Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2026-03-26
ECLI:NL:RBZWB:2026:3390
Civiel recht; Personen- en familierecht
Rekestprocedure
3,477 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBZWB:2026:3390 text/xml public 2026-05-07T16:22:15 2026-04-26 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-03-26 C/02/446315 / FA RK 26-1482 Uitspraak Rekestprocedure NL Breda Civiel recht; Personen- en familierecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:3390 text/html public 2026-05-07T16:21:58 2026-05-07 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBZWB:2026:3390 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 26-03-2026 / C/02/446315 / FA RK 26-1482 Machtiging tot voortzetting inbewaringstelling Wzd RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Familie- en Jeugdrecht Locatie Breda Zaaknummer: C/02/446315 / FA RK 26-1482 Datum uitspraak: 26 maart 2026 Beschikking voortzetting inbewaringstelling op het verzoek van het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) voor [betrokkene] , geboren op [geboortedag] 1987 in [geboorteplaats] , hierna te noemen betrokkene, wonende in [plaats 1] , verblijvende te [plaats 2] , [accommodatie 1] [adres] , advocaat mr. J. Nederlof te Tilburg. 1 Het verloop van de procedure 1.1. De rechtbank neemt de volgende stukken mee in de beoordeling: - het verzoekschrift met bijlagen, binnengekomen bij de rechtbank op 23 maart 2026. 1.2. De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 26 maart 2026. Daarbij zijn gehoord: betrokkene, bijgestaan door haar advocaat; mevrouw [persoon 1] , mentor; de heer [persoon 2] , begeleider; mevrouw [persoon 3] , behandelaar. 2 Wat vaststaat Betrokkene verblijft met een inbewaringstelling in [accommodatie 2] . De burgemeester van Hilvarenbeek heeft de inbewaringstelling op 20 maart 2026 afgegeven. 3 Het verzoek Het CIZ verzoekt de rechtbank een machtiging tot voorzetting van de inbewaringstelling te verlenen voor de duur van zes weken. 4 De standpunten 4.1. Betrokkene merkt op dat zij in de achterliggende periode veel onrust heeft ervaren, deels omdat zij zelf niet lekker in haar vel zat en deels omdat haar woon- en leefomgeving chaotisch en rommelig was. Zij is nu tijdelijk bij [accommodatie 1] ondergebracht, waar zij een rustig ingerichte kamer en goede begeleiding heeft. Sindsdien gaat het veel beter met haar. Dit betekent niet dat zij hier voor langere tijd wil blijven. Zij wil uiteindelijk terugkeren naar haar begeleide woonappartement van [woongroep] . Zij wil daar samen met haar behandelaar aan gaan werken, onder meer door daarover duidelijke afspraken te maken. Daarom is zij bereid om de opname bij [accommodatie 1] voor zo lang als daarvoor nodig is vrijwillig voort te zetten. 4.2. De behandelaar licht toe dat, ondanks dat bij betrokkene aanvankelijk een aanmerkelijke groei werd gezien, het zelfstandig begeleid wonen voor haar uiteindelijk een te grote stap is gebleken. Zij ziet dat er om betrokkene te kunnen laten terugkeren naar haar appartement van [woongroep] eerst duidelijkere lijnen moeten worden uitgezet. Ook moeten er daarvoor extra onrust en overprikkeling beperkende maatregelen worden getroffen. Daartoe is in overleg met betrokkene een zogeheten ‘to do-plan’ opgesteld. Betrokkene zal tevens nog voor een andere woonvoorziening met 24-uurs zorg worden aangemeld. Als haar behandelaar heeft zij er voldoende vertrouwen in dat betrokkene, gelet op het haar geboden perspectief, aan het huidige behandel- en opnametraject ook in een vrijwillig kader consequent zal blijven meewerken. Een voortzetting van de inbewaringstelling acht zij om die reden niet noodzakelijk. 4.3. De mentor en de begeleider van betrokkene sluiten zich aan bij dat wat door de behandelaar naar voren is gebracht. De begeleider voegt daaraan toe dat betrokkene niet altijd uiting geeft aan wat er zich in haar hoofd afspeelt. Wel ziet hij dat zij gemakkelijk meebeweegt met de binnen [accommodatie 1] geboden structuur en dat zij positieve contacten onderhoudt met medebewoners. 4.4. De advocaat van betrokkene voert aan dat hem uit het verhandelde ter zitting is gebleken dat zijn cliënt bereid is de huidige opname vrijwillig voort te zetten voor zo lang als haar behandelaar dit nodig acht. Nu gelet daarop zich de situatie voor doet dat sprake is van een minder bezwarend alternatief, waarmee het onmiddellijk dreigend ernstig nadeel kan worden voorkomen of afgewend stelt hij zich namens zijn cliënt op het standpunt dat het verzoek dient te worden afgewezen. 