Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2026-01-23
ECLI:NL:RBZWB:2026:335
Bestuursrecht; Belastingrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,129 tokens
=== VOLLEDIG ===
ECLI:NL:RBZWB:2026:335 text/xml public 2026-01-30T10:00:19 2026-01-23 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-01-23 BRE 24/8126 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Breda Bestuursrecht; Belastingrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:335 text/html public 2026-01-29T11:35:38 2026-01-30 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBZWB:2026:335 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 23-01-2026 / BRE 24/8126 8:54, beroep niet-ontvankelijk wegens het niet overleggen van een juiste machtiging RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Belastingrecht zaaknummer: BRE 24/8126 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 januari 2026 in de zaak tussen [belanghebbende], uit [plaats], belanghebbende (gesteld gemachtigde: mr. R.W.B. van Middelaar), en de heffingsambtenaar van Samenwerking Belastingen Walcheren en Schouwen-Duiveland , de heffingsambtenaar. Inleiding 1. In deze uitspraak beslist de rechtbank over het beroep van belanghebbende tegen de bestreden uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar van 28 oktober 2024. Het beroep ziet op de WOZ-beschikking/aanslag gemeentelijke belastingen voor het object [adres] te [plaats] met [aanslagnummer]. 1.1. Omdat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. Beoordeling door de rechtbank 2. De rechtbank komt tot het oordeel dat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is omdat gesteld gemachtigde een machtiging heeft ingediend met daarop de naam van een ander WOZ-kantoor en dat verzuim niet tijdig heeft hersteld. De rechtbank legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt. Toetsingskader 3. Iemand die namens een ander beroep instelt, moet op verzoek van de rechtbank een machtiging indienen om aan te tonen dat hij namens die ander beroep mag instellen. Als dat niet gebeurt, kan de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk verklaren. Is een machtiging overgelegd? 4. Het beroepschrift is ingediend door gesteld gemachtigde, werkzaam bij Het nieuwe WOZ Bureau B.V. Hij vermeldt daarin dat hij de gemachtigde is van belanghebbende. Hij heeft bij het beroepschrift echter een machtiging bijgevoegd waaruit blijkt dat belanghebbende een machtiging heeft afgegeven aan het WOZ-kantoor Eerlijke WOZ. 5. De rechtbank heeft hem in haar bericht van 18 december 2024 verzocht om binnen zes weken dit verzuim te herstellen. Op 3 februari 2025 is gesteld gemachtigde nogmaals gewezen op het verzuim en in de gelegenheid gesteld om uiterlijk 17 februari 2025 te reageren. Van de plaatsing van dit bericht is op dezelfde datum een notificatie aan de gesteld gemachtigde van belanghebbende verzonden naar het door hem voor dit doel opgegeven e-mailadres. Daarom neemt de rechtbank aan dat gesteld gemachtigde dit bericht op 17 februari 2025 heeft ontvangen. Gesteld gemachtigde heeft binnen die termijn geen machtiging ingediend. Is het niet tijdig indienen van een machtiging verontschuldigbaar? 5. Gesteld gemachtigde heeft geen reden gegeven voor dit verzuim. Er is dus geen verontschuldiging voor dit verzuim gebleken. Uit het beroepschrift blijkt dat gesteld gemachtigde niet de bedoeling heeft voor zichzelf in beroep te komen. Conclusie en gevolgen 6. Het beroep is daarom niet-ontvankelijk. Dat betekent dat de rechtbank het beroep niet inhoudelijk beoordeelt en dat het bestreden besluit in stand blijft. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk. Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. S.J. Willems-Ruesink, rechter, in aanwezigheid van R.P.A.G. Dekkers, griffier, op 23 januari 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. De griffier, De rechter, De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld. Informatie over verzet Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden. Dit staat in artikel 8:24, tweede lid, van de Awb. Dit staat in artikel 6:6 van de Awb. Gelet op artikel 8:36c, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).