Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2026-04-16
ECLI:NL:RBZWB:2026:3316
Bestuursrecht; Belastingrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,531 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBZWB:2026:3316 text/xml public 2026-04-30T09:41:45 2026-04-23 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-04-16 BRE 25/2433 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig Mondelinge uitspraak Proces-verbaal NL Breda Bestuursrecht; Belastingrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:3316 text/html public 2026-04-30T09:41:12 2026-04-30 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBZWB:2026:3316 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 16-04-2026 / BRE 25/2433 Mondelinge uitspraak, aanmaningskosten parkeerbelasting, machtiging, procesbelang, beroep niet-ontvankelijk. RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Zittingsplaats Breda Belastingrecht zaaknummer: BRE 25/2433 proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 april 2026 in de zaak tussen [belanghebbende] , uit [woonplaats] , belanghebbende, en de invorderingsambtenaar van de gemeente Tilburg, de invorderingsambtenaar. Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de invorderingsambtenaar van 8 april 2025. 1.1. De heffingsambtenaar heeft aan belanghebbende met dagtekening 16 januari 2025 een naheffingsaanslag in de parkeerbelasting opgelegd. 1.2. De invorderingsambtenaar heeft aan belanghebbende met dagtekening 15 februari 2025 aanmaningskosten (de aanmaningskosten) met betrekking tot de naheffingsaanslag in rekening gebracht wegens het uitblijven van betaling van de naheffingsaanslag. 1.3. Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de naheffingsaanslag en tegen de aanmaningskosten. De invorderingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende tegen de aanmaningskosten ongegrond verklaard. De heffingsambtenaar heeft later het bezwaar tegen de naheffingsaanslag gegrond verklaard. De naheffingsaanslag is coulance halve vernietigd waardoor ook de aanmaningskosten zijn vernietigd. 1.4. De rechtbank heeft het beroep op 16 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft mr. P.C. van den Aarsen verbonden aan verkeersboete.nl, de gemachtigde van belanghebbende, deelgenomen. Namens de invorderingsambtenaar heeft [gemachtigde] deelgenomen. Belanghebbende was niet aanwezig. 1.5. Na afloop van de zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan. Beslissing 2. De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk en legt hierna uit waarom. Motivering 3. Iemand die namens een ander beroep instelt, moet op verzoek van de rechtbank een machtiging indienen om aan te tonen dat hij namens die ander beroep mag instellen. Als dat niet gebeurt, dan kan de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk verklaren. 3.1. In deze zaak is door verkeersboete.nl een digitale machtiging overgelegd, maar is gebleken dat de handtekening dezelfde is als van die van de digitaal getekende machtiging in bezwaar. De machtigingen hebben dezelfde datum, namelijk 1 maart 2025. Op zitting is door de gemachtigde aangegeven dat hij niet weet of belanghebbende op de hoogte is van de zitting. Naar aanleiding hiervan vraagt de rechtbank zich sterk af of belanghebbende van dit beroep en de zitting van vandaag op de hoogte is. Normaliter zou de rechtbank de gemachtigde in de gelegenheid stellen om het verzuim proberen te herstellen, maar gelet op het volgende gaat de rechtbank hiertoe niet over. 3.2. In beroep zijn alleen beroepsgronden aangevoerd tegen de naheffingsaanslag, die met de uitspraak op bezwaar van 30 december 2025 al vernietigd is. Er zijn geen beroepsgronden gericht tegen de aanmaningskosten. Daarbij geldt dat de aanmaningskosten zijn vernietigd omdat de naheffingsaanslag uit coulance is vernietigd. De rechtbank concludeert daarom dat belanghebbende geen procesbelang meer heeft. Conclusie en gevolgen 4. Het beroep is niet-ontvankelijk. Belanghebbende krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten. 5. Partijen zijn gewezen op de mogelijkheid om tegen de mondelinge uitspraak in hoger beroep te gaan op de hieronder omschreven wijze. Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 16 april 2026 door mr. A.M.L.E. Ides Peeters, rechter, in aanwezigheid van mr. Y. de Vos, griffier, en geanonimiseerd gepubliceerd op www.rechtspraak.nl. griffier rechter De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld. Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop dit proces-verbaal is bekendgemaakt. Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch. Artikel 8:24, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Artikel 6:6 van de Awb.
Volledig
ECLI:NL:RBZWB:2026:3316 text/xml public 2026-04-30T09:41:45 2026-04-23 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-04-16 BRE 25/2433 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig Mondelinge uitspraak Proces-verbaal NL Breda Bestuursrecht; Belastingrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:3316 text/html public 2026-04-30T09:41:12 2026-04-30 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBZWB:2026:3316 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 16-04-2026 / BRE 25/2433 Mondelinge uitspraak, aanmaningskosten parkeerbelasting, machtiging, procesbelang, beroep niet-ontvankelijk. RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Zittingsplaats Breda Belastingrecht zaaknummer: BRE 25/2433 proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 april 2026 in de zaak tussen [belanghebbende] , uit [woonplaats] , belanghebbende, en de invorderingsambtenaar van de gemeente Tilburg, de invorderingsambtenaar. Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de invorderingsambtenaar van 8 april 2025. 1.1. De heffingsambtenaar heeft aan belanghebbende met dagtekening 16 januari 2025 een naheffingsaanslag in de parkeerbelasting opgelegd. 1.2. De invorderingsambtenaar heeft aan belanghebbende met dagtekening 15 februari 2025 aanmaningskosten (de aanmaningskosten) met betrekking tot de naheffingsaanslag in rekening gebracht wegens het uitblijven van betaling van de naheffingsaanslag. 1.3. Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de naheffingsaanslag en tegen de aanmaningskosten. De invorderingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende tegen de aanmaningskosten ongegrond verklaard. De heffingsambtenaar heeft later het bezwaar tegen de naheffingsaanslag gegrond verklaard. De naheffingsaanslag is coulance halve vernietigd waardoor ook de aanmaningskosten zijn vernietigd. 1.4. De rechtbank heeft het beroep op 16 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft mr. P.C. van den Aarsen verbonden aan verkeersboete.nl, de gemachtigde van belanghebbende, deelgenomen. Namens de invorderingsambtenaar heeft [gemachtigde] deelgenomen. Belanghebbende was niet aanwezig. 1.5. Na afloop van de zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan. Beslissing 2. De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk en legt hierna uit waarom. Motivering 3. Iemand die namens een ander beroep instelt, moet op verzoek van de rechtbank een machtiging indienen om aan te tonen dat hij namens die ander beroep mag instellen. Als dat niet gebeurt, dan kan de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk verklaren. 3.1. In deze zaak is door verkeersboete.nl een digitale machtiging overgelegd, maar is gebleken dat de handtekening dezelfde is als van die van de digitaal getekende machtiging in bezwaar. De machtigingen hebben dezelfde datum, namelijk 1 maart 2025. Op zitting is door de gemachtigde aangegeven dat hij niet weet of belanghebbende op de hoogte is van de zitting. Naar aanleiding hiervan vraagt de rechtbank zich sterk af of belanghebbende van dit beroep en de zitting van vandaag op de hoogte is. Normaliter zou de rechtbank de gemachtigde in de gelegenheid stellen om het verzuim proberen te herstellen, maar gelet op het volgende gaat de rechtbank hiertoe niet over. 3.2. In beroep zijn alleen beroepsgronden aangevoerd tegen de naheffingsaanslag, die met de uitspraak op bezwaar van 30 december 2025 al vernietigd is. Er zijn geen beroepsgronden gericht tegen de aanmaningskosten. Daarbij geldt dat de aanmaningskosten zijn vernietigd omdat de naheffingsaanslag uit coulance is vernietigd. De rechtbank concludeert daarom dat belanghebbende geen procesbelang meer heeft. Conclusie en gevolgen 4. Het beroep is niet-ontvankelijk. Belanghebbende krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten. 5. Partijen zijn gewezen op de mogelijkheid om tegen de mondelinge uitspraak in hoger beroep te gaan op de hieronder omschreven wijze. Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 16 april 2026 door mr. A.M.L.E. Ides Peeters, rechter, in aanwezigheid van mr. Y. de Vos, griffier, en geanonimiseerd gepubliceerd op www.rechtspraak.nl. griffier rechter De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld. Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop dit proces-verbaal is bekendgemaakt. Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch. Artikel 8:24, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Artikel 6:6 van de Awb.