5 De beoordeling 5.1. Uit de overgelegde stukken en de zitting blijkt naar het oordeel van de rechtbank dat er ten aanzien van betrokkene sprake is van onmiddellijk dreigend ernstig nadeel, gelegen in het bestaan van of het aanzienlijk risico op: - ernstig lichamelijk letsel; - ernstige materiële schade; - het oproepen van agressie van een ander door het vertonen van hinderlijk gedrag; - gevaar voor de algemene veiligheid van personen en goederen. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat sprake is van een zorgopname en -behandeling van betrokkene bij [accommodatie 1] in het kader van een inbewaringstelling, nadat zij in haar vorige begeleide woonsituatie met meer zelfstandigheid een terugval kende, waarbij er sprake was van onrust/chaos, overprikkeling en ontregeling, waaronder in de vorm van suïcidale uitingen, zichzelf pijn doen en beschadigen en het vertonen van agressie naar spullen en personen. 5.2. Vermoed wordt dat het ernstig nadeel wordt of althans is veroorzaakt door gedrag dat voortvloeit uit een verstandelijke handicap met een psychische stoornis, te weten een verstandelijke beperking en overige DSM-5 stoornissen. 5.3. Aan het vorenstaande doet niet af dat uit de mondelinge behandeling naar het oordeel van de rechtbank in overtuigende mate blijkt dat betrokkene inziet dat een voortzetting van de huidige opname en -behandeling nodig is om voldoende te stabiliseren en er aan te kunnen gaan werken dat zij naar het appartement van haar vorige woonvoor-ziening [woongroep] kan terugkeren om zich vervolgens op haar verdere toekomst te kunnen richten. Betrokkene heeft zich in dat verband mondeling uitdrukkelijk bereid verklaard om vrijwillig mee te (blijven) werken aan de zorgopname en -behandeling, terwijl haar behandelaar heeft aangegeven daar vertrouwen in te hebben en daarom geen noodzaak meer te zien voor een voortzetting van de inbewaringstelling. 5.2. De rechtbank concludeert op grond van het voorgaande dat de situatie zich voordoet dat er een minder bezwarend alternatief is ter afwending van het onmiddellijk dreigend ernstig nadeel, in die zin, dat de daarvoor noodzakelijk geachte zorg en behandeling in een vrijwillig kader kan worden geboden. Dit betekent dat aan de wettelijke vereisten voor een voortzetting van de inbewaringstelling niet wordt voldaan en het verzoek daarom zal worden afgewezen. 6 De beslissing De rechtbank: wijst het verzoek af. Deze beschikking is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 26 maart 2026 door mr. Van Dun, rechter, in aanwezigheid van Baremans, griffier en op schrift gesteld op 2 april 2026. Tegen deze beschikking staat het rechtsmiddel van cassatie open.
Volledig
ECLI:NL:RBZWB:2026:3390 text/xml public 2026-05-07T16:22:15 2026-04-26 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-03-26 C/02/446315 / FA RK 26-1482 Uitspraak Rekestprocedure NL Breda Civiel recht; Personen- en familierecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:3390 text/html public 2026-05-07T16:21:58 2026-05-07 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBZWB:2026:3390 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 26-03-2026 / C/02/446315 / FA RK 26-1482 Machtiging tot voortzetting inbewaringstelling Wzd RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Familie- en Jeugdrecht Locatie Breda Zaaknummer: C/02/446315 / FA RK 26-1482 Datum uitspraak: 26 maart 2026 Beschikking voortzetting inbewaringstelling op het verzoek van het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) voor [betrokkene] , geboren op [geboortedag] 1987 in [geboorteplaats] , hierna te noemen betrokkene, wonende in [plaats 1] , verblijvende te [plaats 2] , [accommodatie 1] [adres] , advocaat mr. J. Nederlof te Tilburg. 1 Het verloop van de procedure 1.1. De rechtbank neemt de volgende stukken mee in de beoordeling: - het verzoekschrift met bijlagen, binnengekomen bij de rechtbank op 23 maart 2026. 1.2. De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 26 maart 2026. Daarbij zijn gehoord: betrokkene, bijgestaan door haar advocaat; mevrouw [persoon 1] , mentor; de heer [persoon 2] , begeleider; mevrouw [persoon 3] , behandelaar. 2 Wat vaststaat Betrokkene verblijft met een inbewaringstelling in [accommodatie 2] . De burgemeester van Hilvarenbeek heeft de inbewaringstelling op 20 maart 2026 afgegeven. 3 Het verzoek Het CIZ verzoekt de rechtbank een machtiging tot voorzetting van de inbewaringstelling te verlenen voor de duur van zes weken. 4 De standpunten 4.1. Betrokkene merkt op dat zij in de achterliggende periode veel onrust heeft ervaren, deels omdat zij zelf niet lekker in haar vel zat en deels omdat haar woon- en leefomgeving chaotisch en rommelig was. Zij is nu tijdelijk bij [accommodatie 1] ondergebracht, waar zij een rustig ingerichte kamer en goede begeleiding heeft. Sindsdien gaat het veel beter met haar. Dit betekent niet dat zij hier voor langere tijd wil blijven. Zij wil uiteindelijk terugkeren naar haar begeleide woonappartement van [woongroep] . Zij wil daar samen met haar behandelaar aan gaan werken, onder meer door daarover duidelijke afspraken te maken. Daarom is zij bereid om de opname bij [accommodatie 1] voor zo lang als daarvoor nodig is vrijwillig voort te zetten. 4.2. De behandelaar licht toe dat, ondanks dat bij betrokkene aanvankelijk een aanmerkelijke groei werd gezien, het zelfstandig begeleid wonen voor haar uiteindelijk een te grote stap is gebleken. Zij ziet dat er om betrokkene te kunnen laten terugkeren naar haar appartement van [woongroep] eerst duidelijkere lijnen moeten worden uitgezet. Ook moeten er daarvoor extra onrust en overprikkeling beperkende maatregelen worden getroffen. Daartoe is in overleg met betrokkene een zogeheten ‘to do-plan’ opgesteld. Betrokkene zal tevens nog voor een andere woonvoorziening met 24-uurs zorg worden aangemeld. Als haar behandelaar heeft zij er voldoende vertrouwen in dat betrokkene, gelet op het haar geboden perspectief, aan het huidige behandel- en opnametraject ook in een vrijwillig kader consequent zal blijven meewerken. Een voortzetting van de inbewaringstelling acht zij om die reden niet noodzakelijk. 4.3. De mentor en de begeleider van betrokkene sluiten zich aan bij dat wat door de behandelaar naar voren is gebracht. De begeleider voegt daaraan toe dat betrokkene niet altijd uiting geeft aan wat er zich in haar hoofd afspeelt. Wel ziet hij dat zij gemakkelijk meebeweegt met de binnen [accommodatie 1] geboden structuur en dat zij positieve contacten onderhoudt met medebewoners. 4.4. De advocaat van betrokkene voert aan dat hem uit het verhandelde ter zitting is gebleken dat zijn cliënt bereid is de huidige opname vrijwillig voort te zetten voor zo lang als haar behandelaar dit nodig acht. Nu gelet daarop zich de situatie voor doet dat sprake is van een minder bezwarend alternatief, waarmee het onmiddellijk dreigend ernstig nadeel kan worden voorkomen of afgewend stelt hij zich namens zijn cliënt op het standpunt dat het verzoek dient te worden afgewezen. 5 De beoordeling 5.1. Uit de overgelegde stukken en de zitting blijkt naar het oordeel van de rechtbank dat er ten aanzien van betrokkene sprake is van onmiddellijk dreigend ernstig nadeel, gelegen in het bestaan van of het aanzienlijk risico op: - ernstig lichamelijk letsel; - ernstige materiële schade; - het oproepen van agressie van een ander door het vertonen van hinderlijk gedrag; - gevaar voor de algemene veiligheid van personen en goederen. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat sprake is van een zorgopname en -behandeling van betrokkene bij [accommodatie 1] in het kader van een inbewaringstelling, nadat zij in haar vorige begeleide woonsituatie met meer zelfstandigheid een terugval kende, waarbij er sprake was van onrust/chaos, overprikkeling en ontregeling, waaronder in de vorm van suïcidale uitingen, zichzelf pijn doen en beschadigen en het vertonen van agressie naar spullen en personen. 5.2. Vermoed wordt dat het ernstig nadeel wordt of althans is veroorzaakt door gedrag dat voortvloeit uit een verstandelijke handicap met een psychische stoornis, te weten een verstandelijke beperking en overige DSM-5 stoornissen. 5.3. Aan het vorenstaande doet niet af dat uit de mondelinge behandeling naar het oordeel van de rechtbank in overtuigende mate blijkt dat betrokkene inziet dat een voortzetting van de huidige opname en -behandeling nodig is om voldoende te stabiliseren en er aan te kunnen gaan werken dat zij naar het appartement van haar vorige woonvoor-ziening [woongroep] kan terugkeren om zich vervolgens op haar verdere toekomst te kunnen richten. Betrokkene heeft zich in dat verband mondeling uitdrukkelijk bereid verklaard om vrijwillig mee te (blijven) werken aan de zorgopname en -behandeling, terwijl haar behandelaar heeft aangegeven daar vertrouwen in te hebben en daarom geen noodzaak meer te zien voor een voortzetting van de inbewaringstelling. 5.2. De rechtbank concludeert op grond van het voorgaande dat de situatie zich voordoet dat er een minder bezwarend alternatief is ter afwending van het onmiddellijk dreigend ernstig nadeel, in die zin, dat de daarvoor noodzakelijk geachte zorg en behandeling in een vrijwillig kader kan worden geboden. Dit betekent dat aan de wettelijke vereisten voor een voortzetting van de inbewaringstelling niet wordt voldaan en het verzoek daarom zal worden afgewezen. 6 De beslissing De rechtbank: wijst het verzoek af. Deze beschikking is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 26 maart 2026 door mr. Van Dun, rechter, in aanwezigheid van Baremans, griffier en op schrift gesteld op 2 april 2026. Tegen deze beschikking staat het rechtsmiddel van cassatie open.