Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2026-03-24
ECLI:NL:RBZWB:2026:3335
Civiel recht; Personen- en familierecht
Rekestprocedure
3,283 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBZWB:2026:3335 text/xml public 2026-05-04T11:49:19 2026-04-24 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-03-24 C/02/424583 / FA RK 24-3244 Uitspraak Rekestprocedure NL Breda Civiel recht; Personen- en familierecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:3335 text/html public 2026-05-04T11:48:45 2026-05-04 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBZWB:2026:3335 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 24-03-2026 / C/02/424583 / FA RK 24-3244 Verdeling kosten DNA-onderzoek, met veroordeling man als "in het ongelijk gestelde partij". beschikking RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Team Familie- en Jeugdrecht Zittingsplaats: Breda Zaaknummer: C/02/424583 / FA RK 24-3244 Datum uitspraak: 24 maart 2026 Nadere beschikking over verdeling kosten DNA-onderzoek in de zaak van [de vrouw] , hierna te noemen: de vrouw, wonende in [plaats 1] , advocaat: mr. S. Klootwijk te Breda. De rechtbank merkt als belanghebbende aan: [de man] , hierna te noemen: de man, wonende in [plaats 2] , advocaat: voorheen mr. J. van Appia te Amsterdam (onttrokken per 16 mei 2025), thans zonder advocaat, over de minderjarige: [minderjarige] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2023, hierna te noemen: [minderjarige] . 1 Het verdere procesverloop 1.1. Het procesdossier bevat de volgende stukken: de in deze zaak gegeven nadere beschikking van deze rechtbank van 3 februari 2026 en alle daarin genoemde stukken; het F9-formulier van 2 maart 2026 van mr. Klootwijk. 2 De nadere beoordeling 2.1. De rechtbank verwijst naar de inhoud van voormelde, in deze zaak gegeven nadere beschikking van 3 februari 2026. Bij deze beschikking is, voor zover hier nu van belang, het vaderschap van de man over [minderjarige] gerechtelijk vastgesteld. De beslissing over de vaststelling van de kosten van het DNA-onderzoek dat in deze zaak is verricht en over de verdeling van die kosten tussen partijen is aangehouden vanwege onduidelijkheid hierover. Aan partijen is verzocht om uiterlijk op 3 maart 2026 pro forma de rechtbank hierover (nader) te informeren. Daarnaast is aan partijen verzocht om hun standpunt kenbaar te maken over het door hen gewenste verdere procesverloop met betrekking tot het nog voorliggende verzoek van de vrouw om een regeling vast te stellen over het door de man aan de vrouw periodiek te betalen bedrag aan kinderalimentatie betreffende [minderjarige] . 2.2. In voormeld F9-formulier van 2 maart 2026 heeft mr. Klootwijk, namens de vrouw, onder meer het volgende aangegeven. De vrouw was er niet van op de hoogte dat de kosten van het DNA-onderzoek nog niet in rekening zijn gebracht. De vrouw heeft met betrekking tot het DNA-onderzoek al € 60,= betaald, omdat er een afspraak moest worden uitgesteld. De vrouw stelt daarnaast dat partijen voorafgaand aan het onderzoek hebben afgesproken dat de man de volledige kosten daarvan voor zijn rekening zou nemen. De vrouw heeft tot slot geprobeerd om afspraken te maken met de man over een regeling betreffende kinderalimentatie, maar dit is niet gelukt. De man is namelijk onbereikbaar. Gelet hierop heeft mr. Klootwijk het verzoek van de vrouw betreffende kinderalimentatie ingetrokken. 2.3. De man heeft na het verstrijken van voormelde pro forma datum (en tot op heden) niet gereageerd. 2.4. Naar aanleiding van het voorgaande, overweegt de rechtbank als volgt. Vaststelling en verdeling kosten DNA-onderzoek 2.5. De deskundige heeft de kosten van het DNA-onderzoek reeds definitief begroot op € 755,= (inclusief BTW). De vrouw heeft al € 60,= betaald, maar dit heeft zij gedaan om een afspraak te verplaatsen. Dit betreft dus kennelijk een bedrag dat buiten de begroting om, dus extra, is gedeclareerd aan de vrouw. De vrouw heeft geen verweer gevoerd tegen de hoogte van het door de deskundige definitief begrote bedrag. De rechtbank stelt de kosten van het DNA-onderzoek in deze procedure derhalve definitief vast op € 755,= (inclusief BTW). 2.6. De rechtbank overweegt dat als uitgangspunt in afstammingszaken heeft te gelden dat alle kosten behalve de deskundigenkosten van het DNA-onderzoek tussen partijen worden gecompenseerd. De deskundigenkosten van het DNA-onderzoek worden in beginsel geheel ten laste van de in het ongelijk gestelde partij gebracht. Gelet op de uitkomst van het DNA-onderzoek en de beslissing in deze zaak, namelijk dat de man met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid de verwekker van [minderjarige] is en dat de rechtbank, met het oog daarop, het vaderschap van [minderjarige] reeds gerechtelijk heeft vastgesteld, zal de rechtbank de man als “de in het ongelijk gestelde partij” veroordelen in de volledige kosten van het DNA-onderzoek. Het voorgaande betekent dat de man een bedrag van € 755,= (inclusief BTW) dient te voldoen. Voormeld bedrag dient hij te voldoen na ontvangst van een nota daartoe met betaalinstructies van het Landelijk Dienstencentrum voor de Rechtspraak (LDCR). Kinderalimentatie 2.7. Nu de vrouw haar verzoek tot het vaststellen van een regeling over kinderalimentatie heeft ingetrokken, kan dit verzoek niet meer worden onderzocht door de rechtbank. De rechtbank zal dit verzoek daarom afwijzen. Verdeling proceskosten 2.8. Gelet op het familierechtelijke karakter van deze procedure, zal de rechtbank de kosten van partijen in deze procedure tussen hen verdelen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. 2.9. Het meer of anders verzochte zal worden afgewezen. 3 De beslissing De rechtbank: 3.1. stelt de kosten van de deskundige vast op € 755,= (inclusief BTW); 3.2. bepaalt dat de man de kosten van de deskundige moet voldoen, zijnde een bedrag van € 755,= (inclusief BTW), welk bedrag na ontvangst van een nota met betaalinstructies van het LDCR moet worden voldaan; 3.3. verdeelt de kosten van partijen in deze procedure tussen hen in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt; 3.4. wijst het meer of anders verzochte af. Deze beschikking is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 24 maart 2026 door mr. Sumner, rechter, in aanwezigheid van mr. Wallerbos als griffier. Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld: door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak, door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden. Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch.
Volledig
ECLI:NL:RBZWB:2026:3335 text/xml public 2026-05-04T11:49:19 2026-04-24 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-03-24 C/02/424583 / FA RK 24-3244 Uitspraak Rekestprocedure NL Breda Civiel recht; Personen- en familierecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:3335 text/html public 2026-05-04T11:48:45 2026-05-04 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBZWB:2026:3335 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 24-03-2026 / C/02/424583 / FA RK 24-3244 Verdeling kosten DNA-onderzoek, met veroordeling man als "in het ongelijk gestelde partij". beschikking RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Team Familie- en Jeugdrecht Zittingsplaats: Breda Zaaknummer: C/02/424583 / FA RK 24-3244 Datum uitspraak: 24 maart 2026 Nadere beschikking over verdeling kosten DNA-onderzoek in de zaak van [de vrouw] , hierna te noemen: de vrouw, wonende in [plaats 1] , advocaat: mr. S. Klootwijk te Breda. De rechtbank merkt als belanghebbende aan: [de man] , hierna te noemen: de man, wonende in [plaats 2] , advocaat: voorheen mr. J. van Appia te Amsterdam (onttrokken per 16 mei 2025), thans zonder advocaat, over de minderjarige: [minderjarige] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2023, hierna te noemen: [minderjarige] . 1 Het verdere procesverloop 1.1. Het procesdossier bevat de volgende stukken: de in deze zaak gegeven nadere beschikking van deze rechtbank van 3 februari 2026 en alle daarin genoemde stukken; het F9-formulier van 2 maart 2026 van mr. Klootwijk. 2 De nadere beoordeling 2.1. De rechtbank verwijst naar de inhoud van voormelde, in deze zaak gegeven nadere beschikking van 3 februari 2026. Bij deze beschikking is, voor zover hier nu van belang, het vaderschap van de man over [minderjarige] gerechtelijk vastgesteld. De beslissing over de vaststelling van de kosten van het DNA-onderzoek dat in deze zaak is verricht en over de verdeling van die kosten tussen partijen is aangehouden vanwege onduidelijkheid hierover. Aan partijen is verzocht om uiterlijk op 3 maart 2026 pro forma de rechtbank hierover (nader) te informeren. Daarnaast is aan partijen verzocht om hun standpunt kenbaar te maken over het door hen gewenste verdere procesverloop met betrekking tot het nog voorliggende verzoek van de vrouw om een regeling vast te stellen over het door de man aan de vrouw periodiek te betalen bedrag aan kinderalimentatie betreffende [minderjarige] . 2.2. In voormeld F9-formulier van 2 maart 2026 heeft mr. Klootwijk, namens de vrouw, onder meer het volgende aangegeven. De vrouw was er niet van op de hoogte dat de kosten van het DNA-onderzoek nog niet in rekening zijn gebracht. De vrouw heeft met betrekking tot het DNA-onderzoek al € 60,= betaald, omdat er een afspraak moest worden uitgesteld. De vrouw stelt daarnaast dat partijen voorafgaand aan het onderzoek hebben afgesproken dat de man de volledige kosten daarvan voor zijn rekening zou nemen. De vrouw heeft tot slot geprobeerd om afspraken te maken met de man over een regeling betreffende kinderalimentatie, maar dit is niet gelukt. De man is namelijk onbereikbaar. Gelet hierop heeft mr. Klootwijk het verzoek van de vrouw betreffende kinderalimentatie ingetrokken. 2.3. De man heeft na het verstrijken van voormelde pro forma datum (en tot op heden) niet gereageerd. 2.4. Naar aanleiding van het voorgaande, overweegt de rechtbank als volgt. Vaststelling en verdeling kosten DNA-onderzoek 2.5. De deskundige heeft de kosten van het DNA-onderzoek reeds definitief begroot op € 755,= (inclusief BTW). De vrouw heeft al € 60,= betaald, maar dit heeft zij gedaan om een afspraak te verplaatsen. Dit betreft dus kennelijk een bedrag dat buiten de begroting om, dus extra, is gedeclareerd aan de vrouw. De vrouw heeft geen verweer gevoerd tegen de hoogte van het door de deskundige definitief begrote bedrag. De rechtbank stelt de kosten van het DNA-onderzoek in deze procedure derhalve definitief vast op € 755,= (inclusief BTW). 2.6. De rechtbank overweegt dat als uitgangspunt in afstammingszaken heeft te gelden dat alle kosten behalve de deskundigenkosten van het DNA-onderzoek tussen partijen worden gecompenseerd. De deskundigenkosten van het DNA-onderzoek worden in beginsel geheel ten laste van de in het ongelijk gestelde partij gebracht. Gelet op de uitkomst van het DNA-onderzoek en de beslissing in deze zaak, namelijk dat de man met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid de verwekker van [minderjarige] is en dat de rechtbank, met het oog daarop, het vaderschap van [minderjarige] reeds gerechtelijk heeft vastgesteld, zal de rechtbank de man als “de in het ongelijk gestelde partij” veroordelen in de volledige kosten van het DNA-onderzoek. Het voorgaande betekent dat de man een bedrag van € 755,= (inclusief BTW) dient te voldoen. Voormeld bedrag dient hij te voldoen na ontvangst van een nota daartoe met betaalinstructies van het Landelijk Dienstencentrum voor de Rechtspraak (LDCR). Kinderalimentatie 2.7. Nu de vrouw haar verzoek tot het vaststellen van een regeling over kinderalimentatie heeft ingetrokken, kan dit verzoek niet meer worden onderzocht door de rechtbank. De rechtbank zal dit verzoek daarom afwijzen. Verdeling proceskosten 2.8. Gelet op het familierechtelijke karakter van deze procedure, zal de rechtbank de kosten van partijen in deze procedure tussen hen verdelen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. 2.9. Het meer of anders verzochte zal worden afgewezen. 3 De beslissing De rechtbank: 3.1. stelt de kosten van de deskundige vast op € 755,= (inclusief BTW); 3.2. bepaalt dat de man de kosten van de deskundige moet voldoen, zijnde een bedrag van € 755,= (inclusief BTW), welk bedrag na ontvangst van een nota met betaalinstructies van het LDCR moet worden voldaan; 3.3. verdeelt de kosten van partijen in deze procedure tussen hen in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt; 3.4. wijst het meer of anders verzochte af. Deze beschikking is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 24 maart 2026 door mr. Sumner, rechter, in aanwezigheid van mr. Wallerbos als griffier. Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld: door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak, door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden. Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch.