Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2026-03-27
ECLI:NL:RBZWB:2026:3423
Civiel recht; Personen- en familierecht
Rekestprocedure
4,091 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBZWB:2026:3423 text/xml public 2026-05-08T15:13:28 2026-04-27 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-03-27 C/02/435637 / FA RK 25-2606 Uitspraak Rekestprocedure NL Middelburg Civiel recht; Personen- en familierecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:3423 text/html public 2026-05-08T15:13:05 2026-05-08 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBZWB:2026:3423 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 27-03-2026 / C/02/435637 / FA RK 25-2606 Familiezaak. Overeenstemming. RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Team Familie- en Jeugdrecht Middelburg Zaak-/rekestnummer: C/02/435637 / FA RK 25-2606 beschikking d.d. 27 maart 2026 in de zaak van [de vrouw] , wonende te [plaats 1] , hierna te noemen de vrouw, advocaat mr. M.A. Breewel-Witteveen, kantoorhoudende te Goes, tegen [de man] , wonende te [plaats 2] , hierna te noemen de man, advocaat mr. M.C. Buntsma, kantoorhoudende te Middelburg. Op grond van artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend de Raad voor de Kinderbescherming Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg, hierna: de Raad, om de rechtbank over het verzoek te adviseren. 1 Het procesverloop 1.1. Dit blijkt uit de volgende stukken: - het op 7 mei 2025 ontvangen verzoekschrift, met producties; - het F9-formulier d.d. 26 mei 2025 van mr. Breewel-Witteveen, met productie 3; - het F9-formulier d.d. 12 september 2025 van mr. Breewel-Witteveen - het op 7 januari 2026 ontvangen verweerschrift, met bijlagen; - de brief d.d. 21 januari 2026 van mr. Breweel-Witteveen. 1.2. De op 22 januari 2026 bepaalde zitting heeft op verzoek van partijen - om reden dat zij algehele overeenstemming hebben bereikt - geen doorgang gevonden. 1.3. Nader te noemen minderjarigen zijn gelet op hun leeftijd in staat gesteld hun mening kenbaar te maken tijdens een zogenoemd kindgesprek. Zij hebben hier geen gebruik van gemaakt. 2 De feiten 2.1. Partijen zijn gehuwd geweest. Bij beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg, van 8 november 2022 is in het huwelijk van partijen de echtscheiding uitgesproken, welke beschikking op 26 januari 2023 is ingeschreven in de daartoe bestemde registers van de burgerlijke stand. 2.2. Uit het huwelijk van partijen zijn de navolgende, thans nog minderjarige, kinderen geboren: [minderjarige 1] , geboren op [geboortedag 1] 2009 te [geboorteplaats] ; [minderjarige 2] , geboren op [geboortedag 2] 2011 te [geboorteplaats] ; [minderjarige 3] , geboren op [geboortedag 3] 2014 te [geboorteplaats] . 2.3. Partijen zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over de minderjarigen. 2.4. De minderjarigen hebben hun hoofdverblijf bij de vrouw. 2.5. Ingevolge voormelde beschikking van 8 november 2022 is bepaald dat de man aan de vrouw een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen verschuldigd is van € 200,- per kind per maand, bij vooruitbetaling te voldoen, overeenkomstig artikel 7 van het tussen partijen tot stand gekomen ouderschapsplan, en als aangehecht aan de beschikking. 2.6. In voormeld ouderschapsplan is de man in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken gerechtigd tot het hebben van contact met de minderjarigen één weekend per twee weken van vrijdag 16:00 uur tot zondag 19:30 uur, alsmede gedurende de vakanties en feestdagen, in onderling overleg te bepalen. 