Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2026-04-16
ECLI:NL:RBZWB:2026:3318
Bestuursrecht; Belastingrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,831 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBZWB:2026:3318 text/xml public 2026-04-30T09:48:46 2026-04-23 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-04-16 BRE 25/5198 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig Mondelinge uitspraak Proces-verbaal NL Breda Bestuursrecht; Belastingrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:3318 text/html public 2026-04-30T09:48:13 2026-04-30 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBZWB:2026:3318 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 16-04-2026 / BRE 25/5198 Mondelinge uitspraak, aanslag leges, het zorgvuldigheidsbeginsel, het evenredigheidsbeginsel, beroep ongegrond. RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Zittingsplaats Breda Belastingrecht zaaknummer: BRE 25/5198 proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 april 2026 in de zaak tussen V.O.F [belanghebbende] , uit [plaats] , belanghebbende, (gemachtigde: [gemachtigde 1] ), en de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking West-Brabant (gemeente Moerdijk) , de heffingsambtenaar. Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar van 3 september 2025. 1.1. De heffingsambtenaar heeft aan belanghebbende een aanslag leges opgelegd (de aanslag leges). 1.2. De heffingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard. 1.3. De rechtbank heeft het beroep van belanghebbende op 16 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van belanghebbende deelgenomen. Namens de heffingsambtenaar hebben [gemachtigde 2] en [gemachtigde 3] deelgenomen. 1.4. Na afloop van de zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan. Beslissing 2. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en legt hierna uit waarom. Motivering De aanslag leges 3. Op grond van de Legesverordening gemeente Moerdijk 2023 (legesverordening) worden er leges geheven voor het in behandeling nemen van een aanvraag tot het verlenen van een dienst of het nemen van een besluit. 3.1. Op 2 augustus 2023 heeft belanghebbende een aanvraag voor een omgevingsvergunning gedaan en deze is geweigerd op 11 februari 2025. Het enkele feit dat belanghebbende een aanvraag heeft ingediend en dat deze in behandeling is genomen, leidt ertoe dat leges worden geheven. Dit betekent dat de heffingsambtenaar de aanslag leges in beginsel terecht heeft opgelegd. Dat de aanvraag is geweigerd en dat die weigering is vernietigd, is in het kader van de heffing van leges in principe niet relevant. De rechtbank zal hierna nog het beroep op het zorgvuldigheids- en evenredigheidsbeginsel bespreken. Het zorgvuldigheidsbeginsel 3.2. Het beroep op dit beginsel is gedaan in het kader van de weigering van de omgevingsvergunning. De weigering is bij uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 26 februari 2026 vernietigd in verband met diverse formele gebreken en het college is opgedragen om binnen zes maanden een nieuw besluit te nemen. De onzorgvuldigheid ziet dus op het handelen van het college bij het weigeren van de omgevingsvergunning en ziet niet op het opleggen van de aanslag leges door de heffingsambtenaar. Belanghebbende heeft dit op zitting ook bevestigd. Het beroep op het zorgvuldigheidsbeginsel slaagt daarom niet. Het evenredigheidsbeginsel 3.3. Bij een beroep op dit beginsel gaat het erom of de voor belanghebbende nadelige gevolgen, het betalen van de leges, onevenredig zijn in verhouding tot het met het besluit te dienen doel, het kunnen dienen van het individuele belang - namelijk het in behandeling nemen van de aanvraag. 3.4. Ondanks dat de weigering van de omgevingsvergunning is vernietigd, heeft het college werkzaamheden gehad aan de aanvraag van belanghebbende. Daarnaast heeft de rechtbank geoordeeld dat het college binnen zes maanden een nieuw besluit moet nemen, waarvoor ook weer werkzaamheden verricht moeten worden. Leges zijn een vast bedrag dat betaald moet worden om een aanvraag in behandeling te nemen, ongeacht de uitkomst van die aanvraag. De rechtbank ziet dan ook geen strijd met het evenredigheidsbeginsel, hoewel de rechtbank de frustratie van belanghebbende over de vergunningsprocedure begrijpt. Conclusie en gevolgen 4. De heffingsambtenaar heeft de aanslag leges terecht opgelegd. Belanghebbende krijgt geen gelijk en het beroep is ongegrond. Belanghebbende krijgt daarom het griffierecht niet terug en ook geen vergoeding van haar proceskosten. 5. Partijen zijn gewezen op de mogelijkheid om tegen de mondelinge uitspraak in hoger beroep te gaan op de hieronder omschreven wijze. Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 16 april 2026 door mr. A.M.L.E. Ides Peeters, rechter, in aanwezigheid van mr. Y. de Vos, griffier, en geanonimiseerd gepubliceerd op www.rechtspraak.nl. griffier rechter De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld. Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop dit proces-verbaal is bekendgemaakt. Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch. Artikel 2, eerste lid, onder a, van de legesverordening. ECLI:NL:RBZWB:2026:1435. Artikel 3:4, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht.
