Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2026-04-22
ECLI:NL:RBZWB:2026:3276
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,665 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBZWB:2026:3276 text/xml public 2026-04-29T13:55:46 2026-04-22 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-04-22 25/4357 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Breda Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:3276 text/html public 2026-04-29T13:55:20 2026-04-29 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBZWB:2026:3276 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 22-04-2026 / 25/4357 N-O termijnoverschrijding niet verontschuldigbaar RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Bestuursrecht zaaknummer: BRE 25/4357 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 april 2026 in de zaak tussen [eiser] h.o.d.n. [handelsnaam], uit [plaats], eiser (gemachtigde: [gemachtigde]), en de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, verweerder. Inleiding 1. In deze uitspraak beslist de rechtbank over het beroep van eiser tegen het bestreden besluit van de minister van 27 februari 2025, met kenmerk [kenmerk], over de zesde aanvraagperiode van Vierde tijdelijke Noodmaatregel Overbrugging voor behoud van Werkgelegenheid (NOW). 1.1. Omdat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. Beoordeling door de rechtbank 2. De rechtbank komt tot het oordeel dat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is omdat het te laat is ingediend en het te laat indienen niet verschoonbaar is. De rechtbank legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt. Toetsingskader 3. Voor het indienen van een beroepschrift geldt een termijn van zes weken. Deze termijn begint op de dag na de dag waarop het besluit op de wettelijk voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. Dat is in dit soort gevallen de dag na de dag waarop het besluit is toegezonden/gepubliceerd. Een beroepschrift is op tijd ingediend wanneer het voor het einde van de termijn is ontvangen. 3.1. Als iemand een beroepschrift te laat indient, verklaart de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk. Dat is alleen anders als het niet tijdig indienen van het beroepschrift verontschuldigbaar is. Dan laat de rechtbank niet-ontvankelijkverklaring op grond van die te late indiening achterwege. Is het beroep te laat ingediend? 4. Uit het dossier komt naar voren dat de minister het bestreden besluit bekend heeft gemaakt op 27 februari 2025, zodat de termijn voor het indienen van een beroepschrift eindigde op 10 april 2025. 4.1. Eiser heeft op 21 augustus 2025 digitaal beroep ingesteld. Het beroepschrift is dus niet tijdig ingediend. Is het te laat indienen verontschuldigbaar? 5. Eiser stelt dat de termijnoverschrijding niet aan hem te wijten is, maar aan zijn toenmalige gemachtigde. Die gemachtigde heeft verzuimd tijdig beroep in te stellen. Eiser verkeerde in de veronderstelling dat alle mogelijke en noodzakelijke rechtsmiddelen werden aangewend. Hij kwam er pas achter dat er geen beroep was ingediend toen hij de brief van de rechtbank ontving. Daarnaast kampte eiser in de periode tussen februari en augustus 2025 met hartproblemen en relationele moeilijkheden. Deze omstandigheden hebben ervoor gezorgd dat hij niet in staat was de voortgang van zijn zaken adequaat te controleren en te bevragen bij zijn gemachtigde. 5.1. De rechtbank ziet in wat eiser heeft aangevoerd geen aanleiding om de termijn-overschrijding verontschuldigbaar te achten. Eiser werd tijdens de bezwaarprocedure bijgestaan door zijn boekhouder als gemachtigde. Volgens vaste rechtspraak komt het handelen of het nalaten van de gemachtigde voor risico van eiser. Van een gemachtigde mag worden verwacht dat deze de termijn bewaakt en zo nodig een beroepschrift indient dan wel zijn cliënt informeert. In de overige door eiser aangevoerde omstandigheden ziet de rechtbank evenmin aanleiding om de termijnoverschrijding verontschuldigbaar te achten. Eiser heeft geen medische stukken overgelegd waaruit blijkt dat hij vanwege hartproblemen niet in staat was de voortgang van zijn zaak te controleren of contact op te nemen met zijn gemachtigde. Ook relationele problemen kunnen geen verontschuldiging vormen voor de termijn-overschrijding. Conclusie en gevolgen 6. Het beroep is daarom niet-ontvankelijk. Dat betekent dat de rechtbank het beroep niet inhoudelijk beoordeelt en dat het bestreden besluit in stand blijft. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk. Deze uitspraak is gedaan op 22 april 2026 door mr. M. Breeman, rechter, in aanwezigheid van mr. L.M.E. Strijbos, griffier en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over verzet Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden. Dit volgt uit artikel 6:7 van de Awb. Dit volgt uit artikel 6:8, eerste lid, van de Awb. Dit volgt uit artikel 6:9, eerste lid, van de Awb. Dit volgt uit artikel 6:11 van de Awb.
Volledig
ECLI:NL:RBZWB:2026:3276 text/xml public 2026-04-29T13:55:46 2026-04-22 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-04-22 25/4357 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Breda Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:3276 text/html public 2026-04-29T13:55:20 2026-04-29 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBZWB:2026:3276 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 22-04-2026 / 25/4357 N-O termijnoverschrijding niet verontschuldigbaar RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Bestuursrecht zaaknummer: BRE 25/4357 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 april 2026 in de zaak tussen [eiser] h.o.d.n. [handelsnaam], uit [plaats], eiser (gemachtigde: [gemachtigde]), en de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, verweerder. Inleiding 1. In deze uitspraak beslist de rechtbank over het beroep van eiser tegen het bestreden besluit van de minister van 27 februari 2025, met kenmerk [kenmerk], over de zesde aanvraagperiode van Vierde tijdelijke Noodmaatregel Overbrugging voor behoud van Werkgelegenheid (NOW). 1.1. Omdat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. Beoordeling door de rechtbank 2. De rechtbank komt tot het oordeel dat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is omdat het te laat is ingediend en het te laat indienen niet verschoonbaar is. De rechtbank legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt. Toetsingskader 3. Voor het indienen van een beroepschrift geldt een termijn van zes weken. Deze termijn begint op de dag na de dag waarop het besluit op de wettelijk voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. Dat is in dit soort gevallen de dag na de dag waarop het besluit is toegezonden/gepubliceerd. Een beroepschrift is op tijd ingediend wanneer het voor het einde van de termijn is ontvangen. 3.1. Als iemand een beroepschrift te laat indient, verklaart de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk. Dat is alleen anders als het niet tijdig indienen van het beroepschrift verontschuldigbaar is. Dan laat de rechtbank niet-ontvankelijkverklaring op grond van die te late indiening achterwege. Is het beroep te laat ingediend? 4. Uit het dossier komt naar voren dat de minister het bestreden besluit bekend heeft gemaakt op 27 februari 2025, zodat de termijn voor het indienen van een beroepschrift eindigde op 10 april 2025. 4.1. Eiser heeft op 21 augustus 2025 digitaal beroep ingesteld. Het beroepschrift is dus niet tijdig ingediend. Is het te laat indienen verontschuldigbaar? 5. Eiser stelt dat de termijnoverschrijding niet aan hem te wijten is, maar aan zijn toenmalige gemachtigde. Die gemachtigde heeft verzuimd tijdig beroep in te stellen. Eiser verkeerde in de veronderstelling dat alle mogelijke en noodzakelijke rechtsmiddelen werden aangewend. Hij kwam er pas achter dat er geen beroep was ingediend toen hij de brief van de rechtbank ontving. Daarnaast kampte eiser in de periode tussen februari en augustus 2025 met hartproblemen en relationele moeilijkheden. Deze omstandigheden hebben ervoor gezorgd dat hij niet in staat was de voortgang van zijn zaken adequaat te controleren en te bevragen bij zijn gemachtigde. 5.1. De rechtbank ziet in wat eiser heeft aangevoerd geen aanleiding om de termijn-overschrijding verontschuldigbaar te achten. Eiser werd tijdens de bezwaarprocedure bijgestaan door zijn boekhouder als gemachtigde. Volgens vaste rechtspraak komt het handelen of het nalaten van de gemachtigde voor risico van eiser. Van een gemachtigde mag worden verwacht dat deze de termijn bewaakt en zo nodig een beroepschrift indient dan wel zijn cliënt informeert. In de overige door eiser aangevoerde omstandigheden ziet de rechtbank evenmin aanleiding om de termijnoverschrijding verontschuldigbaar te achten. Eiser heeft geen medische stukken overgelegd waaruit blijkt dat hij vanwege hartproblemen niet in staat was de voortgang van zijn zaak te controleren of contact op te nemen met zijn gemachtigde. Ook relationele problemen kunnen geen verontschuldiging vormen voor de termijn-overschrijding. Conclusie en gevolgen 6. Het beroep is daarom niet-ontvankelijk. Dat betekent dat de rechtbank het beroep niet inhoudelijk beoordeelt en dat het bestreden besluit in stand blijft. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk. Deze uitspraak is gedaan op 22 april 2026 door mr. M. Breeman, rechter, in aanwezigheid van mr. L.M.E. Strijbos, griffier en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over verzet Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden. Dit volgt uit artikel 6:7 van de Awb. Dit volgt uit artikel 6:8, eerste lid, van de Awb. Dit volgt uit artikel 6:9, eerste lid, van de Awb. Dit volgt uit artikel 6:11 van de Awb.