3 Het geschil 3.1. De vrouw heeft de rechtbank verzocht bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad: I. te beëindigen het gezamenlijk gezag van [de vrouw] en [de man] over: - [minderjarige 1] , geboren op [geboortedag 1] 2009 in de gemeente [geboorteplaats] ; - [minderjarige 2] , geboren op [geboortedag 2] 2011 in de gemeente [geboorteplaats] ; - [minderjarige 3] , geboren op [geboortedag 3] 2014 in de gemeente [geboorteplaats] , en te bepalen te bepalen dat aan [de vrouw] , vanaf de dag van de ten deze te wijzen beschikking, althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen datum alleen het gezag over voornoemde minderjarige kinderen toekomt; II. te wijzigen het ouderschapsplan tussen partijen tot stand gekomen in augustus 2022 en als aangehecht aan de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant met nummer C/02/398000 / FA RK 22-2347, en daarmede tevens te wijzigen de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant met nummer C/02/398000 / FA RK 22-2347 voor zover daarin is bepaald dat de man aan de vrouw een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige kinderen dient te betalen van € 200,00 per kind per maand, en te bepalen dat de man vanaf 1 januari 2025, althans de dag van indiening van het onderhavige verzoekschrift, althans de dag van de ten deze te wijzen beschikking, althans vanaf de dag die de rechtbank juist acht aan de vrouw, bij vooruitbetaling, een bijdrage in de kosten van verzorging en levensonderhoud van voornoemde kinderen voldoet ten bedrage van € 390,62 per kind per maand, althans € 312,00 per kind per maand, althans een bedrag dat de rechtbank in goede justitie vermeent te behoren; kosten rechtens. 3.2. De man heeft de rechtbank verzocht om bij beschikking, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, het verzoek tot beëindiging gezamenlijk gezag toe te wijzen. Voor wat het betreft het verzoek tot wijziging van de kinderalimentatie: Primair : af te wijzen; Subsidiair : een bijdrage te bepalen zoals de man reeds gedurende het jaar 2025 voldeed en dit resulteert in een bijdrage vanaf 1 januari 2026 ad € 254,18 per kind per maand. 3.3. Op de standpunten van partijen wordt, voor zover voor de beoordeling van de verzoeken van belang, hierna ingegaan. 4 De beoordeling Beëindiging gezamenlijk gezag 4.1. De vrouw legt aan haar verzoek ten grondslag het voor haar niet (meer) mogelijk is om met de man tot overleg te komen betreffende de minderjarigen en beslissingen te nemen aangaande de minderjarigen. De vrouw wordt daarmee in ernstige mate belemmerd in de uitoefening van haar gezag over de minderjarigen. De man heeft al enige tijd geen contact meer met de minderjarigen gehad en heeft daarom geen zicht meer op hun ontwikkelingen. Ook heeft de man zelf geen behoefte aan enige informatie over de minderjarigen, bijvoorbeeld vanuit school. Daarnaast reageert de man niet, dan wel met enige traagheid op de verzoeken en berichten van de vrouw. Alle minderjarigen zijn in enige vorm medisch belast en vragen extra zorg. Zo is [minderjarige 3] het afgelopen jaar tweemaal in het ziekenhuis opgenomen geweest. Bij de eerste opname reageerde man pas een dag later, bij de tweede opname heeft de reactie van de man 72 uur op zich laten wachten. Formulieren voor de toestemming van de vakantie naar het buitenland en de formulieren voor het aanvragen van een paspoort dan wel identiteitsbewijs zijn via de gecertificeerde instelling (hierna: GI) onder de aandacht van de man gebracht. Nu de GI niet langer betrokken is, verwacht de vrouw dat de formulieren niet meer getekend zullen worden door de man. De huidige onzekerheid betreffende de aanwezigheid en betrokkenheid van de man bij de kinderen, welke al enige jaren feitelijk afwezig is, leidt daarnaast tot spanningen die een forse weerslag hebben op de kinderen. 4.2. De man kan instemmen met het verzoek van de vrouw omwille van de voor hem noodzakelijke rust. Wellicht kan rust voor zowel de minderjarigen als hem ontstaan als ouders niet meer samen met elkaar moeten overleggen. 4.3. Ingevolge artikel 1:253n van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) kan de rechter op verzoek van de niet met elkaar gehuwde ouders of een van hen het gezamenlijk gezag beëindigen, indien nadien de omstandigheden zijn gewijzigd. Alsdan bepaalt de rechtbank aan wie van de ouders voortaan het gezag over ieder der minderjarige kinderen toekomt. 4.4. De rechtbank stelt vast dat sprake is van gewijzigde omstandigheden, nu is gebleken dat partijen niet met elkaar communiceren en de man al geruime tijd geen tot weinig contact meer heeft gehad met de minderjarigen. Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat is voldaan aan het vereiste van artikel 1:253n lid 1 BW en kan derhalve de vrouw worden ontvangen in haar verzoek. 4.5.
Volledig
ECLI:NL:RBZWB:2026:3423 text/xml public 2026-05-08T15:13:28 2026-04-27 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-03-27 C/02/435637 / FA RK 25-2606 Uitspraak Rekestprocedure NL Middelburg Civiel recht; Personen- en familierecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:3423 text/html public 2026-05-08T15:13:05 2026-05-08 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBZWB:2026:3423 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 27-03-2026 / C/02/435637 / FA RK 25-2606 Familiezaak. Overeenstemming. RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Team Familie- en Jeugdrecht Middelburg Zaak-/rekestnummer: C/02/435637 / FA RK 25-2606 beschikking d.d. 27 maart 2026 in de zaak van [de vrouw] , wonende te [plaats 1] , hierna te noemen de vrouw, advocaat mr. M.A. Breewel-Witteveen, kantoorhoudende te Goes, tegen [de man] , wonende te [plaats 2] , hierna te noemen de man, advocaat mr. M.C. Buntsma, kantoorhoudende te Middelburg. Op grond van artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend de Raad voor de Kinderbescherming Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg, hierna: de Raad, om de rechtbank over het verzoek te adviseren. 1 Het procesverloop 1.1. Dit blijkt uit de volgende stukken: - het op 7 mei 2025 ontvangen verzoekschrift, met producties; - het F9-formulier d.d. 26 mei 2025 van mr. Breewel-Witteveen, met productie 3; - het F9-formulier d.d. 12 september 2025 van mr. Breewel-Witteveen - het op 7 januari 2026 ontvangen verweerschrift, met bijlagen; - de brief d.d. 21 januari 2026 van mr. Breweel-Witteveen. 1.2. De op 22 januari 2026 bepaalde zitting heeft op verzoek van partijen - om reden dat zij algehele overeenstemming hebben bereikt - geen doorgang gevonden. 1.3. Nader te noemen minderjarigen zijn gelet op hun leeftijd in staat gesteld hun mening kenbaar te maken tijdens een zogenoemd kindgesprek. Zij hebben hier geen gebruik van gemaakt. 2 De feiten 2.1. Partijen zijn gehuwd geweest. Bij beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg, van 8 november 2022 is in het huwelijk van partijen de echtscheiding uitgesproken, welke beschikking op 26 januari 2023 is ingeschreven in de daartoe bestemde registers van de burgerlijke stand. 2.2. Uit het huwelijk van partijen zijn de navolgende, thans nog minderjarige, kinderen geboren: [minderjarige 1] , geboren op [geboortedag 1] 2009 te [geboorteplaats] ; [minderjarige 2] , geboren op [geboortedag 2] 2011 te [geboorteplaats] ; [minderjarige 3] , geboren op [geboortedag 3] 2014 te [geboorteplaats] . 2.3. Partijen zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over de minderjarigen. 2.4. De minderjarigen hebben hun hoofdverblijf bij de vrouw. 2.5. Ingevolge voormelde beschikking van 8 november 2022 is bepaald dat de man aan de vrouw een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen verschuldigd is van € 200,- per kind per maand, bij vooruitbetaling te voldoen, overeenkomstig artikel 7 van het tussen partijen tot stand gekomen ouderschapsplan, en als aangehecht aan de beschikking. 2.6. In voormeld ouderschapsplan is de man in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken gerechtigd tot het hebben van contact met de minderjarigen één weekend per twee weken van vrijdag 16:00 uur tot zondag 19:30 uur, alsmede gedurende de vakanties en feestdagen, in onderling overleg te bepalen. 3 Het geschil 3.1. De vrouw heeft de rechtbank verzocht bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad: I. te beëindigen het gezamenlijk gezag van [de vrouw] en [de man] over: - [minderjarige 1] , geboren op [geboortedag 1] 2009 in de gemeente [geboorteplaats] ; - [minderjarige 2] , geboren op [geboortedag 2] 2011 in de gemeente [geboorteplaats] ; - [minderjarige 3] , geboren op [geboortedag 3] 2014 in de gemeente [geboorteplaats] , en te bepalen te bepalen dat aan [de vrouw] , vanaf de dag van de ten deze te wijzen beschikking, althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen datum alleen het gezag over voornoemde minderjarige kinderen toekomt; II. te wijzigen het ouderschapsplan tussen partijen tot stand gekomen in augustus 2022 en als aangehecht aan de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant met nummer C/02/398000 / FA RK 22-2347, en daarmede tevens te wijzigen de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant met nummer C/02/398000 / FA RK 22-2347 voor zover daarin is bepaald dat de man aan de vrouw een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige kinderen dient te betalen van € 200,00 per kind per maand, en te bepalen dat de man vanaf 1 januari 2025, althans de dag van indiening van het onderhavige verzoekschrift, althans de dag van de ten deze te wijzen beschikking, althans vanaf de dag die de rechtbank juist acht aan de vrouw, bij vooruitbetaling, een bijdrage in de kosten van verzorging en levensonderhoud van voornoemde kinderen voldoet ten bedrage van € 390,62 per kind per maand, althans € 312,00 per kind per maand, althans een bedrag dat de rechtbank in goede justitie vermeent te behoren; kosten rechtens. 3.2. De man heeft de rechtbank verzocht om bij beschikking, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, het verzoek tot beëindiging gezamenlijk gezag toe te wijzen. Voor wat het betreft het verzoek tot wijziging van de kinderalimentatie: Primair : af te wijzen; Subsidiair : een bijdrage te bepalen zoals de man reeds gedurende het jaar 2025 voldeed en dit resulteert in een bijdrage vanaf 1 januari 2026 ad € 254,18 per kind per maand. 3.3. Op de standpunten van partijen wordt, voor zover voor de beoordeling van de verzoeken van belang, hierna ingegaan. 4 De beoordeling Beëindiging gezamenlijk gezag 4.1. De vrouw legt aan haar verzoek ten grondslag het voor haar niet (meer) mogelijk is om met de man tot overleg te komen betreffende de minderjarigen en beslissingen te nemen aangaande de minderjarigen. De vrouw wordt daarmee in ernstige mate belemmerd in de uitoefening van haar gezag over de minderjarigen. De man heeft al enige tijd geen contact meer met de minderjarigen gehad en heeft daarom geen zicht meer op hun ontwikkelingen. Ook heeft de man zelf geen behoefte aan enige informatie over de minderjarigen, bijvoorbeeld vanuit school. Daarnaast reageert de man niet, dan wel met enige traagheid op de verzoeken en berichten van de vrouw. Alle minderjarigen zijn in enige vorm medisch belast en vragen extra zorg. Zo is [minderjarige 3] het afgelopen jaar tweemaal in het ziekenhuis opgenomen geweest. Bij de eerste opname reageerde man pas een dag later, bij de tweede opname heeft de reactie van de man 72 uur op zich laten wachten. Formulieren voor de toestemming van de vakantie naar het buitenland en de formulieren voor het aanvragen van een paspoort dan wel identiteitsbewijs zijn via de gecertificeerde instelling (hierna: GI) onder de aandacht van de man gebracht. Nu de GI niet langer betrokken is, verwacht de vrouw dat de formulieren niet meer getekend zullen worden door de man. De huidige onzekerheid betreffende de aanwezigheid en betrokkenheid van de man bij de kinderen, welke al enige jaren feitelijk afwezig is, leidt daarnaast tot spanningen die een forse weerslag hebben op de kinderen. 4.2. De man kan instemmen met het verzoek van de vrouw omwille van de voor hem noodzakelijke rust. Wellicht kan rust voor zowel de minderjarigen als hem ontstaan als ouders niet meer samen met elkaar moeten overleggen. 4.3. Ingevolge artikel 1:253n van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) kan de rechter op verzoek van de niet met elkaar gehuwde ouders of een van hen het gezamenlijk gezag beëindigen, indien nadien de omstandigheden zijn gewijzigd. Alsdan bepaalt de rechtbank aan wie van de ouders voortaan het gezag over ieder der minderjarige kinderen toekomt. 4.4. De rechtbank stelt vast dat sprake is van gewijzigde omstandigheden, nu is gebleken dat partijen niet met elkaar communiceren en de man al geruime tijd geen tot weinig contact meer heeft gehad met de minderjarigen. Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat is voldaan aan het vereiste van artikel 1:253n lid 1 BW en kan derhalve de vrouw worden ontvangen in haar verzoek. 4.5.