Rechtspraak Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-04-23
ECLI:NL:RBZWB:2026:3306
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Team jeugd Zittingsplaats: Breda parketnummers: 02-330079-24, 02-050402-25 (TTZ GEV) vonnis van de meervoudige kamer van 23 april 2026 in de strafzaak tegen de minderjarige [verdachte] geboren op [geboortedag] 2008 te [geboorteplaats] wonende te [woonadres] raadsman mr. P.C. Schouten, advocaat te Breda 1 Onderzoek van de zaak De zaak is inhoudelijk behandeld met gesloten deuren op de zitting van 9 april 2026, waarbij de officier van justitie, mr. I. van Hemert, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. 2 De tenlastelegging De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte op 12 oktober 2024 in [plaats 1] samen met een of meer anderen een ontploffing heeft veroorzaakt in/bij een woning (02-330079-24) en dat hij op dezelfde dag in [plaats 2] illegaal vuurwerk in zijn bezit had (02-050402-25). 3 De voorvragen De dagvaarding is geldig. De rechtbank is bevoegd. De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging. Er is geen reden voor schorsing van de vervolging. 4 De beoordeling van het bewijs 4.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie acht de tenlastegelegde feiten wettig en overtuigend bewezen. 4.2 Het standpunt van de verdediging De verdediging refereert zich aan het oordeel van de rechtbank voor wat betreft de bewezenverklaring van brandstichting met gemeen gevaar voor goederen. De verdediging refereert zich eveneens aan het oordeel van de rechtbank betreffende het in bezit hebben van illegaal vuurwerk. 4.3 Het oordeel van de rechtbank De bewijsmiddelen Indien hoger beroep wordt ingesteld zullen de bewijsmiddelen worden uitgewerkt en opgenomen in een bijlage die aan het vonnis zal worden gehecht. Bewijsoverweging 02-330079-24 Levensgevaar/gevaar voor zwaar lichamelijk letsel? De vraag die moet worden beantwoord, is of door de ontploffing en de daaruit ontstane brand in dit specifieke geval en onder de onderhavige feiten en omstandigheden, naast gevaar voor goederen, ook levensgevaar of gevaar voor lichamelijk letsel voor een ander te duchten was, zoals bedoeld in artikel 157 van het Wetboek van Strafrecht. Zodanig gevaar kan aangenomen worden als uit de inhoud van de wettige bewijsmiddelen volgt dat dit levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel naar algemene ervaringsregels voorzienbaar was. Op grond van de bewijsmiddelen stelt de rechtbank het volgende vast. Aan de voorzijde van de woning gelegen aan [adres ] , bij de voordeur, zijn twee vuurwerkbommen tot ontploffing gebracht, bestaande uit meerdere cobra’s met daaraan meerdere bevestigde flessen wasbenzine. Door de ontploffing is in de gang bij de voordeur van de woning brand ontstaan. De doorloopmat bij de voordeur, een vloeistof die de hal inliep en het voordeurkozijn stonden in brand. Aan de binnenzijde van de voordeur was een grote zwarte roetvlek te zien. Ten tijde van de ontploffing waren aangeefster en haar twee kinderen in de woning aanwezig. Aangeefster zat op de bank in de woonkamer. De woonkamer bevindt zich direct naast de gang en de bank stond tegen de muur die aan de gang grenst. De zoon van aangeefster bevond zich in de kamer boven de voordeur en de dochter van aangeefster was beneden in een kamer onder de woonkamer. De rechtbank acht het een feit van algemene bekendheid dat het afsteken van een vuurwerkbom die bestaat uit zwaar illegaal vuurwerk met daaraan vastgemaakt een fles met brandversnellende vloeistof een grote explosieve kracht heeft en potentieel veel schade kan aanrichten voor goederen en personen die zich in de directe omgeving van de ontploffing bevinden. Het optreden van levensgevaar en zwaar lichamelijk letsel is dan ook een te voorzien gevolg wanneer een dergelijke vuurwerkbom tot ontploffing wordt gebracht in de nabijheid van een woning waarin zich personen bevinden. Dit gevaar is hier ook daadwerkelijk ontstaan. Door de ontploffing is immers brand in de gang bij de Het heeft bovendien een grote impact op het gehele gezin gehad. Verdachte heeft het feit gepleegd omdat hij naar eigen zeggen al jarenlang werd gepest, bedreigd en afgeperst door [de zoon van aangeefster] , die ook in de woning aanwezig was. Verdachte wilde hem intimideren om ervoor te zorgen dat de bedreigingen en afpersingen nu eindelijk eens zouden stoppen. Als hiervan daadwerkelijk sprake was en hij in een daad van wanhoop heeft gehandeld, dan gaat deze reactie naar het oordeel van de rechtbank alle proporties te buiten. Verdachte heeft kennelijk geen moment stilgestaan bij de gevolgen die een dergelijke daad zou kunnen hebben. De rechtbank is tevens van oordeel dat er geen sprake is van handelen in een opwelling. Verdachte heeft immers langer met de gedachte rond gelopen om een vuurwerkbom bij de woning af te steken en heeft dan ook de kans gehad om zich te bedenken, hetgeen hij niet heeft gedaan. Verdachte heeft zich ook schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van twee Cobra’s en 45 nitraten, zijnde professioneel vuurwerk waarvan het particulier gebruik zonder vergunning verboden is. Het vuurwerk was opgeslagen in de schuur van verdachte nabij de woning, met alle risico’s van dien voor de personen en goederen in de omgeving. Door zijn handelwijze heeft verdachte aanzienlijke veiligheidsrisico’s genomen. De persoon van verdachte Verdachte was zestien jaar oud ten tijde van het plegen van de feiten en is ten tijde van het wijzen van dit vonnis zeventien jaar oud. Verdachte heeft twee dagen in voorlopige hechtenis gezeten en deze hechtenis is vervolgens geschorst onder algemene en bijzondere voorwaarden, waaronder een periode van (maximaal) zes maanden huisarrest. Verdachte is volgens zijn strafblad van 24 februari 2026 niet eerder veroordeeld voor strafbare feiten. Uit het rapport van de Raad van 2 april 2026 volgt dat verdachte zich er inmiddels van bewust is dat wat hij heeft gedaan niet kan en dat hij anders had moeten handelen. Verdachte heeft ook ingezien dat er iets moest veranderen in zijn leven en hij heeft hier de afgelopen anderhalf jaar hard aan gewerkt met behulp van begeleiding en therapie. Verdachte heeft zijn leven inmiddels positief ingericht. Hij werkt fulltime, heeft een vriendin en hij heeft toekomstplannen. Ook heeft hij afstand gedaan van zijn antisociale contacten. Deze positieve wending dient volgens de Raad niet te worden doorkruist door het opleggen van een onvoorwaardelijke jeugddetentie. Om ervoor te zorgen dat verdachte zijn positieve lijn voortzet en de kans op recidive te verkleinen, vindt de Raad voortzetting van hulpverlening en toezicht van de jeugdreclassering hierop nodig. Om te benadrukken dat wat verdachte heeft gedaan echt niet kan en dat dit handelen consequenties heeft, adviseert de Raad om aan verdachte een voorwaardelijke jeugddetentie en een werkstraf op te leggen, met als bijzondere voorwaarden het blijven meewerken aan hulpverlening, het meewerken aan aanvullende hulpverlening en een meldplicht. De zittingsvertegenwoordiger van de Raad heeft hier op zitting aan toegevoegd dat volstaan kan worden met een proeftijd van één jaar, omdat verdachte al anderhalf jaar erg hard aan zichzelf heeft gewerkt en zich goed aan de voorwaarden heeft gehouden. De jeugdreclassering heeft op zitting aangegeven de positieve lijn van verdachte ook te hebben waargenomen. Daarbij is gezien dat verdachte hard aan zichzelf heeft gewerkt. Verdachte heeft aangegeven te willen toewerken naar zelfstandig wonen met behulp van ambulante begeleiding. De jeugdreclassering wil hem hier de komende periode in bijstaan. De jeugdreclassering kan zich vinden in het advies van de Raad. De strafoplegging Bij het bepalen van de straf houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn gepleegd en de persoon van verdachte. Daarnaast houdt de rechtbank rekening met straffen die in soortgelijke gevallen worden opgelegd. In strafverminderende zin houdt de rechtbank De rechtbank is van oordeel dat de aard en de ernst van de normschending, zoals hiervoor benoemd, meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde partij zo voor de hand liggen dat een aantasting in de persoon dient te worden aangenomen. Gelet op alle omstandigheden en rekening houdend met wat in soortgelijke zaken wordt toegekend, acht de rechtbank een bedrag van € 3.500,- billijk. De rechtbank zal dat bedrag daarom toewijzen. Deze schade staat ook in een voldoende verband met het bewezenverklaarde handelen van verdachte, zodat ook sprake is van schade die rechtstreeks is toegebracht door het bewezenverklaarde feit. De rechtbank zal de benadeelde partij voor het overige deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaren, zodat de benadeelde dit deel bij de burgerlijke rechter kan voorleggen. [benadeelde partij 1] De benadeelde partij [benadeelde partij 1] vordert voor het feit met parketnummer 02-330079-24 een schadevergoeding van € 5.051,99 bestaande uit € 51,99 materiële schade en € 5.000,- immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Materieel De materiële schade van € 51,99 bestaat uit aanschafkosten van een beveiligingscamera. Deze kosten zijn voldoende onderbouwd en komen de rechtbank ook niet onrechtmatig of ongegrond voor en zullen daarom worden toegekend. Immaterieel De benadeelde partij heeft gesteld dat hij thuis kwam vlak nadat de ontploffing had plaatsgevonden en brand in en aan zijn woning was ontstaan. De benadeelde partij trof zijn gezin aldaar angstig en in paniek aan. Deze situatie heeft bij de benadeelde partij geleid tot boosheid, verdriet en spanningen thuis. Hoewel de rechtbank begrijpt dat het een grote impact op de benadeelde partij moet hebben gehad om zijn gezin in een dergelijke situatie aan te treffen, is de rechtbank van oordeel dat de nadelige gevolgen voor de benadeelde partij niet zo voor de hand liggen dat zonder nadere onderbouwing kan worden aangenomen dat sprake is van een aantasting in de persoon. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de benadeelde partij op het moment van de ontploffing zelf niet thuis was. Ook de directe gevolgen voor zijn vrouw en kinderen die op het moment van de ontploffing wel thuis waren, en waarmee de benadeelde partij werd geconfronteerd, maken dit oordeel niet anders. Nu psychisch letsel evenmin kan worden vastgesteld, komt de rechtbank niet tot het toekennen van een immateriële schadevergoeding aan de benadeelde partij. De rechtbank zal de benadeelde niet-ontvankelijk verklaren in dat deel van de vordering, zodat de benadeelde dit deel bij de burgerlijke rechter kan voorleggen. [benadeelde partij 2] De benadeelde partij [benadeelde partij 2] vordert voor het feit met parketnummer 02-330079-24 een schadevergoeding van € 7.500,-, bestaande uit immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De benadeelde is ’s avonds laat, in zijn woning, geconfronteerd met een enorme explosie, doordat tegen de voordeur vuurwerkbommen tot ontploffing zijn gebracht, waarna er brand aan de voordeur en in de hal van de woning is ontstaan. De benadeelde partij bevond zich op dat moment in zijn slaapkamer welke zich boven de voordeur bevindt. Direct na de knallen is de benadeelde partij naar beneden gerend en trof hij zijn moeder in paniek aan, terwijl zij de brand probeerde te blussen. Deze situatie heeft een enorme impact op hem gehad. Hij heeft er angsten aan over gehouden en de ontploffing is nog steeds een emotioneel beladen onderwerp voor hem. De rechtbank is van oordeel dat de aard en de ernst van de normschending, zoals hiervoor benoemd, meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde partij zo voor de hand liggen dat een aantasting in de persoon dient te worden aangenomen. Gelet op alle omstandigheden en rekening houdend met wat in soortgelijke zaken wordt toegekend, acht 9 De beslissing De rechtbank: Bewezenverklaring - verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.5 is omschreven; - spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd; Strafbaarheid - verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert: 02-330079-24 : medeplegen van opzettelijk een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen, levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is ; 02-050402-25 : overtreding van een voorschrift, gesteld krachtens artikel 9.2.2.1 van de Wet milieubeheer, opzettelijk begaan ; - verklaart verdachte strafbaar; Strafoplegging -veroordeelt verdachte tot een jeugddetentie van 122 (honderdtweeëntwintig) dagen waarvan 120 (honderdtwintig) dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 1 (één) jaar; - bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van dit vonnis in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde jeugddetentie conform artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht; - bepaalt dat de voorwaardelijke jeugddetentie niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit; - stelt als algemene voorwaarde dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit; - stelt als bijzondere voorwaarden dat verdachte: * mee blijft werken aan de hulpverlening vanuit [stichting] , zolang deze volgens de jeugdreclassering is geïndiceerd;* meewerkt aan aanvullende hulpverlening, als de jeugdreclassering deze nodig acht;* zich gedurende een door Stichting Jeugdbescherming Brabant, locatie Etten-Leur, afdeling jeugdreclassering, te bepalen periode (die loopt tot maximaal het einde van de proeftijd) en op door de jeugdreclassering te bepalen tijdstippen zal melden bij de reclassering, zo frequent en zo lang deze instelling dat noodzakelijk acht; - geeft hierbij opdracht aan de gecertificeerde instelling Stichting Jeugdbescherming Brabant, locatie Etten-Leur, tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden; - bepaalt dat van rechtswege gelden de voorwaarden: * dat verdachte ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit, medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage zal aanbieden; * dat verdachte medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, de medewerking van huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen; -veroordeelt verdachte tot een taakstraf in de vorm van een werkstraf van 200 (tweehonderd) uren te vervangen door 100 (honderd) dagen jeugddetentie; Benadeelde partijen inzake 02-330079-24 : [aangeefster] - veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [aangeefster] van € 3.500,00 aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 12 oktober 2024 tot aan de dag der voldoening; - veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot nu toe begroot op nihil; - bepaalt dat verdachte met de mededader(s) hoofdelijk aansprakelijk is voor het gehele bedrag; - verklaart de vordering voor het overige niet-ontvankelijk; - legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [aangeefster] , € 3.500,00 aan immateriële schade te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 12 oktober 2024 tot aan de dag der voldoening; - bepaalt dat bij niet betaling 0 dagen gijzeling kan worden toegepast, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft; - bepaalt dat verdachte met de mededader(s) hoofdelijk aansprakelijk is voor het gehele