlengd, laatstelijk bij beschikking van 15 oktober 2025, met ingang van 24 oktober 2025 en tot 3 april 2026. 2.3. De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 19 februari 2026 een spoedmachtiging verleend om [minderjarige 1] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een accommodatie jeugdhulpaanbieder 24-uurs, dan wel een voorziening voor (netwerk)pleegzorg, tot 5 maart 2026. Deze machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] in een accommodatie jeugdhulpaanbieder 24-uurs is bij beschikking van 27 februari 2026 verlengd, tot 3 april 2026. 2.4. [minderjarige 1] woont middels voormelde machtiging op een groep van Sterk Huis en wordt op de dag van de zitting overgeplaatst naar een gezinshuis in [plaats]. 3 Het verzoek 3.1. De GI verzoekt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] in een gezinsgerichte accommodatie te verlengen voor de duur van negen maanden en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. 4 De standpunten 4.1. De GI handhaaft het verzoek en verwijst voor de onderbouwing daarvan naar het verzoekschrift. [minderjarige 1] heeft (fysiek) grensoverschrijdend gedrag vertoont richting de moeder, waardoor de thuissituatie bij de moeder onhoudbaar is geworden. Na de escalatie bij de moeder is [minderjarige 1] eerst naar de vader gegaan, waarna zij op een crisisgroep van Sterk Huis is geplaatst. [minderjarige 1] zal heden vanuit de groep van Sterk Huis, geplaatst worden bij een gezinshuis in [plaats]. Ondanks de leeftijd en problematiek van [minderjarige 1] , is het gezinshuis bereid om de plaatsing aan te gaan. Er zijn mogelijkheden voor dagbesteding in de buurt van het gezinshuis, er zijn drie scholen benaderd voor [minderjarige 1] om in te kunnen stromen en de behandeling bij de Viersprong kan worden voortgezet. Ook zal worden gekeken naar behandeling binnen de GGZ. Gezien de problematiek van [minderjarige 1] is het belangrijk dat de behandeling zo snel mogelijk wordt hervat. De GI denkt dat de uithuisplaatsing van [minderjarige 1] positief kan zijn voor haar. Dit biedt haar de kans vanuit een neutrale setting de behandeling en begeleiding aan te gaan, hetgeen in de thuissituatie bij de ouders niet is gelukt. 4.2. Door en namens de moeder is ingestemd met het verzoek. Hoewel de uithuisplaatsing van [minderjarige 1] moeilijk is voor de moeder, staat zij hier wel achter. De moeder kan zich vinden in de plaatsing bij het gezinshuis in [plaats]. De gezinshuisouders hebben zich goed verdiept in de persoon van [minderjarige 1] en hebben een goed beeld bij de benodigde dagbesteding, schoolgang en behandeling van [minderjarige 1] . De plaatsing biedt hopelijk de nodige kansen om de problematiek van [minderjarige 1] te doorbreken. De moeder heeft er vertrouwen in dat het goed komt met [minderjarige 1] wanneer zij de juiste hulp krijgt. De moeder heeft geprobeerd om contact te onderhouden met [minderjarige 1] , maar ontvangt enkel haatberichten van haar. 4.3. Ook de vader stemt in met het verzoek. De vader staat achter de voortzetting van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] . Het is een goede keuze geweest om [minderjarige 1] uit huis te plaatsen. De moeder heeft toen duidelijk aangegeven dat zij de zorg voor [minderjarige 1] niet meer aankon. De vader vond het fijn dat [minderjarige 1] naar hem is gekomen en hij haar heeft kunnen opvangen. Ook voor de vader was het zwaar dat [minderjarige 1] naar de crisisgroep moest en vandaag wordt overgeplaatst naar een gezinshuis. De vader had [minderjarige 1] graag zelf naar het gezinshuis in [plaats] gebracht. 5 De beoordeling Wettelijk kader 5.1. Op basis van artikel 1:265b lid 1 BW kan de kinderrechter de GI, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid. 5.2. Op grond van artikel 1:265c lid 2 BW kan de rechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:265b lid 1 BW is voldaan, de duur van de machtiging uithuisplaatsing telkens verlengen met ten hoogste een jaar Inhoudelijke beoordeling 5.3. De kinderrechter is van oordeel dat ook aan de voorwaarden voor een verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] is voldaan. Hiertoe overweegt de kinderrechter als volgt. 5.4. Het is de kinderrechter gebleken dat het verblijf van [minderjarige 1] bij de moeder de afgelopen periode onhoudbaar is geworden vanwege het grensoverschrijdende gedrag van [minderjarige 1] richting moeder. Vanuit haar problematiek lijkt [minderjarige 1] bij de moeder moeite te hebben met grenzen en regels. De moeder is volledig uitgeput door de situatie en haar draagkracht is overschreden. Nadat de thuissituatie bij de moeder is geëscaleerd en [minderjarige 1] daar is weggelopen, heeft de vader [minderjarige 1] voor een korte periode opgevangen, maar de vader kon [minderjarige 1] op het moment evenmin een blijvend opvoedperspectief bieden. De kinderrechter is dan ook van oordeel dat een plaatsing bij één van de ouders op dit moment niet tot de mogelijkheden behoord. Hier zijn alle betrokkenen het over eens.