Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2026-04-24
ECLI:NL:RBZWB:2026:3320
Bestuursrecht; Belastingrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
12,147 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBZWB:2026:3320 text/xml public 2026-04-30T15:50:51 2026-04-23 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-04-24 24/6762 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Breda Bestuursrecht; Belastingrecht Rechtspraak.nl Viditax (FutD) 2026043007 http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:3320 text/html public 2026-04-29T15:22:36 2026-04-30 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBZWB:2026:3320 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 24-04-2026 / 24/6762 Belanghebbende heeft diensten verricht waarvoor zij een vergoeding heeft ontvangen. Ter zake van die diensten is belanghebbende omzetbelasting verschuldigd. Met betrekking tot de inrichting van een modelwoning heeft de inspecteur niet overtuigend aangetoond dat sprake is van grofschuldig handelen. De rechtbank matigt de vergrijpboete. Het beroep is daarom gegrond. RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Zittingsplaats Breda Belastingrecht zaaknummer: BRE 24/6762 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 april 2026 in de zaken tussen Fiscale eenheid [belanghebbende 1] B.V. en [belanghebbende 2] B.V. , gevestigd te [plaats 1] , belanghebbende, (gemachtigde: mr. M.F.P. de Clercq), en de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur. Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 9 augustus 2024. 1.1. De inspecteur heeft aan belanghebbende over de tijdvakken gelegen in de periode van 1 januari 2018 tot en met 31 december 2019 een naheffingsaanslag omzetbelasting opgelegd van € 40.760 . Gelijktijdig met de vaststelling van de naheffingsaanslag heeft de inspecteur een vergrijpboete van € 9.428 opgelegd (de boetebeschikking) en € 3.767 belastingrente in rekening gebracht (de belastingrentebeschikking). 1.2. De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard. 1.3. De rechtbank heeft de beroepen op 13 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van belanghebbende en namens de inspecteur, mr. [inspecteur 1] , mr. [inspecteur 2] en [inspecteur 3] . Beoordeling door de rechtbank 2. De rechtbank beoordeelt of de naheffingsaanslag niet naar een te hoog bedrag aan belanghebbende is opgelegd. Verder beoordeelt de rechtbank of de boetebeschikking en belastingrentebeschikking terecht en niet naar te hoge bedragen zijn vastgesteld. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende. 2.1. Naar het oordeel van de rechtbank is de naheffingsaanslag niet naar een te hoog bedrag opgelegd. Verder is de boetebeschikking terecht, maar naar een te hoog bedrag aan belanghebbende is opgelegd. Tot slot is de rechtbank van oordeel dat de belastingrentebeschikking terecht en niet naar een te hoog bedrag is vastgesteld. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot deze oordelen komt en welke gevolgen deze oordelen hebben. Feiten 3. Belanghebbende is een fiscale eenheid voor de omzetbelasting die bestaat uit de volgende rechtspersonen: [belanghebbende 1] B.V. (hierna: [belanghebbende 1] ) en [belanghebbende 2] B.V. (hierna: [belanghebbende 2] ). [belanghebbende 1] is de enig aandeelhouder van [belanghebbende 2] . De heer [bestuurder] is de enig aandeelhouder en bestuurder van [belanghebbende 1] . De activiteiten van belanghebbende betreffen (onder meer) het adviseren, begeleiden en bemiddelen van derden bij het verwerven van bedrijfspanden. 3.1. Belanghebbende heeft over de tijdvakken gelegen in de periode van 1 januari 2018 tot en met 31 december 2019 (per kwartaal) de volgende aangiften omzetbelasting ingediend: Tijdvak OB-hoog OB-privé Voorbelasting Te betalen OB Teruggaaf OB Q1 2018 nihil nihil nihil nihil nihil Q2 2018 € 6.851 nihil nihil € 6.851 nihil Q3 2018 € 35.512 nihil -/- € 365 € 35.147 nihil Q4 2018 € 2.284 € 55 -/- € 8.368 nihil € 6.029 Q1 2019 nihil nihil -/- € 5.905 nihil € 5.905 Q2 2019 € 22.483 nihil -/- € 781 € 21.702 nihil Q3 2019 nihil nihil -/- € 3.180 nihil € 3.180 Q4 2019 € 3.543 nihil -/- € 894 € 2.649 nihil 3.2. De inspecteur heeft een boekenonderzoek ingesteld bij belanghebbende naar de aanvaardbaarheid van de aangiften omzetbelasting over de periode van 1 januari 2018 tot en met 31 december 2019. De bevindingen van het boekenonderzoek zijn vastgelegd in een controlerapport van 4 januari 2022. In het controlerapport staat – voor zover relevant – het volgende: “2018 (…) Registergoed [plaats 2] , [adres 1] (…) De vergoeding ten bedrage van € 122.500 die [belanghebbende 2] heeft ontvangen voor haar betrokkenheid bij de levering van het hiervoor vermelde vastgoed kwalificeert derhalve een voor de omzetbelasting tegen het algemeen tarief belaste dienst. Correctie 1:omzet € 122.500/121*100€ 101.240 verschuldigde omzetbelasting € 122.500/121*21 € 21.260 (…) 2019 (…) Registergoed [plaats 3] , [adres 2] (…) De vergoeding ("zie "winstdeling conform declaratie aan [B.V. 1] d.d. 9-1-2019 én notariële afrekening d.d. 15-1-2019) ten bedrage van € 85.000 die [belanghebbende 2] heeft ontvangen voor haar betrokkenheid bij de levering van het hiervoor vermelde vastgoed kwalificeert derhalve een voor de omzetbelasting tegen het algemeen tarief belaste dienst. Correctie 2:omzet € 85.000/121*100€ 70.248 verschuldigde omzetbelasting € 85.000/121*21 € 14.752 (…) 3.5 Voorbelasting (…) JAAR 2019 (…) Grootboekrekening 8500 kosten omzet 21% Op 3 april 2019 is er bij [bedrijf 1] te [plaats 4] een aankoop van totaal € 18.000 gedaan ten behoeve van de inrichting [adres 3] . Uit onderzoek is niet gebleken dat het pand met adres [adres 3] , gemeente onbekend, eigendom is van belastingplichtige. Verder zijn in de administratie geen opbrengsten opgenomen met betrekking tot het pand [adres 3] . Er is mij niet gebleken dat de aangeschafte goederen door belastingplichtige worden gebruikt voor belaste handelingen. Correctie 6: geen aftrek voorbelasting € 3.176 (…) 3.5.1 Correcties voorbelasting 4 Berekeningen omzetbelasting 2018 5.1 Vergrijpboete omzetbelasting (…) Bedragen van de boeten Gelet op bovenstaande is er sprake van grove schuld, waarvoor een vergrijpboete van 25% op grond van artikel 67f AWR is gerechtvaardigd. Ik ben voornemens aan belastingplichtige een tweetal vergrijpboeten op te leggen zijnde 25% van de ten onrechte niet betaalde belastingbedragen van de jaren 2018 en 2019. Dit leidt tot de volgende boetebedragen: 2018 € 21.716*25% = € 5.429 2019 € 19.045*25% = € 3.999 (…)” 3.3. Naar aanleiding van het boekenonderzoek heeft de inspecteur de naheffingsaanslag, de boete- en belastingrentebeschikking met dagtekening 27 januari 2022 vastgesteld (zie 1.1). 3.4. Medio 2018 hebben [B.V. 2] (hierna: [B.V. 2] ), [persoon 1] en [belanghebbende 2] een samenwerkingsovereenkomst gesloten. In die overeenkomst staat – voor zover relevant – het volgende: “1. DOEL & WERKWIJZE VAN DE SAMENWERKING Partijen werken exclusief samen met als doel om tot aankoop en verkoop, beheer, transformatie en (her-)ontwikkeling van (zorg-) vastgoed te komen, het ruimste zin van het woord. Deze samenwerkingsovereenkomst zal nader worden uitgewerkt worden in de akte welke door een nader aan te wijzen notaris zal worden opgesteld met als doel tot de oprichting van een gezamenlijke vennootschap te komen. De verdeling van de aandelen in deze nader te noemen vennootschap zal per aandeelhouder (3 partijen) op basis van de verkrijging van 33/100 van de aandelen, één aandeel zal (onder de noemer prioriteitsaandeel) worden toegewezen aan nader aan te wijzen persoon/ entiteit. Uitgangspunt is het bereiken van de op dat moment – en door alle partijen gewenste doelstelling, passend binnen de kaders, welke voor ieder project afzonderlijk tussen partijen zal worden afgestemd, om tot een succesvolle aan-/ verkoop te komen aan een nader door partijen aan te wijzen externe koper, danwel in eigendom te houden in een aan partijen gelieerde vennootschap, passend binnen de (financiële) kaders waarvoor iedere partij afzonderlijk haar schriftelijke goedkeuring dient af te geven.
Volledig
ECLI:NL:RBZWB:2026:3320 text/xml public 2026-04-30T15:50:51 2026-04-23 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-04-24 24/6762 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Breda Bestuursrecht; Belastingrecht Rechtspraak.nl Viditax (FutD) 2026043007 http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:3320 text/html public 2026-04-29T15:22:36 2026-04-30 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBZWB:2026:3320 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 24-04-2026 / 24/6762 Belanghebbende heeft diensten verricht waarvoor zij een vergoeding heeft ontvangen. Ter zake van die diensten is belanghebbende omzetbelasting verschuldigd. Met betrekking tot de inrichting van een modelwoning heeft de inspecteur niet overtuigend aangetoond dat sprake is van grofschuldig handelen. De rechtbank matigt de vergrijpboete. Het beroep is daarom gegrond. RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Zittingsplaats Breda Belastingrecht zaaknummer: BRE 24/6762 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 april 2026 in de zaken tussen Fiscale eenheid [belanghebbende 1] B.V. en [belanghebbende 2] B.V. , gevestigd te [plaats 1] , belanghebbende, (gemachtigde: mr. M.F.P. de Clercq), en de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur. Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 9 augustus 2024. 1.1. De inspecteur heeft aan belanghebbende over de tijdvakken gelegen in de periode van 1 januari 2018 tot en met 31 december 2019 een naheffingsaanslag omzetbelasting opgelegd van € 40.760 . Gelijktijdig met de vaststelling van de naheffingsaanslag heeft de inspecteur een vergrijpboete van € 9.428 opgelegd (de boetebeschikking) en € 3.767 belastingrente in rekening gebracht (de belastingrentebeschikking). 1.2. De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard. 1.3. De rechtbank heeft de beroepen op 13 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van belanghebbende en namens de inspecteur, mr. [inspecteur 1] , mr. [inspecteur 2] en [inspecteur 3] . Beoordeling door de rechtbank 2. De rechtbank beoordeelt of de naheffingsaanslag niet naar een te hoog bedrag aan belanghebbende is opgelegd. Verder beoordeelt de rechtbank of de boetebeschikking en belastingrentebeschikking terecht en niet naar te hoge bedragen zijn vastgesteld. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende. 2.1. Naar het oordeel van de rechtbank is de naheffingsaanslag niet naar een te hoog bedrag opgelegd. Verder is de boetebeschikking terecht, maar naar een te hoog bedrag aan belanghebbende is opgelegd. Tot slot is de rechtbank van oordeel dat de belastingrentebeschikking terecht en niet naar een te hoog bedrag is vastgesteld. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot deze oordelen komt en welke gevolgen deze oordelen hebben. Feiten 3. Belanghebbende is een fiscale eenheid voor de omzetbelasting die bestaat uit de volgende rechtspersonen: [belanghebbende 1] B.V. (hierna: [belanghebbende 1] ) en [belanghebbende 2] B.V. (hierna: [belanghebbende 2] ). [belanghebbende 1] is de enig aandeelhouder van [belanghebbende 2] . De heer [bestuurder] is de enig aandeelhouder en bestuurder van [belanghebbende 1] . De activiteiten van belanghebbende betreffen (onder meer) het adviseren, begeleiden en bemiddelen van derden bij het verwerven van bedrijfspanden. 3.1. Belanghebbende heeft over de tijdvakken gelegen in de periode van 1 januari 2018 tot en met 31 december 2019 (per kwartaal) de volgende aangiften omzetbelasting ingediend: Tijdvak OB-hoog OB-privé Voorbelasting Te betalen OB Teruggaaf OB Q1 2018 nihil nihil nihil nihil nihil Q2 2018 € 6.851 nihil nihil € 6.851 nihil Q3 2018 € 35.512 nihil -/- € 365 € 35.147 nihil Q4 2018 € 2.284 € 55 -/- € 8.368 nihil € 6.029 Q1 2019 nihil nihil -/- € 5.905 nihil € 5.905 Q2 2019 € 22.483 nihil -/- € 781 € 21.702 nihil Q3 2019 nihil nihil -/- € 3.180 nihil € 3.180 Q4 2019 € 3.543 nihil -/- € 894 € 2.649 nihil 3.2. De inspecteur heeft een boekenonderzoek ingesteld bij belanghebbende naar de aanvaardbaarheid van de aangiften omzetbelasting over de periode van 1 januari 2018 tot en met 31 december 2019. De bevindingen van het boekenonderzoek zijn vastgelegd in een controlerapport van 4 januari 2022. In het controlerapport staat – voor zover relevant – het volgende: “2018 (…) Registergoed [plaats 2] , [adres 1] (…) De vergoeding ten bedrage van € 122.500 die [belanghebbende 2] heeft ontvangen voor haar betrokkenheid bij de levering van het hiervoor vermelde vastgoed kwalificeert derhalve een voor de omzetbelasting tegen het algemeen tarief belaste dienst. Correctie 1:omzet € 122.500/121*100€ 101.240 verschuldigde omzetbelasting € 122.500/121*21 € 21.260 (…) 2019 (…) Registergoed [plaats 3] , [adres 2] (…) De vergoeding ("zie "winstdeling conform declaratie aan [B.V. 1] d.d. 9-1-2019 én notariële afrekening d.d. 15-1-2019) ten bedrage van € 85.000 die [belanghebbende 2] heeft ontvangen voor haar betrokkenheid bij de levering van het hiervoor vermelde vastgoed kwalificeert derhalve een voor de omzetbelasting tegen het algemeen tarief belaste dienst. Correctie 2:omzet € 85.000/121*100€ 70.248 verschuldigde omzetbelasting € 85.000/121*21 € 14.752 (…) 3.5 Voorbelasting (…) JAAR 2019 (…) Grootboekrekening 8500 kosten omzet 21% Op 3 april 2019 is er bij [bedrijf 1] te [plaats 4] een aankoop van totaal € 18.000 gedaan ten behoeve van de inrichting [adres 3] . Uit onderzoek is niet gebleken dat het pand met adres [adres 3] , gemeente onbekend, eigendom is van belastingplichtige. Verder zijn in de administratie geen opbrengsten opgenomen met betrekking tot het pand [adres 3] . Er is mij niet gebleken dat de aangeschafte goederen door belastingplichtige worden gebruikt voor belaste handelingen. Correctie 6: geen aftrek voorbelasting € 3.176 (…) 3.5.1 Correcties voorbelasting 4 Berekeningen omzetbelasting 2018 5.1 Vergrijpboete omzetbelasting (…) Bedragen van de boeten Gelet op bovenstaande is er sprake van grove schuld, waarvoor een vergrijpboete van 25% op grond van artikel 67f AWR is gerechtvaardigd. Ik ben voornemens aan belastingplichtige een tweetal vergrijpboeten op te leggen zijnde 25% van de ten onrechte niet betaalde belastingbedragen van de jaren 2018 en 2019. Dit leidt tot de volgende boetebedragen: 2018 € 21.716*25% = € 5.429 2019 € 19.045*25% = € 3.999 (…)” 3.3. Naar aanleiding van het boekenonderzoek heeft de inspecteur de naheffingsaanslag, de boete- en belastingrentebeschikking met dagtekening 27 januari 2022 vastgesteld (zie 1.1). 3.4. Medio 2018 hebben [B.V. 2] (hierna: [B.V. 2] ), [persoon 1] en [belanghebbende 2] een samenwerkingsovereenkomst gesloten. In die overeenkomst staat – voor zover relevant – het volgende: “1. DOEL & WERKWIJZE VAN DE SAMENWERKING Partijen werken exclusief samen met als doel om tot aankoop en verkoop, beheer, transformatie en (her-)ontwikkeling van (zorg-) vastgoed te komen, het ruimste zin van het woord. Deze samenwerkingsovereenkomst zal nader worden uitgewerkt worden in de akte welke door een nader aan te wijzen notaris zal worden opgesteld met als doel tot de oprichting van een gezamenlijke vennootschap te komen. De verdeling van de aandelen in deze nader te noemen vennootschap zal per aandeelhouder (3 partijen) op basis van de verkrijging van 33/100 van de aandelen, één aandeel zal (onder de noemer prioriteitsaandeel) worden toegewezen aan nader aan te wijzen persoon/ entiteit. Uitgangspunt is het bereiken van de op dat moment – en door alle partijen gewenste doelstelling, passend binnen de kaders, welke voor ieder project afzonderlijk tussen partijen zal worden afgestemd, om tot een succesvolle aan-/ verkoop te komen aan een nader door partijen aan te wijzen externe koper, danwel in eigendom te houden in een aan partijen gelieerde vennootschap, passend binnen de (financiële) kaders waarvoor iedere partij afzonderlijk haar schriftelijke goedkeuring dient af te geven.
Volledig
Voor ieder nieuw project dient sprake te zijn van een voor alle partijen haalbare business case op basis van de volgende uitgangspunten: (…) b) bij verkoop van een project aan een externe koper zal op voorhand per project worden vastgesteld welke deel van de opbrengst aan iedere partij (33ste deel) zal worden uitgekeerd en welk deel in de betreffende vennootschap als gezamenlijk kapitaal (3 x 33ste deel) zal worden geïnvesteerd. (…) 2. DUUR VAN DE OVEREENKOMST De samenwerking is aangegaan voor onbepaalde tijd en wordt geacht te zijn aangevangen op 23 februari 2018. (…)” [adres 2] te [plaats 3] 3.5. Op 7 december 2018 hebben [B.V. 3] (verkoper) en [B.V. 2] (koper) een koopovereenkomst gesloten met betrekking tot het perceel grond met kantoorobject, parkeerplaatsen en ondergrond aan de [adres 2] te [plaats 3] (hierna: de [adres 2] ). De koopsom bedroeg € 1.200.000. 3.6. In de notariële akte van levering van 15 januari 2019 staat – voor zover relevant – het volgende: “OVEREENKOMST VAN KOOP/LEVERING Tussen verkoper en [B.V. 2] is, blijkens een door verkoper en [B.V. 2] op zeven december tweeduizend achttien ondertekende koopakte – hierna te noemen: “de koopakte” – een koopovereenkomst gesloten, waarbij [B.V. 2] heeft gekocht voor zich of voor nader te noemen meester. Blijkens de aan deze akte gehechte verklaring heeft [B.V. 2] als meester aangewezen: [B.V. 4] , (…)” 3.7. Tot de gedingstukken behoort een factuur ( [factuurnummer] ) van [belanghebbende 2] inzake de verkoop van de [adres 2] gericht aan [B.V. 1] De factuur ten bedrage van € 85.000 is gedagtekend op 9 januari 2019. Daarop is geen melding van omzetbelasting gemaakt. Het vermelde bedrag is aangeduid als “ opgaaf winstuitdeling ”. 3.8. [persoon 2] , werkzaam bij [B.V. 4] heeft op 9 april 2021 het volgende verklaard: “Bij deze verklaar ik (…) dat het mij bekend was dat de onroerende zaak aan [B.V. 4] is verkocht door het samenwerkingsverband bestaande uit [B.V. 2] en [belanghebbende 2] BV, terwijl de levering ervan (gebruikmakend van ‘nader te noemen meester’) rechtstreeks heeft plaatsgevonden door de leverancier aan het samenwerkingsverband, [B.V. 3] te [plaats 4] . De betaalde vergoeding door [B.V. 4] , via de notaris (…) aan de genoemde twee entiteiten betrof een winstdeling.” 3.9. Met betrekking tot de aan- en verkoop van de [adres 2] heeft [persoon 3] op 26 mei 2021 het volgende verklaard: “Bij deze verklaar ik dat ik niet beter weet dan dat ik, [persoon 3] , werkzaam binnen [bedrijf 2] , in mijn hoedanigheid als voormalig verkopend makelaar van de onroerende zaak, gelegen aan de [adres 2] te [plaats 3] , toentertijd in deze optredend namens de heer [persoon 4] van [B.V. 3] , en dat het mij bekend is dat de onroerende zaak per d.d. 7-12-2018 verkocht is aan [B.V. 2] , welke in mijn optiek samenwerkte met [belanghebbende 2] BV, welke eveneens de onderhandelingen heeft gevoerd, terwijl de uiteindelijke notariële levering ervan rechtstreeks heeft plaatsgevonden aan, [B.V. 4] te Amsterdam.” [adres 1] te [plaats 2] 3.10. In de koopbevestiging van 3 februari 2018 met betrekking tot de onroerende zaak gelegen aan de [adres 1] te [plaats 2] (hierna: de [adres 1] ) is [belanghebbende 2] als koper aangeduid. De koopsom bedroeg € 2.700.000. 3.11. Op 25 april 2018 hebben [B.V. 5] (hierna: [B.V. 5] ), [B.V. 2] en [belanghebbende 2] een vaststellingsovereenkomst gesloten (VSO). In die VSO is (onder meer) het volgende opgenomen: “ In aanmerking nemende dat: Dat [B.V. 5] op 23 april 2018 een koopovereenkomst heeft gesloten inzake de aankoop van het ge-hele pand met ondergrond, erf en verdere toebehoren, plaatselijk bekend [adres 1] te [plaats 2] , (…) Dat [B.V. 2] en [belanghebbende 2] in een eerder stadium geheel voor eigen rekening en risico een koopovereenkomst heeft gesloten ter zake van het registergoed met een derde, welke zijn verplichtingen niet na kon komen. Dat vervolgens door de inspanningen van [bedrijf 3] en [belanghebbende 2] de verkoop-transactie tussen [B.V. 5] en verkoper [B.V. 6] tot stand is gekomen met betrekking tot het registergoed, tegen een koopsom van € 2.700.000,-- k.k. Zijn overeengekomen als volgt: 1. Indien het verkochte wordt geleverd aan [B.V. 5] – in de huidige staat waarin het zich thans bevindt – uiterlijk op datum van overdracht of zoveel eerder als later partijen met elkaar overeenkomen, komen partijen overeen dat [bedrijf 3] en [belanghebbende 2] gezamenlijk een éénmalige vergoeding van [B.V. 5] ontvangt van € 245.000,-- (zegge: tweehonderdvijfenveertigduizend euro). 2. Zodra het onderhavige registergoed is geleverd aan [B.V. 5] , zal [B.V. 5] € 122.500,- aan [bedrijf 3] op rekeningnummer (…) en € 122.500,- aan [belanghebbende 2] op rekeningnummer (…) betalen (…) 4. Indien in de toekomst, na betaling toch blijkt dat de fiscus, de in deze overeenkomst overeenge-komen betaling als BTW belaste dienst beschouwd dit nimmer voor rekening van [B.V. 5] zal zijn. [B.V. 2] en [belanghebbende 2] kunnen op generlei wijze enige (schade-) vergoeding bij [B.V. 5] hierover vorderen. (…)” Overwegingen Is de naheffingsaanslag naar een te hoog bedrag opgelegd? De aan- en verkoop van de onroerende zaken 4. Tussen partijen is niet in geschil dat [belanghebbende 2] met betrekking tot de (uiteindelijke) aan- en verkoop van de onroerende zaken aan de [adres 1] en de [adres 2] geen (contractuele) partij was. 4.1. De inspecteur stelt dat [belanghebbende 2] voor haar werkzaamheden met betrekking tot de aan- en verkoop van de onroerende zaken vergoedingen heeft ontvangen van € 85.000 (zie 3.7) en € 122.500 (zie 3.11). Deze werkzaamheden moeten worden aangemerkt als makelaarsdiensten of andere diensten waarover omzetbelasting is verschuldigd. De inspecteur heeft daarom de daarover verschuldigde omzetbelasting berekend en nageheven. 4.2. Belanghebbende voert aan dat de aan- en verkoop van de onroerende zaken ten onrechte zijn aangemerkt als makelaarsdiensten. [belanghebbende 2] en [B.V. 2] hebben voor eigen rekening en risico werkzaamheden verricht voor de (mogelijkheden tot) ontwikkeling van de onroerende zaken. Voorafgaand aan de transacties heeft [belanghebbende 2] geen overeenkomsten van opdracht gesloten, waardoor geen zekerheid op betaling van de verrichte werkzaamheden bestond, alleen werd betaald als de koop doorging en dus een aanzienlijk risico werd gelopen. Om die reden waren de overeengekomen vergoedingen ook veel hoger dan voor makelaarsdiensten. Volgens belanghebbende zijn de behaalde resultaten verdeeld tussen [belanghebbende 2] en [B.V. 2] en is daarom sprake van het verdelen van opbrengst, winstverdeling en een winstuitdeling (zie 3.8). Hierover is geen omzetbelasting verschuldigd. 4.3. De artikelen 1 en 4 van de Wet op de omzetbelasting 1968 (Wet OB) bepalen – voor zover relevant – als volgt: “Artikel 1 Onder de naam 'omzetbelasting' wordt een belasting geheven ter zake van: a. leveringen van goederen en diensten, welke in Nederland door een als zodanig handelende ondernemer onder bezwarende titel worden verricht; (…)” “Artikel 4 1 Diensten zijn alle prestaties, niet zijnde leveringen van goederen in de zin van artikel 3. (…)” 4.4. De rechtbank overweegt dat voorafgaand aan het verdelen van winsten, sprake moet zijn van prestaties in de vorm van diensten of leveringen voor de omzetbelasting die deze winsten hebben gegenereerd. Ter zake van deze prestaties heeft de inspecteur omzetbelasting nageheven. Vast staat dat [belanghebbende 2] contractueel niet betrokken was bij de aan- en verkoop van de onroerende zaken. Dit betekent dat geen sprake is van leveringen. De door [belanghebbende 2] verrichte werkzaamheden kwalificeren als diensten in de zin van artikel 4 van de Wet OB. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat [belanghebbende 2] (onder meer) onderhandelingen heeft gevoerd met [B.V. 3] om tot een succesvolle aan- en verkoop van de [adres 2] te komen (zie 3.9). Deze werkzaamheden sluiten ook aan bij hetgeen in de samenwerkingsovereenkomst is afgesproken (zie 3.4). Met [B.V. 5] is afgesproken dat [belanghebbende 2] de ontwikkelmogelijkheden zou bekijken en beoordelen en bij een succesvolle aankoop daarvoor een fee betaald zou krijgen.
Volledig
Voor ieder nieuw project dient sprake te zijn van een voor alle partijen haalbare business case op basis van de volgende uitgangspunten: (…) b) bij verkoop van een project aan een externe koper zal op voorhand per project worden vastgesteld welke deel van de opbrengst aan iedere partij (33ste deel) zal worden uitgekeerd en welk deel in de betreffende vennootschap als gezamenlijk kapitaal (3 x 33ste deel) zal worden geïnvesteerd. (…) 2. DUUR VAN DE OVEREENKOMST De samenwerking is aangegaan voor onbepaalde tijd en wordt geacht te zijn aangevangen op 23 februari 2018. (…)” [adres 2] te [plaats 3] 3.5. Op 7 december 2018 hebben [B.V. 3] (verkoper) en [B.V. 2] (koper) een koopovereenkomst gesloten met betrekking tot het perceel grond met kantoorobject, parkeerplaatsen en ondergrond aan de [adres 2] te [plaats 3] (hierna: de [adres 2] ). De koopsom bedroeg € 1.200.000. 3.6. In de notariële akte van levering van 15 januari 2019 staat – voor zover relevant – het volgende: “OVEREENKOMST VAN KOOP/LEVERING Tussen verkoper en [B.V. 2] is, blijkens een door verkoper en [B.V. 2] op zeven december tweeduizend achttien ondertekende koopakte – hierna te noemen: “de koopakte” – een koopovereenkomst gesloten, waarbij [B.V. 2] heeft gekocht voor zich of voor nader te noemen meester. Blijkens de aan deze akte gehechte verklaring heeft [B.V. 2] als meester aangewezen: [B.V. 4] , (…)” 3.7. Tot de gedingstukken behoort een factuur ( [factuurnummer] ) van [belanghebbende 2] inzake de verkoop van de [adres 2] gericht aan [B.V. 1] De factuur ten bedrage van € 85.000 is gedagtekend op 9 januari 2019. Daarop is geen melding van omzetbelasting gemaakt. Het vermelde bedrag is aangeduid als “ opgaaf winstuitdeling ”. 3.8. [persoon 2] , werkzaam bij [B.V. 4] heeft op 9 april 2021 het volgende verklaard: “Bij deze verklaar ik (…) dat het mij bekend was dat de onroerende zaak aan [B.V. 4] is verkocht door het samenwerkingsverband bestaande uit [B.V. 2] en [belanghebbende 2] BV, terwijl de levering ervan (gebruikmakend van ‘nader te noemen meester’) rechtstreeks heeft plaatsgevonden door de leverancier aan het samenwerkingsverband, [B.V. 3] te [plaats 4] . De betaalde vergoeding door [B.V. 4] , via de notaris (…) aan de genoemde twee entiteiten betrof een winstdeling.” 3.9. Met betrekking tot de aan- en verkoop van de [adres 2] heeft [persoon 3] op 26 mei 2021 het volgende verklaard: “Bij deze verklaar ik dat ik niet beter weet dan dat ik, [persoon 3] , werkzaam binnen [bedrijf 2] , in mijn hoedanigheid als voormalig verkopend makelaar van de onroerende zaak, gelegen aan de [adres 2] te [plaats 3] , toentertijd in deze optredend namens de heer [persoon 4] van [B.V. 3] , en dat het mij bekend is dat de onroerende zaak per d.d. 7-12-2018 verkocht is aan [B.V. 2] , welke in mijn optiek samenwerkte met [belanghebbende 2] BV, welke eveneens de onderhandelingen heeft gevoerd, terwijl de uiteindelijke notariële levering ervan rechtstreeks heeft plaatsgevonden aan, [B.V. 4] te Amsterdam.” [adres 1] te [plaats 2] 3.10. In de koopbevestiging van 3 februari 2018 met betrekking tot de onroerende zaak gelegen aan de [adres 1] te [plaats 2] (hierna: de [adres 1] ) is [belanghebbende 2] als koper aangeduid. De koopsom bedroeg € 2.700.000. 3.11. Op 25 april 2018 hebben [B.V. 5] (hierna: [B.V. 5] ), [B.V. 2] en [belanghebbende 2] een vaststellingsovereenkomst gesloten (VSO). In die VSO is (onder meer) het volgende opgenomen: “ In aanmerking nemende dat: Dat [B.V. 5] op 23 april 2018 een koopovereenkomst heeft gesloten inzake de aankoop van het ge-hele pand met ondergrond, erf en verdere toebehoren, plaatselijk bekend [adres 1] te [plaats 2] , (…) Dat [B.V. 2] en [belanghebbende 2] in een eerder stadium geheel voor eigen rekening en risico een koopovereenkomst heeft gesloten ter zake van het registergoed met een derde, welke zijn verplichtingen niet na kon komen. Dat vervolgens door de inspanningen van [bedrijf 3] en [belanghebbende 2] de verkoop-transactie tussen [B.V. 5] en verkoper [B.V. 6] tot stand is gekomen met betrekking tot het registergoed, tegen een koopsom van € 2.700.000,-- k.k. Zijn overeengekomen als volgt: 1. Indien het verkochte wordt geleverd aan [B.V. 5] – in de huidige staat waarin het zich thans bevindt – uiterlijk op datum van overdracht of zoveel eerder als later partijen met elkaar overeenkomen, komen partijen overeen dat [bedrijf 3] en [belanghebbende 2] gezamenlijk een éénmalige vergoeding van [B.V. 5] ontvangt van € 245.000,-- (zegge: tweehonderdvijfenveertigduizend euro). 2. Zodra het onderhavige registergoed is geleverd aan [B.V. 5] , zal [B.V. 5] € 122.500,- aan [bedrijf 3] op rekeningnummer (…) en € 122.500,- aan [belanghebbende 2] op rekeningnummer (…) betalen (…) 4. Indien in de toekomst, na betaling toch blijkt dat de fiscus, de in deze overeenkomst overeenge-komen betaling als BTW belaste dienst beschouwd dit nimmer voor rekening van [B.V. 5] zal zijn. [B.V. 2] en [belanghebbende 2] kunnen op generlei wijze enige (schade-) vergoeding bij [B.V. 5] hierover vorderen. (…)” Overwegingen Is de naheffingsaanslag naar een te hoog bedrag opgelegd? De aan- en verkoop van de onroerende zaken 4. Tussen partijen is niet in geschil dat [belanghebbende 2] met betrekking tot de (uiteindelijke) aan- en verkoop van de onroerende zaken aan de [adres 1] en de [adres 2] geen (contractuele) partij was. 4.1. De inspecteur stelt dat [belanghebbende 2] voor haar werkzaamheden met betrekking tot de aan- en verkoop van de onroerende zaken vergoedingen heeft ontvangen van € 85.000 (zie 3.7) en € 122.500 (zie 3.11). Deze werkzaamheden moeten worden aangemerkt als makelaarsdiensten of andere diensten waarover omzetbelasting is verschuldigd. De inspecteur heeft daarom de daarover verschuldigde omzetbelasting berekend en nageheven. 4.2. Belanghebbende voert aan dat de aan- en verkoop van de onroerende zaken ten onrechte zijn aangemerkt als makelaarsdiensten. [belanghebbende 2] en [B.V. 2] hebben voor eigen rekening en risico werkzaamheden verricht voor de (mogelijkheden tot) ontwikkeling van de onroerende zaken. Voorafgaand aan de transacties heeft [belanghebbende 2] geen overeenkomsten van opdracht gesloten, waardoor geen zekerheid op betaling van de verrichte werkzaamheden bestond, alleen werd betaald als de koop doorging en dus een aanzienlijk risico werd gelopen. Om die reden waren de overeengekomen vergoedingen ook veel hoger dan voor makelaarsdiensten. Volgens belanghebbende zijn de behaalde resultaten verdeeld tussen [belanghebbende 2] en [B.V. 2] en is daarom sprake van het verdelen van opbrengst, winstverdeling en een winstuitdeling (zie 3.8). Hierover is geen omzetbelasting verschuldigd. 4.3. De artikelen 1 en 4 van de Wet op de omzetbelasting 1968 (Wet OB) bepalen – voor zover relevant – als volgt: “Artikel 1 Onder de naam 'omzetbelasting' wordt een belasting geheven ter zake van: a. leveringen van goederen en diensten, welke in Nederland door een als zodanig handelende ondernemer onder bezwarende titel worden verricht; (…)” “Artikel 4 1 Diensten zijn alle prestaties, niet zijnde leveringen van goederen in de zin van artikel 3. (…)” 4.4. De rechtbank overweegt dat voorafgaand aan het verdelen van winsten, sprake moet zijn van prestaties in de vorm van diensten of leveringen voor de omzetbelasting die deze winsten hebben gegenereerd. Ter zake van deze prestaties heeft de inspecteur omzetbelasting nageheven. Vast staat dat [belanghebbende 2] contractueel niet betrokken was bij de aan- en verkoop van de onroerende zaken. Dit betekent dat geen sprake is van leveringen. De door [belanghebbende 2] verrichte werkzaamheden kwalificeren als diensten in de zin van artikel 4 van de Wet OB. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat [belanghebbende 2] (onder meer) onderhandelingen heeft gevoerd met [B.V. 3] om tot een succesvolle aan- en verkoop van de [adres 2] te komen (zie 3.9). Deze werkzaamheden sluiten ook aan bij hetgeen in de samenwerkingsovereenkomst is afgesproken (zie 3.4). Met [B.V. 5] is afgesproken dat [belanghebbende 2] de ontwikkelmogelijkheden zou bekijken en beoordelen en bij een succesvolle aankoop daarvoor een fee betaald zou krijgen.
Volledig
Dat [belanghebbende 2] mogelijk een andere rol heeft gespeeld dan normaliter bij makelaarsdiensten, meer risico liep en alleen betaald kreeg bij een succesvolle aankoop, neemt niet weg dat [belanghebbende 2] (samen met [B.V. 2] ) werkzaamheden heeft verricht waarvoor zij een vergoeding heeft ontvangen. Ter zake van deze diensten is omzetbelasting verschuldigd. 4.5. De rechtbank is daarom van oordeel dat de vergoedingen die [belanghebbende 2] heeft ontvangen ten bedrage van € 85.000 en € 122.000 terecht in de aan belanghebbende opgelegde naheffingsaanslag zijn belast tegen het algemene omzetbelastingtarief (21%). Aftrek van voorbelasting 4.6. Op de verschuldigde omzetbelasting wordt onder meer in aftrek gebracht, de belasting ter zake van de aan de ondernemer verrichte leveringen van goederen en verleende diensten. Dit is de belasting welke in het tijdvak door andere ondernemers ter zake van door hen aan de afnemer verrichte leveringen en verleende diensten in rekening is gebracht op een op de voorgeschreven wijze opgemaakte factuur, voor zover de goederen en diensten door de afnemer worden gebruikt voor belaste handelingen. Op belanghebbende, die voorbelasting op haar aangiften omzetbelasting in aftrek heeft gebracht, rust de bewijslast dat en in hoeverre recht bestaat op aftrek van voorbelasting. 4.7. Belanghebbende heeft op de zitting verklaard dat van de gemaakte correcties van de aftrek van voorbelasting, zij het alleen niet eens is met correctie 6. Belanghebbende stelt dat de inspecteur de factuur met betrekking tot de inrichting van de [adres 3] ten onrechte niet in aftrek heeft toegestaan (zie 3.2). Daartoe voert zij aan dat de kosten betrekking hebben op de inrichting van een modelwoning die ter verkoop is aangeboden. 4.8. Naar het oordeel van de rechtbank heeft belanghebbende – tegenover de betwisting door de inspecteur – niet aannemelijk gemaakt dat zij recht heeft op € 3.176 aan aftrek van voorbelasting van de inrichting van de [adres 3] . Belanghebbende heeft haar standpunt dat de aangekochte goederen zijn gebruikt voor belaste handelingen geenszins met stukken onderbouwd. De inspecteur heeft de correctie van € 3.176 dan ook terecht toegepast. Dit betekent dat de naheffingsaanslag niet naar een te hoog bedrag aan belanghebbende is opgelegd. Is de vergrijpboete terecht en niet naar een te hoog bedrag opgelegd? 4.9. De inspecteur heeft op grond van artikel 67f van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (Awr) aan belanghebbende een vergrijpboete opgelegd van 25% van de belasting die is nageheven. Volgens de inspecteur heeft het grofschuldig handelen van belanghebbende ertoe geleid dat te weinig omzetbelasting op aangifte is voldaan (zie 3.2). 4.10. De rechtbank stelt voorop dat de aanwezigheid van een beboetbaar feit alleen kan worden aangenomen als de daarvoor vereiste feiten en omstandigheden buiten redelijke twijfel zijn komen vast te staan. Dit dient begrepen te worden als ‘doen blijken’, dat wil zeggen: ‘overtuigend aantonen’. De rechtbank zal daarom beoordelen of de inspecteur overtuigend heeft aangetoond dat het aan de grove schuld van belanghebbende is te wijten dat te weinig omzetbelasting op aangifte is betaald. De aan- en verkoop van de onroerende zaken 4.11. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de inspecteur overtuigend aangetoond dat het aan de grove schuld van belanghebbende is te wijten dat de verschuldigde omzetbelasting niet op aangifte is voldaan. Belanghebbende heeft ten onrechte geen omzetbelasting berekend en afgedragen over de vergoedingen ontvangen voor de werkzaamheden met betrekking tot de aan- en verkoop van de [adres 1] en [adres 2] . Van belanghebbende mag naar het oordeel van de rechtbank worden verwacht dat zij vanuit haar kennis op het gebied van vastgoedtransacties op de hoogte is – of dat behoorde te zijn – dat omzetbelasting is verschuldigd over de door haar verrichte werkzaamheden. Belanghebbende mocht er niet zonder meer van uitgaan dat enkel sprake was van winstverdeling en de onderliggende prestaties waarmee deze winst werd gegenereerd, niet met omzetbelasting belast waren. Er is sprake van vergaand nalatig handelen dat zij – als zij daarvan niet op de hoogte was – geen nader onderzoek heeft gedaan of sprake is van belaste prestaties. 4.12. Belanghebbende stelt dat sprake is van een pleitbaar standpunt omdat zij er in redelijkheid van mocht uitgaan dat sprake was van winstuitdelingen. De rechtbank volgt belanghebbende niet in haar standpunt. Van een pleitbaar standpunt is sprake indien de belastingplichtige ten tijde van het doen van aangifte naar objectieve maatstaven redelijkerwijs kon en mocht menen dat zijn uitleg van het belastingrecht juist was. De rechtbank overweegt dat alleen een winstuitdeling kan plaatsvinden, als deze winst met prestaties is gegenereerd. Aan de winst zal dus een voor de omzetbelasting relevante prestatie ten grondslag liggen. Dit betekent dat van een pleitbaar standpunt geen sprake is. 4.13. Belanghebbende heeft evenmin aannemelijk gemaakt dat sprake is van afwezigheid van alle schuld (avas) en het verwijt niet aan hem kan worden toegerekend. De enkele stelling van de gemachtigde dat hij denkt dat belanghebbende zich heeft laten bijstaan door een btw-adviseur is daartoe onvoldoende. De rechtbank ziet in het dossier ook geen aanknopingspunten waaruit volgt dat sprake is geweest van bijstand door een btw-adviseur. Belanghebbende heeft daarom niet aannemelijk gemaakt dat zij alle van haar te vergen zorg heeft betracht die redelijkerwijs van haar kon worden gevergd. Dit betekent dat het beroep van belanghebbende op avas geen doel treft. De boete is daarom terecht opgelegd voor zover deze ziet op de aan- en verkoop van de onroerende zaken. Aftrek van voorbelasting 4.14. De rechtbank is van oordeel dat de inspecteur niet overtuigend heeft aangetoond dat sprake is van grofschuldig handelen met betrekking tot de in aftrek gebrachte voorbelasting ter zake van correctie 6. Hoewel belanghebbende het niet aannemelijk heeft gemaakt, zou het redelijkerwijs wel kunnen dat de aangekochte goederen zijn gebruikt voor de inrichting van een modelwoning. Daartoe overweegt de rechtbank dat dergelijke kosten – gelet op de aard van de door belanghebbende verrichte diensten – niet ongebruikelijk zijn. Dit betekent dat de boete dient te worden gematigd met € 794 . 4.15. De inspecteur heeft voor de overige correcties onweersproken gesteld dat de facturen betrekking hebben op niet-zakelijke kosten. Door de op deze facturen vermelde omzetbelasting desondanks als voorbelasting in aftrek te brengen, heeft belanghebbende dermate lichtvaardig gehandeld dat het aan haar grove schuld is te wijten dat te weinig belasting is voldaan. In zoverre is de boete daarom terecht. 4.16. Voorgaande betekent dat de boete met € 794 moet worden verminderd naar € 8.634. De rechtbank acht deze boete passend en geboden. Tot slot moet bij beoordeling van de boete rekening worden gehouden met overschrijding van de redelijke termijn voor de behandeling van de zaken in eerste feitelijke instantie (‘undue delay’). De in aanmerking te nemen termijn is aangevangen met de toezending van het concept controlerapport bij brief van 5 januari 2021 en eindigt met deze uitspraak. Dat betekent dat afgerond vijf jaar en vier maanden zijn verstreken. De redelijke termijn is als uitgangspunt twee jaar, waardoor de redelijke termijn is overschreden met drie jaar en vier maanden. De boete wordt daarom verder gematigd met 20% tot € 6.907. Belastingrente 4.17. Het beroep heeft mede betrekking op de belastingrente. De rechtbank ziet geen aanleiding af te wijken van de belastingrentebeschikking. Partijen hebben ter zitting afgesproken dat de inspecteur de belastingrente ambtshalve zal verminderen, indien de Hoge Raad in de toekomst gelet op het arrest van 16 januari 2026 ten aanzien van de hoogte van de belastingrente in de onderhavige periode in het voordeel van belanghebbende beslist. Conclusie en gevolgen 5. Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt daarom de uitspraak op bezwaar en vermindert de vergrijpboete tot € 6.907. De naheffingsaanslag en de belastingrentebeschikking blijven in stand. 5.1.
Volledig
Dat [belanghebbende 2] mogelijk een andere rol heeft gespeeld dan normaliter bij makelaarsdiensten, meer risico liep en alleen betaald kreeg bij een succesvolle aankoop, neemt niet weg dat [belanghebbende 2] (samen met [B.V. 2] ) werkzaamheden heeft verricht waarvoor zij een vergoeding heeft ontvangen. Ter zake van deze diensten is omzetbelasting verschuldigd. 4.5. De rechtbank is daarom van oordeel dat de vergoedingen die [belanghebbende 2] heeft ontvangen ten bedrage van € 85.000 en € 122.000 terecht in de aan belanghebbende opgelegde naheffingsaanslag zijn belast tegen het algemene omzetbelastingtarief (21%). Aftrek van voorbelasting 4.6. Op de verschuldigde omzetbelasting wordt onder meer in aftrek gebracht, de belasting ter zake van de aan de ondernemer verrichte leveringen van goederen en verleende diensten. Dit is de belasting welke in het tijdvak door andere ondernemers ter zake van door hen aan de afnemer verrichte leveringen en verleende diensten in rekening is gebracht op een op de voorgeschreven wijze opgemaakte factuur, voor zover de goederen en diensten door de afnemer worden gebruikt voor belaste handelingen. Op belanghebbende, die voorbelasting op haar aangiften omzetbelasting in aftrek heeft gebracht, rust de bewijslast dat en in hoeverre recht bestaat op aftrek van voorbelasting. 4.7. Belanghebbende heeft op de zitting verklaard dat van de gemaakte correcties van de aftrek van voorbelasting, zij het alleen niet eens is met correctie 6. Belanghebbende stelt dat de inspecteur de factuur met betrekking tot de inrichting van de [adres 3] ten onrechte niet in aftrek heeft toegestaan (zie 3.2). Daartoe voert zij aan dat de kosten betrekking hebben op de inrichting van een modelwoning die ter verkoop is aangeboden. 4.8. Naar het oordeel van de rechtbank heeft belanghebbende – tegenover de betwisting door de inspecteur – niet aannemelijk gemaakt dat zij recht heeft op € 3.176 aan aftrek van voorbelasting van de inrichting van de [adres 3] . Belanghebbende heeft haar standpunt dat de aangekochte goederen zijn gebruikt voor belaste handelingen geenszins met stukken onderbouwd. De inspecteur heeft de correctie van € 3.176 dan ook terecht toegepast. Dit betekent dat de naheffingsaanslag niet naar een te hoog bedrag aan belanghebbende is opgelegd. Is de vergrijpboete terecht en niet naar een te hoog bedrag opgelegd? 4.9. De inspecteur heeft op grond van artikel 67f van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (Awr) aan belanghebbende een vergrijpboete opgelegd van 25% van de belasting die is nageheven. Volgens de inspecteur heeft het grofschuldig handelen van belanghebbende ertoe geleid dat te weinig omzetbelasting op aangifte is voldaan (zie 3.2). 4.10. De rechtbank stelt voorop dat de aanwezigheid van een beboetbaar feit alleen kan worden aangenomen als de daarvoor vereiste feiten en omstandigheden buiten redelijke twijfel zijn komen vast te staan. Dit dient begrepen te worden als ‘doen blijken’, dat wil zeggen: ‘overtuigend aantonen’. De rechtbank zal daarom beoordelen of de inspecteur overtuigend heeft aangetoond dat het aan de grove schuld van belanghebbende is te wijten dat te weinig omzetbelasting op aangifte is betaald. De aan- en verkoop van de onroerende zaken 4.11. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de inspecteur overtuigend aangetoond dat het aan de grove schuld van belanghebbende is te wijten dat de verschuldigde omzetbelasting niet op aangifte is voldaan. Belanghebbende heeft ten onrechte geen omzetbelasting berekend en afgedragen over de vergoedingen ontvangen voor de werkzaamheden met betrekking tot de aan- en verkoop van de [adres 1] en [adres 2] . Van belanghebbende mag naar het oordeel van de rechtbank worden verwacht dat zij vanuit haar kennis op het gebied van vastgoedtransacties op de hoogte is – of dat behoorde te zijn – dat omzetbelasting is verschuldigd over de door haar verrichte werkzaamheden. Belanghebbende mocht er niet zonder meer van uitgaan dat enkel sprake was van winstverdeling en de onderliggende prestaties waarmee deze winst werd gegenereerd, niet met omzetbelasting belast waren. Er is sprake van vergaand nalatig handelen dat zij – als zij daarvan niet op de hoogte was – geen nader onderzoek heeft gedaan of sprake is van belaste prestaties. 4.12. Belanghebbende stelt dat sprake is van een pleitbaar standpunt omdat zij er in redelijkheid van mocht uitgaan dat sprake was van winstuitdelingen. De rechtbank volgt belanghebbende niet in haar standpunt. Van een pleitbaar standpunt is sprake indien de belastingplichtige ten tijde van het doen van aangifte naar objectieve maatstaven redelijkerwijs kon en mocht menen dat zijn uitleg van het belastingrecht juist was. De rechtbank overweegt dat alleen een winstuitdeling kan plaatsvinden, als deze winst met prestaties is gegenereerd. Aan de winst zal dus een voor de omzetbelasting relevante prestatie ten grondslag liggen. Dit betekent dat van een pleitbaar standpunt geen sprake is. 4.13. Belanghebbende heeft evenmin aannemelijk gemaakt dat sprake is van afwezigheid van alle schuld (avas) en het verwijt niet aan hem kan worden toegerekend. De enkele stelling van de gemachtigde dat hij denkt dat belanghebbende zich heeft laten bijstaan door een btw-adviseur is daartoe onvoldoende. De rechtbank ziet in het dossier ook geen aanknopingspunten waaruit volgt dat sprake is geweest van bijstand door een btw-adviseur. Belanghebbende heeft daarom niet aannemelijk gemaakt dat zij alle van haar te vergen zorg heeft betracht die redelijkerwijs van haar kon worden gevergd. Dit betekent dat het beroep van belanghebbende op avas geen doel treft. De boete is daarom terecht opgelegd voor zover deze ziet op de aan- en verkoop van de onroerende zaken. Aftrek van voorbelasting 4.14. De rechtbank is van oordeel dat de inspecteur niet overtuigend heeft aangetoond dat sprake is van grofschuldig handelen met betrekking tot de in aftrek gebrachte voorbelasting ter zake van correctie 6. Hoewel belanghebbende het niet aannemelijk heeft gemaakt, zou het redelijkerwijs wel kunnen dat de aangekochte goederen zijn gebruikt voor de inrichting van een modelwoning. Daartoe overweegt de rechtbank dat dergelijke kosten – gelet op de aard van de door belanghebbende verrichte diensten – niet ongebruikelijk zijn. Dit betekent dat de boete dient te worden gematigd met € 794 . 4.15. De inspecteur heeft voor de overige correcties onweersproken gesteld dat de facturen betrekking hebben op niet-zakelijke kosten. Door de op deze facturen vermelde omzetbelasting desondanks als voorbelasting in aftrek te brengen, heeft belanghebbende dermate lichtvaardig gehandeld dat het aan haar grove schuld is te wijten dat te weinig belasting is voldaan. In zoverre is de boete daarom terecht. 4.16. Voorgaande betekent dat de boete met € 794 moet worden verminderd naar € 8.634. De rechtbank acht deze boete passend en geboden. Tot slot moet bij beoordeling van de boete rekening worden gehouden met overschrijding van de redelijke termijn voor de behandeling van de zaken in eerste feitelijke instantie (‘undue delay’). De in aanmerking te nemen termijn is aangevangen met de toezending van het concept controlerapport bij brief van 5 januari 2021 en eindigt met deze uitspraak. Dat betekent dat afgerond vijf jaar en vier maanden zijn verstreken. De redelijke termijn is als uitgangspunt twee jaar, waardoor de redelijke termijn is overschreden met drie jaar en vier maanden. De boete wordt daarom verder gematigd met 20% tot € 6.907. Belastingrente 4.17. Het beroep heeft mede betrekking op de belastingrente. De rechtbank ziet geen aanleiding af te wijken van de belastingrentebeschikking. Partijen hebben ter zitting afgesproken dat de inspecteur de belastingrente ambtshalve zal verminderen, indien de Hoge Raad in de toekomst gelet op het arrest van 16 januari 2026 ten aanzien van de hoogte van de belastingrente in de onderhavige periode in het voordeel van belanghebbende beslist. Conclusie en gevolgen 5. Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt daarom de uitspraak op bezwaar en vermindert de vergrijpboete tot € 6.907. De naheffingsaanslag en de belastingrentebeschikking blijven in stand. 5.1.