Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2026-03-25
ECLI:NL:RBZWB:2026:3386
Civiel recht; Personen- en familierecht
Rekestprocedure
4,038 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBZWB:2026:3386 text/xml public 2026-05-07T16:05:45 2026-04-25 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-03-25 C/02/445158 / JE RK 26-274 Uitspraak Rekestprocedure NL Middelburg Civiel recht; Personen- en familierecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:3386 text/html public 2026-05-07T09:17:27 2026-05-07 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBZWB:2026:3386 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 25-03-2026 / C/02/445158 / JE RK 26-274 Verlenging ondertoezichtstelling RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Familie- en Jeugdrecht Locatie Middelburg Zaaknummer: C/02/445158 / JE RK 26-274 Datum uitspraak: 25 maart 2026 Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling in de zaak van WILLIAM SCHRIKKER STICHTING JEUGDBESCHERMING & JEUGDRECLASSERING , hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (de GI), gevestigd te Amsterdam, over [minderjarige 1] , geboren op [geboortedag 1] 2018 te [geboorteplaats] , hierna te noemen: [minderjarige 1] , [minderjarige 2] , geboren op [geboortedag 2] 2022 te [geboorteplaats] , hierna te noemen: [minderjarige 2] . De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan: [de moeder] , hierna te noemen: de moeder, wonende te [woonplaats 1] , [de vader] , hierna te noemen: de vader, wonende te [woonplaats 2] . Advocaat: mr. N. Wouters uit Middelburg. 1 Het verloop van de procedure 1.1. De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling: - het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 18 februari 2026. 1.2. De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 25 maart 2026. Daarbij waren aanwezig: - de vader, bijgestaan door zijn advocaat; de moeder; twee vertegenwoordigsters van de GI. 2 De feiten 2.1. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn erkend door de vader. 2.2. De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . 2.3. [minderjarige 1] woont bij zijn vader en [minderjarige 2] woont bij zijn moeder. 2.4. Bij beschikking van 27 maart 2025 zijn [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 27 maart 2025 en tot 27 maart 2026. 3 Het verzoek 3.1. De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te verlengen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. 4 De standpunten 4.1. De GI handhaaft het verzoek. Hoewel duidelijk is dat de ouders erg hun best doen en veel liefde hebben voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , wordt ook gezien dat de minderjarigen soms veel vragen van de ouders. Het is daardoor soms lastig voor de ouders om het belang van de minderjarigen voorop te stellen. Daarnaast verloopt de samenwerking en communicatie tussen de ouders soms erg goed, maar zijn er ook nog momenten waarop dit minder goed verloopt. Dit maakt dat de GI en verlenging van de ondertoezichtstelling nodig acht. In de komende periode wil de GI samen met de ouders en de omgangsbegeleiding onderzoeken hoe de zorgregeling het beste kan worden vormgegeven. Ook wil de GI werken aan het versterken van het vertrouwen van de vader in de [jeugdzorginstelling] en in gesprek gaan met de vader over weekendopvang voor [minderjarige 1] en over de inzet van [hulpverlening] . Tot slot wil de GI opnieuw met de ouders bespreken of de inzet van ouderschapsbemiddeling passend is. 4.2. De moeder is het eens met het verzoek. De verzochte verlenging van de ondertoezichtstelling is nodig omdat de communicatie en samenwerking tussen de ouders nog niet altijd goed verloopt. Verder geeft de moeder aan dat zij het lastig vindt dat de vader 5 uur omgang heeft met [minderjarige 2] op woensdag, terwijl haar contact met [minderjarige 1] op donderdag soms wordt ingekort omdat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] het niet zo lang met elkaar kunnen volhouden. Hierdoor kan de moeder geen goede band opbouwen met [minderjarige 1] . 4.3. De vader stemt in met de verzochte verlenging van de ondertoezichtstelling. Hij vindt het belangrijk dat de ouders beter gaan samenwerken in het belang van de minderjarigen. De vader staat op dit moment niet achter de door de GI gewenste inzet van [hulpverlening] voor [minderjarige 1] . Door de behandeling bij de [jeugdzorginstelling] en de start bij de [zorgverlening] is namelijk sprake van een stijgende lijn in de ontwikkeling van [minderjarige 1] en daarnaast wordt binnenkort gestart met medicatie. De vader vindt het belangrijk dat eerst wordt bezien wat het effect hiervan is, voordat [hulpverlening] wordt ingezet. 5 De beoordeling Het wettelijk kader 5.1. Ingevolge het bepaalde in artikel 1:255 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en: a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en; b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW, in staat zijn te dragen. 5.2. Op grond van artikel 1:260 BW kan de kinderrechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:255 lid 1 BW is voldaan, de duur van de ondertoezichtstelling telkens verlengen met ten hoogste een jaar. De inhoudelijke beoordeling 5.3. De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan. De kinderrechter legt hieronder uit waarom. 5.4. De kinderrechter ziet dat beide ouders veel van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] houden en erg hun best doen om de opvoedsituatie van de minderjarigen te verbeteren. Tegelijkertijd constateert de kinderrechter dat de zorgen over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] nog niet zijn weggenomen. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben in de thuissituatie namelijk veel meegemaakt toen de ouders nog samen waren en gebleken is dat er nog steeds zorgen zijn over de communicatie en samenwerking tussen de ouders. Er zijn namelijk nog steeds momenten waarop [minderjarige 1] en [minderjarige 2] geconfronteerd worden met spanningen tussen de ouders. Ook komt het voor dat de ouders negatief praten over de andere ouder tegen de minderjarigen. Daarnaast zijn er zorgen over de leerbaarheid en de verhouding tussen de draagkracht en draaglast van beide ouders, vooral omdat de minderjarigen - met name [minderjarige 1] - veel van de ouders kunnen vragen. Dit wordt ook gezien tijdens het contact tussen de moeder en [minderjarige 1] , dat met enige regelmaat niet onbelast verloopt en negatief eindigt. Bovendien is gebleken dat de contacten tussen [minderjarige 1] en de moeder en tussen de vader en [minderjarige 2] moeizaam kunnen verlopen omdat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] het moeilijk vinden om langere tijd samen te zijn. Daarnaast volgt uit de overgelegde stukken dat er bij de vader zorgen zijn over zijn emotieregulatie en middelenproblematiek, terwijl er ten aanzien van de moeder wordt gezien dat zij tips en adviezen onvoldoende oppakt. 5.5. Dit maakt dat de kinderrechter van oordeel is dat de zorgen over de ontwikkeling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] nog niet zijn weggenomen. Daar komt bij dat de kinderrechter van oordeel is dat de ouders onvoldoende in staat zijn om de ontwikkelingsbedreiging van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder eigen verantwoordelijkheid weg te nemen en hulpverlening te accepteren. Zoals hierboven overwogen verloopt de onderlinge communicatie en samenwerking tussen de vader en de moeder soms nog erg moeizaam en zijn zij nog niet altijd in staat om samen afspraken te maken. Er zijn nog steeds vaak spanningen tussen de ouders en het is voor de ouders moeilijk om tot afspraken te komen en zich hieraan te houden.
Volledig
ECLI:NL:RBZWB:2026:3386 text/xml public 2026-05-07T16:05:45 2026-04-25 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-03-25 C/02/445158 / JE RK 26-274 Uitspraak Rekestprocedure NL Middelburg Civiel recht; Personen- en familierecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:3386 text/html public 2026-05-07T09:17:27 2026-05-07 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBZWB:2026:3386 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 25-03-2026 / C/02/445158 / JE RK 26-274 Verlenging ondertoezichtstelling RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Familie- en Jeugdrecht Locatie Middelburg Zaaknummer: C/02/445158 / JE RK 26-274 Datum uitspraak: 25 maart 2026 Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling in de zaak van WILLIAM SCHRIKKER STICHTING JEUGDBESCHERMING & JEUGDRECLASSERING , hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (de GI), gevestigd te Amsterdam, over [minderjarige 1] , geboren op [geboortedag 1] 2018 te [geboorteplaats] , hierna te noemen: [minderjarige 1] , [minderjarige 2] , geboren op [geboortedag 2] 2022 te [geboorteplaats] , hierna te noemen: [minderjarige 2] . De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan: [de moeder] , hierna te noemen: de moeder, wonende te [woonplaats 1] , [de vader] , hierna te noemen: de vader, wonende te [woonplaats 2] . Advocaat: mr. N. Wouters uit Middelburg. 1 Het verloop van de procedure 1.1. De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling: - het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 18 februari 2026. 1.2. De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 25 maart 2026. Daarbij waren aanwezig: - de vader, bijgestaan door zijn advocaat; de moeder; twee vertegenwoordigsters van de GI. 2 De feiten 2.1. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn erkend door de vader. 2.2. De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . 2.3. [minderjarige 1] woont bij zijn vader en [minderjarige 2] woont bij zijn moeder. 2.4. Bij beschikking van 27 maart 2025 zijn [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 27 maart 2025 en tot 27 maart 2026. 3 Het verzoek 3.1. De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te verlengen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. 