Volledig
ECLI:NL:RBZWB:2026:3318 text/xml public 2026-04-30T09:48:46 2026-04-23 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-04-16 BRE 25/5198 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig Mondelinge uitspraak Proces-verbaal NL Breda Bestuursrecht; Belastingrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:3318 text/html public 2026-04-30T09:48:13 2026-04-30 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBZWB:2026:3318 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 16-04-2026 / BRE 25/5198 Mondelinge uitspraak, aanslag leges, het zorgvuldigheidsbeginsel, het evenredigheidsbeginsel, beroep ongegrond. RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Zittingsplaats Breda Belastingrecht zaaknummer: BRE 25/5198 proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 april 2026 in de zaak tussen V.O.F [belanghebbende] , uit [plaats] , belanghebbende, (gemachtigde: [gemachtigde 1] ), en de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking West-Brabant (gemeente Moerdijk) , de heffingsambtenaar. Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar van 3 september 2025. 1.1. De heffingsambtenaar heeft aan belanghebbende een aanslag leges opgelegd (de aanslag leges). 1.2. De heffingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard. 1.3. De rechtbank heeft het beroep van belanghebbende op 16 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van belanghebbende deelgenomen. Namens de heffingsambtenaar hebben [gemachtigde 2] en [gemachtigde 3] deelgenomen. 1.4. Na afloop van de zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan. Beslissing 2. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en legt hierna uit waarom. Motivering De aanslag leges 3. Op grond van de Legesverordening gemeente Moerdijk 2023 (legesverordening) worden er leges geheven voor het in behandeling nemen van een aanvraag tot het verlenen van een dienst of het nemen van een besluit. 3.1. Op 2 augustus 2023 heeft belanghebbende een aanvraag voor een omgevingsvergunning gedaan en deze is geweigerd op 11 februari 2025. Het enkele feit dat belanghebbende een aanvraag heeft ingediend en dat deze in behandeling is genomen, leidt ertoe dat leges worden geheven. Dit betekent dat de heffingsambtenaar de aanslag leges in beginsel terecht heeft opgelegd. Dat de aanvraag is geweigerd en dat die weigering is vernietigd, is in het kader van de heffing van leges in principe niet relevant. De rechtbank zal hierna nog het beroep op het zorgvuldigheids- en evenredigheidsbeginsel bespreken. Het zorgvuldigheidsbeginsel 3.2. Het beroep op dit beginsel is gedaan in het kader van de weigering van de omgevingsvergunning. De weigering is bij uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 26 februari 2026 vernietigd in verband met diverse formele gebreken en het college is opgedragen om binnen zes maanden een nieuw besluit te nemen. De onzorgvuldigheid ziet dus op het handelen van het college bij het weigeren van de omgevingsvergunning en ziet niet op het opleggen van de aanslag leges door de heffingsambtenaar. Belanghebbende heeft dit op zitting ook bevestigd. Het beroep op het zorgvuldigheidsbeginsel slaagt daarom niet. Het evenredigheidsbeginsel 3.3. Bij een beroep op dit beginsel gaat het erom of de voor belanghebbende nadelige gevolgen, het betalen van de leges, onevenredig zijn in verhouding tot het met het besluit te dienen doel, het kunnen dienen van het individuele belang - namelijk het in behandeling nemen van de aanvraag. 3.4. Ondanks dat de weigering van de omgevingsvergunning is vernietigd, heeft het college werkzaamheden gehad aan de aanvraag van belanghebbende. Daarnaast heeft de rechtbank geoordeeld dat het college binnen zes maanden een nieuw besluit moet nemen, waarvoor ook weer werkzaamheden verricht moeten worden. Leges zijn een vast bedrag dat betaald moet worden om een aanvraag in behandeling te nemen, ongeacht de uitkomst van die aanvraag. De rechtbank ziet dan ook geen strijd met het evenredigheidsbeginsel, hoewel de rechtbank de frustratie van belanghebbende over de vergunningsprocedure begrijpt. Conclusie en gevolgen 4. De heffingsambtenaar heeft de aanslag leges terecht opgelegd. Belanghebbende krijgt geen gelijk en het beroep is ongegrond. Belanghebbende krijgt daarom het griffierecht niet terug en ook geen vergoeding van haar proceskosten. 5. Partijen zijn gewezen op de mogelijkheid om tegen de mondelinge uitspraak in hoger beroep te gaan op de hieronder omschreven wijze. Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 16 april 2026 door mr. A.M.L.E. Ides Peeters, rechter, in aanwezigheid van mr. Y. de Vos, griffier, en geanonimiseerd gepubliceerd op www.rechtspraak.nl. griffier rechter De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld. Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop dit proces-verbaal is bekendgemaakt. Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch. Artikel 2, eerste lid, onder a, van de legesverordening. ECLI:NL:RBZWB:2026:1435. Artikel 3:4, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht.