Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2026-04-24
ECLI:NL:RBZWB:2026:3322
Bestuursrecht; Belastingrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
4,043 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBZWB:2026:3322 text/xml public 2026-04-30T15:50:56 2026-04-23 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-04-24 24/5728 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Breda Bestuursrecht; Belastingrecht Rechtspraak.nl Viditax (FutD) 2026043012 http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:3322 text/html public 2026-04-30T08:57:32 2026-04-30 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBZWB:2026:3322 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 24-04-2026 / 24/5728 IB/PVV. Het beroep is ongegrond. RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Zittingsplaats Breda Belastingrecht zaaknummer: BRE 24/5728 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 april 2026 in de zaken tussen [belanghebbende] , uit [woonplaats] , belanghebbende, en de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur. Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 25 juli 2024. 1.1. De inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2021 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 30.603 (de aanslag). Gelijktijdig met de vaststelling van de aanslag heeft de inspecteur aan belanghebbende € 106 belastingrente in rekening gebracht (de belastingrentebeschikking). 1.2. De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard. 1.3. De rechtbank heeft het beroep op 13 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben namens de inspecteur deelgenomen: mr. [inspecteur 1] en mr. [inspecteur 2] . Belanghebbende is, zonder kennisgeving aan de rechtbank, niet verschenen. 1.4. Belanghebbende is via het systeem Mijn Rechtspraak op 7 januari 2026, 11:57 uur, onder vermelding van plaats, datum en tijdstip uitgenodigd de zitting bij te wonen. Van de plaatsing van dit bericht is op dezelfde datum een notificatie aan belanghebbende verzonden naar het door belanghebbende voor dit doel opgegeven e-mailadres. Daarom neemt de rechtbank aan dat belanghebbende dit bericht op 7 januari 2026 heeft ontvangen. De rechtbank stelt daarmee vast dat belanghebbende correct en op de juiste wijze voor de zitting is uitgenodigd. Beoordeling door de rechtbank 2. De rechtbank beoordeelt eerst of het beroep ontvankelijk is. Indien het beroep ontvankelijk is, beoordeelt de rechtbank of de aanslag en de belastingrentebeschikking tot de juiste bedragen zijn vastgesteld. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende. 2.1. Naar het oordeel van de rechtbank is het beroep ontvankelijk. Verder zijn de aanslag en de belastingrentebeschikking tot de juiste bedragen vastgesteld. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot deze oordelen komt en welke gevolgen deze oordelen hebben. Feiten 3. Belanghebbende was in 2021 eigenaar en bewoner van de woning aan de [adres] te [woonplaats] (de woning). 3.1. Aan belanghebbende is op 15 januari 2021 een voorlopige aanslag opgelegd die resulteerde in een te ontvangen bedrag van € 176. 3.2. Belanghebbende heeft op 2 maart 2022 aangifte IB/PVV gedaan naar een verzamelinkomen van € 30.603 (de aangifte). 3.3. Belanghebbende heeft op 3 maart 2022 een herziene aangifte ingediend naar een verzamelinkomen van € 25.756 (de herziene aangifte). 3.4. Naar aanleiding van de herziene aangifte is aan belanghebbende een (tweede) voorlopige aanslag opgelegd die resulteerde in een (meer) te ontvangen bedrag van € 2.760. 3.5. De inspecteur heeft de aanslag in afwijking van de herziene aangifte opgelegd naar een verzamelinkomen van € 30.603. De verrekening van de eerder ontvangen bedragen (€ 176 en € 2.760) en de ingehouden loonheffing (€ 5.840) met de verschuldigde belasting (€ 4.960) leidt tot een bij aanslag te betalen bedrag van € 2.056. Gelijktijdig heeft de inspecteur belastingrente in rekening gebracht van € 106 (zie 1.1). 3.6. Het verzamelinkomen is in de eerste voorlopige aanslag (VA 1), de aangifte, de herziene aangifte, de tweede voorlopige aanslag (VA 2) en de aanslag als volgt opgebouwd: VA 1 Aangifte Herziene aangifte VA 2 Aanslag Loon uit tegenwoordige dienstbetrekking € 31.992 € 32.683 € 26.806 € 26.806 € 32.683 Inkomsten eigen woning nihil - € 2.080 - € 2.080 - € 2.080 - € 2.080 - Eigenwoningforfait nihil € 805 € 805 € 805 € 805 - Aftrekbare rente nihil -/- € 2.885 -/- € 2.885 -/- € 2.885 -/- € 2.885 Zorgkosten - € 408 nihil nihil nihil nihil Belastbaar inkomen uit werk en woning € 30.884 € 30.603 € 24.726 € 24.726 € 30.603 Belastbaar inkomen uit sparen en beleggen nihil nihil € 1.030 € 1.030 nihil Verzamelinkomen € 30.884 € 30.603 € 25.756 € 25.756 € 30.603 Ingehouden loonheffing € 5.295 € 5.840 € 5.840 € 5.840 € 5.840 3.7. De inspecteur heeft een schermprint overgelegd waaruit volgt dat belanghebbende de vooraf ingevulde aangifte (VIA) op 2 maart 2022 heeft geraadpleegd. Uit de VIA volgt (onder meer) dat belanghebbende in het jaar 2021 € 32.683 aan loon uit tegenwoordige arbeid heeft ontvangen en € 2.885 aan hypotheekrente heeft betaald. 3.8. De inspecteur heeft een renseignement ontvangen waaruit volgt dat belanghebbende in 2021 loon uit dienstbetrekking heeft ontvangen van [werkgever] van € 32.683, waarop € 5.840 loonheffing is ingehouden. Overwegingen Is het beroep ontvankelijk? 4. De inspecteur heeft de vraag opgeworpen of belang bestaat bij de procedure, omdat belanghebbende het eens lijkt te zijn met de hoogte van de aanslag en alleen gronden aanvoert over de terugbetaling van bedragen. Uit vaste rechtspraak van de Hoge Raad volgt dat sprake is van procesbelang als gegrondverklaring van het beroep tot een voor belanghebbende gunstiger resultaat kan leiden, ongeacht de gronden die zijn aangevoerd. Het gaat er dus om of de procedure hem in een betere positie kan brengen. 4.1. Het belastbaar inkomen uit werk en woning van belanghebbende is vastgesteld op € 30.603, waardoor hij inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen is verschuldigd. Naar het oordeel van de rechtbank kan de beroepsprocedure belanghebbende in een betere positie brengen, omdat de aanslag kan worden verminderd. Belanghebbende heeft daarom procesbelang bij zijn beroep tegen de aanslag. Dit betekent dat het beroep ontvankelijk is. De aanslag 4.2. Belanghebbende voert aan dat het saldo van inkomsten en aftrekposten met betrekking tot de eigen woning niet is vermeld in de voorlopige aanslag van 15 januari 2021. Daarom heeft belanghebbende de herziene aangifte ingediend, volgens hem in overeenstemming met de VIA. 4.3. De rechtbank acht aannemelijk dat de gegevens in de VIA juist zijn (zie 3.7). De hypotheekrenteaftrek is in de aangifte, de herziene aangifte en de aanslag overeenkomstig verwerkt en komt overeen met het bedrag zoals vermeld in de VIA. Dat belanghebbende een bedrag van € 2.162 aan inkomstenbelasting moet terugbetalen, komt doordat hij in afwijking van de VIA in de herziene aangifte een lager bedrag aan loon uit tegenwoordige dienstbetrekking heeft aangegeven van € 26.806. Uit de VIA volgt dat belanghebbende in 2021 € 32.683 aan loon heeft ontvangen. De rechtbank heeft geen reden om te twijfelen aan de juistheid van dit hogere bedrag. Daartoe overweegt de rechtbank dat belanghebbende het bedrag van € 32.683 in zijn aangifte van 2 maart 2022 heeft aangegeven en in beroep niet heeft betwist (3.2 en 3.6). Daarnaast volgt dit bedrag ook uit het renseignement van de inspecteur (zie 3.8). 4.4. Verder is de rechtbank van oordeel dat ook als in de VIA onjuiste gegevens stonden, belanghebbende geen vertrouwen mocht ontlenen aan de VIA. Belanghebbende is zelf verantwoordelijk voor de juistheid van de gegevens in de aangifte en dient – voordat hij de aangifte indient – de gegevens te controleren en eventueel te wijzigen. 4.5. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de aanslag tot het juiste bedrag is opgelegd. Dit betekent dat belanghebbende het teveel ontvangen bedrag moet terugbetalen. Al hetgeen belanghebbende voor het overige heeft aangevoerd leidt niet tot een ander oordeel. Belastingrentebeschikking 4.6. Het beroep wordt geacht mede betrekking te hebben op de belastingrentebeschikking.
Volledig
ECLI:NL:RBZWB:2026:3322 text/xml public 2026-04-30T15:50:56 2026-04-23 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-04-24 24/5728 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Breda Bestuursrecht; Belastingrecht Rechtspraak.nl Viditax (FutD) 2026043012 http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:3322 text/html public 2026-04-30T08:57:32 2026-04-30 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBZWB:2026:3322 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 24-04-2026 / 24/5728 IB/PVV. Het beroep is ongegrond. RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Zittingsplaats Breda Belastingrecht zaaknummer: BRE 24/5728 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 april 2026 in de zaken tussen [belanghebbende] , uit [woonplaats] , belanghebbende, en de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur. Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 25 juli 2024. 1.1. De inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2021 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 30.603 (de aanslag). Gelijktijdig met de vaststelling van de aanslag heeft de inspecteur aan belanghebbende € 106 belastingrente in rekening gebracht (de belastingrentebeschikking). 1.2. De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard. 1.3. De rechtbank heeft het beroep op 13 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben namens de inspecteur deelgenomen: mr. [inspecteur 1] en mr. [inspecteur 2] . Belanghebbende is, zonder kennisgeving aan de rechtbank, niet verschenen. 1.4. Belanghebbende is via het systeem Mijn Rechtspraak op 7 januari 2026, 11:57 uur, onder vermelding van plaats, datum en tijdstip uitgenodigd de zitting bij te wonen. Van de plaatsing van dit bericht is op dezelfde datum een notificatie aan belanghebbende verzonden naar het door belanghebbende voor dit doel opgegeven e-mailadres. Daarom neemt de rechtbank aan dat belanghebbende dit bericht op 7 januari 2026 heeft ontvangen. De rechtbank stelt daarmee vast dat belanghebbende correct en op de juiste wijze voor de zitting is uitgenodigd. Beoordeling door de rechtbank 2. De rechtbank beoordeelt eerst of het beroep ontvankelijk is. Indien het beroep ontvankelijk is, beoordeelt de rechtbank of de aanslag en de belastingrentebeschikking tot de juiste bedragen zijn vastgesteld. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende. 2.1. Naar het oordeel van de rechtbank is het beroep ontvankelijk. Verder zijn de aanslag en de belastingrentebeschikking tot de juiste bedragen vastgesteld. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot deze oordelen komt en welke gevolgen deze oordelen hebben. Feiten 3. Belanghebbende was in 2021 eigenaar en bewoner van de woning aan de [adres] te [woonplaats] (de woning). 3.1. Aan belanghebbende is op 15 januari 2021 een voorlopige aanslag opgelegd die resulteerde in een te ontvangen bedrag van € 176. 3.2. Belanghebbende heeft op 2 maart 2022 aangifte IB/PVV gedaan naar een verzamelinkomen van € 30.603 (de aangifte). 3.3. Belanghebbende heeft op 3 maart 2022 een herziene aangifte ingediend naar een verzamelinkomen van € 25.756 (de herziene aangifte). 3.4. Naar aanleiding van de herziene aangifte is aan belanghebbende een (tweede) voorlopige aanslag opgelegd die resulteerde in een (meer) te ontvangen bedrag van € 2.760. 3.5. De inspecteur heeft de aanslag in afwijking van de herziene aangifte opgelegd naar een verzamelinkomen van € 30.603. De verrekening van de eerder ontvangen bedragen (€ 176 en € 2.760) en de ingehouden loonheffing (€ 5.840) met de verschuldigde belasting (€ 4.960) leidt tot een bij aanslag te betalen bedrag van € 2.056. Gelijktijdig heeft de inspecteur belastingrente in rekening gebracht van € 106 (zie 1.1). 3.6. Het verzamelinkomen is in de eerste voorlopige aanslag (VA 1), de aangifte, de herziene aangifte, de tweede voorlopige aanslag (VA 2) en de aanslag als volgt opgebouwd: VA 1 Aangifte Herziene aangifte VA 2 Aanslag Loon uit tegenwoordige dienstbetrekking € 31.992 € 32.683 € 26.806 € 26.806 € 32.683 Inkomsten eigen woning nihil - € 2.080 - € 2.080 - € 2.080 - € 2.080 - Eigenwoningforfait nihil € 805 € 805 € 805 € 805 - Aftrekbare rente nihil -/- € 2.885 -/- € 2.885 -/- € 2.885 -/- € 2.885 Zorgkosten - € 408 nihil nihil nihil nihil Belastbaar inkomen uit werk en woning € 30.884 € 30.603 € 24.726 € 24.726 € 30.603 Belastbaar inkomen uit sparen en beleggen nihil nihil € 1.030 € 1.030 nihil Verzamelinkomen € 30.884 € 30.603 € 25.756 € 25.756 € 30.603 Ingehouden loonheffing € 5.295 € 5.840 € 5.840 € 5.840 € 5.840 3.7. De inspecteur heeft een schermprint overgelegd waaruit volgt dat belanghebbende de vooraf ingevulde aangifte (VIA) op 2 maart 2022 heeft geraadpleegd. Uit de VIA volgt (onder meer) dat belanghebbende in het jaar 2021 € 32.683 aan loon uit tegenwoordige arbeid heeft ontvangen en € 2.885 aan hypotheekrente heeft betaald. 3.8. De inspecteur heeft een renseignement ontvangen waaruit volgt dat belanghebbende in 2021 loon uit dienstbetrekking heeft ontvangen van [werkgever] van € 32.683, waarop € 5.840 loonheffing is ingehouden. Overwegingen Is het beroep ontvankelijk? 4. De inspecteur heeft de vraag opgeworpen of belang bestaat bij de procedure, omdat belanghebbende het eens lijkt te zijn met de hoogte van de aanslag en alleen gronden aanvoert over de terugbetaling van bedragen. Uit vaste rechtspraak van de Hoge Raad volgt dat sprake is van procesbelang als gegrondverklaring van het beroep tot een voor belanghebbende gunstiger resultaat kan leiden, ongeacht de gronden die zijn aangevoerd. Het gaat er dus om of de procedure hem in een betere positie kan brengen. 4.1. Het belastbaar inkomen uit werk en woning van belanghebbende is vastgesteld op € 30.603, waardoor hij inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen is verschuldigd. Naar het oordeel van de rechtbank kan de beroepsprocedure belanghebbende in een betere positie brengen, omdat de aanslag kan worden verminderd. Belanghebbende heeft daarom procesbelang bij zijn beroep tegen de aanslag. Dit betekent dat het beroep ontvankelijk is. De aanslag 4.2. Belanghebbende voert aan dat het saldo van inkomsten en aftrekposten met betrekking tot de eigen woning niet is vermeld in de voorlopige aanslag van 15 januari 2021. Daarom heeft belanghebbende de herziene aangifte ingediend, volgens hem in overeenstemming met de VIA. 4.3. De rechtbank acht aannemelijk dat de gegevens in de VIA juist zijn (zie 3.7). De hypotheekrenteaftrek is in de aangifte, de herziene aangifte en de aanslag overeenkomstig verwerkt en komt overeen met het bedrag zoals vermeld in de VIA. Dat belanghebbende een bedrag van € 2.162 aan inkomstenbelasting moet terugbetalen, komt doordat hij in afwijking van de VIA in de herziene aangifte een lager bedrag aan loon uit tegenwoordige dienstbetrekking heeft aangegeven van € 26.806. Uit de VIA volgt dat belanghebbende in 2021 € 32.683 aan loon heeft ontvangen. De rechtbank heeft geen reden om te twijfelen aan de juistheid van dit hogere bedrag. Daartoe overweegt de rechtbank dat belanghebbende het bedrag van € 32.683 in zijn aangifte van 2 maart 2022 heeft aangegeven en in beroep niet heeft betwist (3.2 en 3.6). Daarnaast volgt dit bedrag ook uit het renseignement van de inspecteur (zie 3.8). 4.4. Verder is de rechtbank van oordeel dat ook als in de VIA onjuiste gegevens stonden, belanghebbende geen vertrouwen mocht ontlenen aan de VIA. Belanghebbende is zelf verantwoordelijk voor de juistheid van de gegevens in de aangifte en dient – voordat hij de aangifte indient – de gegevens te controleren en eventueel te wijzigen. 4.5. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de aanslag tot het juiste bedrag is opgelegd. Dit betekent dat belanghebbende het teveel ontvangen bedrag moet terugbetalen. Al hetgeen belanghebbende voor het overige heeft aangevoerd leidt niet tot een ander oordeel. Belastingrentebeschikking 4.6. Het beroep wordt geacht mede betrekking te hebben op de belastingrentebeschikking.