Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2026-01-14
ECLI:NL:RBZWB:2026:3286
Civiel recht
Bodemzaak
2,615 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBZWB:2026:3286 text/xml public 2026-05-12T09:12:37 2026-04-22 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-01-14 11502846 CV EXPL 25-364 (E) Uitspraak Bodemzaak NL Bergen op Zoom Civiel recht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:3286 text/html public 2026-05-11T15:31:07 2026-05-12 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBZWB:2026:3286 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 14-01-2026 / 11502846 CV EXPL 25-364 (E) Vrijwaring RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Civiel recht Kantonrechter Zittingsplaats Bergen op Zoom Zaaknummer: 11502846 \ CV EXPL 25-364 Vonnis van 14 januari 2026 in de zaak van [eiser] , te [plaats 1] , eiser in vrijwaring, hierna te noemen: [eiser] , gemachtigde: mr. D. Swildens en mr. S.C. Wispelweij, tegen [gedaagde] , te [plaats 2] , gedaagde in vrijwaring, hierna te noemen: [gedaagde] , gemachtigde: mr. H.K. Jap-A-Joe. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - het tussenvonnis van 5 maart 2025 met de daarin genoemde stukken, - de mondelinge behandeling van 9 december 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt. 1.2. Deze zaak is tijdens de mondelinge behandeling van 9 december 2025 gezamenlijk behandeld met de (hoofd)zaak die bij deze rechtbank bekend is onder zaaknummer 11249347 \ CV EXPL 24-2617. Na sluiting van de mondelinge behandeling is bepaald dat vandaag in beide zaken gescheiden vonnis wordt gewezen. 1.3. Aan de zijde van [gedaagde] is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niemand verschenen tijdens de mondelinge behandeling. Van de gemachtigde van [gedaagde] is bericht ontvangen dat hij niet aanwezig zal zijn op de mondelinge behandeling. Er is geen bericht ontvangen waarin is verzocht om uitstel of anderszins een reden voor verhindering is vermeld. 2 Het geschil en de beoordeling 2.1. [eiser] vordert - samengevat - dat [gedaagde] , uitvoerbaar bij voorraad, wordt veroordeeld om aan [eiser] te betalen datgene waartoe [eiser] als gedaagde in de hoofdzaak jegens [naam 1] (als eiser in de hoofdzaak) mocht worden veroordeeld, inclusief kostenveroordeling, met veroordeling van [gedaagde] in de kosten van de vrijwaring met de wettelijke rente. 2.2. [gedaagde] voert verweer. [gedaagde] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eiser] , dan wel tot afwijzing van de vordering van [eiser] , met veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure. 2.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan. 2.4. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [eiser] toegelicht dat [gedaagde] zonder zijn toestemming heeft gehandeld door in naam van [bedrijf] , de (voormalige) eenmanszaak van [eiser] , een overeenkomst met [naam 1] aan te gaan voor werkzaamheden aan de woning van [naam 1] . Deze werkzaamheden heeft [gedaagde] volgens [naam 1] , ondersteund door een rapport van TOP Expertise, niet volledig uitgevoerd. [gedaagde] heeft daarmee onrechtmatig gehandeld jegens [eiser] zodat [gedaagde] de schade die [eiser] daardoor lijdt, zijnde de vervangende schadevergoeding die [naam 1] in de hoofdzaak van [eiser] vordert, moet betalen. Door het niet verschijnen van [gedaagde] is de toelichting van [eiser] onweersproken gebleven en staat daarmee vast. 2.5. Het verweer van [gedaagde] in de conclusie van antwoord dat hij geen offerte heeft verzonden en dat hij, samen met een persoon die hij als [naam 2] heeft leren kennen, heeft gewerkt aan een door [eiser] aangenomen project, wordt verworpen. [eiser] heeft namelijk een geluidsfragment overgelegd waarop volgens [eiser] behalve hijzelf [gedaagde] is te horen en waarin [gedaagde] heeft erkend dat hij een overeenkomst met [naam 1] is aangegaan. Dit is door [gedaagde] niet betwist. 2.6. Gelet op het voorgaande wordt de vordering van [eiser] in vrijwaring toegewezen. 2.7. [gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden vastgesteld op: - kosten van de dagvaarding € 145,45 - griffierecht € 257,00 - salaris gemachtigde € 812,00 (2 punten × € 406,00) - nakosten € 135,00 (plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 1.349,45 2.8. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing. 3 De beslissing De kantonrechter 3.1. veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan [eiser] van al datgene waartoe [eiser] als gedaagde in de hoofdzaak, het vonnis van 14 januari 2026 van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, bekend onder zaaknummer 11249347 \ CV EXPL 24-2617, ten behoeve van [naam 1] is veroordeeld; 3.2. veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten waarvan € 1.349,45 te betalen aan [eiser] binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, 3.3. veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald, 3.4. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad, 3.5. wijst het meer of anders gevorderde af. Dit vonnis is gewezen door mr. Van Dam en in het openbaar uitgesproken op 14 januari 2026.
Volledig
ECLI:NL:RBZWB:2026:3286 text/xml public 2026-05-12T09:12:37 2026-04-22 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-01-14 11502846 CV EXPL 25-364 (E) Uitspraak Bodemzaak NL Bergen op Zoom Civiel recht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:3286 text/html public 2026-05-11T15:31:07 2026-05-12 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBZWB:2026:3286 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 14-01-2026 / 11502846 CV EXPL 25-364 (E) Vrijwaring RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Civiel recht Kantonrechter Zittingsplaats Bergen op Zoom Zaaknummer: 11502846 \ CV EXPL 25-364 Vonnis van 14 januari 2026 in de zaak van [eiser] , te [plaats 1] , eiser in vrijwaring, hierna te noemen: [eiser] , gemachtigde: mr. D. Swildens en mr. S.C. Wispelweij, tegen [gedaagde] , te [plaats 2] , gedaagde in vrijwaring, hierna te noemen: [gedaagde] , gemachtigde: mr. H.K. Jap-A-Joe. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - het tussenvonnis van 5 maart 2025 met de daarin genoemde stukken, - de mondelinge behandeling van 9 december 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt. 1.2. Deze zaak is tijdens de mondelinge behandeling van 9 december 2025 gezamenlijk behandeld met de (hoofd)zaak die bij deze rechtbank bekend is onder zaaknummer 11249347 \ CV EXPL 24-2617. Na sluiting van de mondelinge behandeling is bepaald dat vandaag in beide zaken gescheiden vonnis wordt gewezen. 1.3. Aan de zijde van [gedaagde] is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niemand verschenen tijdens de mondelinge behandeling. Van de gemachtigde van [gedaagde] is bericht ontvangen dat hij niet aanwezig zal zijn op de mondelinge behandeling. Er is geen bericht ontvangen waarin is verzocht om uitstel of anderszins een reden voor verhindering is vermeld. 2 Het geschil en de beoordeling 2.1. [eiser] vordert - samengevat - dat [gedaagde] , uitvoerbaar bij voorraad, wordt veroordeeld om aan [eiser] te betalen datgene waartoe [eiser] als gedaagde in de hoofdzaak jegens [naam 1] (als eiser in de hoofdzaak) mocht worden veroordeeld, inclusief kostenveroordeling, met veroordeling van [gedaagde] in de kosten van de vrijwaring met de wettelijke rente. 2.2. [gedaagde] voert verweer. [gedaagde] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eiser] , dan wel tot afwijzing van de vordering van [eiser] , met veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure. 2.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan. 2.4. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [eiser] toegelicht dat [gedaagde] zonder zijn toestemming heeft gehandeld door in naam van [bedrijf] , de (voormalige) eenmanszaak van [eiser] , een overeenkomst met [naam 1] aan te gaan voor werkzaamheden aan de woning van [naam 1] . Deze werkzaamheden heeft [gedaagde] volgens [naam 1] , ondersteund door een rapport van TOP Expertise, niet volledig uitgevoerd. [gedaagde] heeft daarmee onrechtmatig gehandeld jegens [eiser] zodat [gedaagde] de schade die [eiser] daardoor lijdt, zijnde de vervangende schadevergoeding die [naam 1] in de hoofdzaak van [eiser] vordert, moet betalen. Door het niet verschijnen van [gedaagde] is de toelichting van [eiser] onweersproken gebleven en staat daarmee vast. 2.5. Het verweer van [gedaagde] in de conclusie van antwoord dat hij geen offerte heeft verzonden en dat hij, samen met een persoon die hij als [naam 2] heeft leren kennen, heeft gewerkt aan een door [eiser] aangenomen project, wordt verworpen. [eiser] heeft namelijk een geluidsfragment overgelegd waarop volgens [eiser] behalve hijzelf [gedaagde] is te horen en waarin [gedaagde] heeft erkend dat hij een overeenkomst met [naam 1] is aangegaan. Dit is door [gedaagde] niet betwist. 2.6. Gelet op het voorgaande wordt de vordering van [eiser] in vrijwaring toegewezen. 2.7. [gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden vastgesteld op: - kosten van de dagvaarding € 145,45 - griffierecht € 257,00 - salaris gemachtigde € 812,00 (2 punten × € 406,00) - nakosten € 135,00 (plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 1.349,45 2.8. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing. 3 De beslissing De kantonrechter 3.1. veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan [eiser] van al datgene waartoe [eiser] als gedaagde in de hoofdzaak, het vonnis van 14 januari 2026 van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, bekend onder zaaknummer 11249347 \ CV EXPL 24-2617, ten behoeve van [naam 1] is veroordeeld; 3.2. veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten waarvan € 1.349,45 te betalen aan [eiser] binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, 3.3. veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald, 3.4. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad, 3.5. wijst het meer of anders gevorderde af. Dit vonnis is gewezen door mr. Van Dam en in het openbaar uitgesproken op 14 januari 2026.