4 De standpunten 4.1. De GI handhaaft het verzoek. Hoewel duidelijk is dat de ouders erg hun best doen en veel liefde hebben voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , wordt ook gezien dat de minderjarigen soms veel vragen van de ouders. Het is daardoor soms lastig voor de ouders om het belang van de minderjarigen voorop te stellen. Daarnaast verloopt de samenwerking en communicatie tussen de ouders soms erg goed, maar zijn er ook nog momenten waarop dit minder goed verloopt. Dit maakt dat de GI en verlenging van de ondertoezichtstelling nodig acht. In de komende periode wil de GI samen met de ouders en de omgangsbegeleiding onderzoeken hoe de zorgregeling het beste kan worden vormgegeven. Ook wil de GI werken aan het versterken van het vertrouwen van de vader in de [jeugdzorginstelling] en in gesprek gaan met de vader over weekendopvang voor [minderjarige 1] en over de inzet van [hulpverlening] . Tot slot wil de GI opnieuw met de ouders bespreken of de inzet van ouderschapsbemiddeling passend is. 4.2. De moeder is het eens met het verzoek. De verzochte verlenging van de ondertoezichtstelling is nodig omdat de communicatie en samenwerking tussen de ouders nog niet altijd goed verloopt. Verder geeft de moeder aan dat zij het lastig vindt dat de vader 5 uur omgang heeft met [minderjarige 2] op woensdag, terwijl haar contact met [minderjarige 1] op donderdag soms wordt ingekort omdat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] het niet zo lang met elkaar kunnen volhouden. Hierdoor kan de moeder geen goede band opbouwen met [minderjarige 1] . 4.3. De vader stemt in met de verzochte verlenging van de ondertoezichtstelling. Hij vindt het belangrijk dat de ouders beter gaan samenwerken in het belang van de minderjarigen. De vader staat op dit moment niet achter de door de GI gewenste inzet van [hulpverlening] voor [minderjarige 1] . Door de behandeling bij de [jeugdzorginstelling] en de start bij de [zorgverlening] is namelijk sprake van een stijgende lijn in de ontwikkeling van [minderjarige 1] en daarnaast wordt binnenkort gestart met medicatie. De vader vindt het belangrijk dat eerst wordt bezien wat het effect hiervan is, voordat [hulpverlening] wordt ingezet. 5 De beoordeling Het wettelijk kader 5.1. Ingevolge het bepaalde in artikel 1:255 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en: a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en; b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW, in staat zijn te dragen. 5.2. Op grond van artikel 1:260 BW kan de kinderrechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:255 lid 1 BW is voldaan, de duur van de ondertoezichtstelling telkens verlengen met ten hoogste een jaar. De inhoudelijke beoordeling 5.3. De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan. De kinderrechter legt hieronder uit waarom. 5.4. De kinderrechter ziet dat beide ouders veel van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] houden en erg hun best doen om de opvoedsituatie van de minderjarigen te verbeteren. Tegelijkertijd constateert de kinderrechter dat de zorgen over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] nog niet zijn weggenomen. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben in de thuissituatie namelijk veel meegemaakt toen de ouders nog samen waren en gebleken is dat er nog steeds zorgen zijn over de communicatie en samenwerking tussen de ouders. Er zijn namelijk nog steeds momenten waarop [minderjarige 1] en [minderjarige 2] geconfronteerd worden met spanningen tussen de ouders. Ook komt het voor dat de ouders negatief praten over de andere ouder tegen de minderjarigen. Daarnaast zijn er zorgen over de leerbaarheid en de verhouding tussen de draagkracht en draaglast van beide ouders, vooral omdat de minderjarigen - met name [minderjarige 1] - veel van de ouders kunnen vragen. Dit wordt ook gezien tijdens het contact tussen de moeder en [minderjarige 1] , dat met enige regelmaat niet onbelast verloopt en negatief eindigt. Bovendien is gebleken dat de contacten tussen [minderjarige 1] en de moeder en tussen de vader en [minderjarige 2] moeizaam kunnen verlopen omdat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] het moeilijk vinden om langere tijd samen te zijn. Daarnaast volgt uit de overgelegde stukken dat er bij de vader zorgen zijn over zijn emotieregulatie en middelenproblematiek, terwijl er ten aanzien van de moeder wordt gezien dat zij tips en adviezen onvoldoende oppakt. 5.5. Dit maakt dat de kinderrechter van oordeel is dat de zorgen over de ontwikkeling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] nog niet zijn weggenomen. Daar komt bij dat de kinderrechter van oordeel is dat de ouders onvoldoende in staat zijn om de ontwikkelingsbedreiging van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder eigen verantwoordelijkheid weg te nemen en hulpverlening te accepteren. Zoals hierboven overwogen verloopt de onderlinge communicatie en samenwerking tussen de vader en de moeder soms nog erg moeizaam en zijn zij nog niet altijd in staat om samen afspraken te maken. Er zijn nog steeds vaak spanningen tussen de ouders en het is voor de ouders moeilijk om tot afspraken te komen en zich hieraan te houden.