Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2026-04-22
ECLI:NL:RBZWB:2026:3263
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,561 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBZWB:2026:3263 text/xml public 2026-04-28T13:13:29 2026-04-22 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-04-22 BRE 26/1256 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Breda Bestuursrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:3263 text/html public 2026-04-28T13:12:50 2026-04-28 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBZWB:2026:3263 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 22-04-2026 / BRE 26/1256 NTB RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Bestuursrecht zaaknummer: BRE 26/1256 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 april 2026 in de zaak tussen [eiseres] B.V., uit [plaats], eiseres (gemachtigde: mr. N.W.J. van der Stokker-Welsink), en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen , het UWV. Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep dat eiseres heeft ingesteld, omdat het UWV volgens haar niet op tijd heeft beslist op het bezwaar tegen het besluit van 16 september 2024 over een wijziging van een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) van [ex-werkneemster], een (ex-)werkneemster van eiseres. 1.1. Omdat het beroep kennelijk gegrond is doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. Beoordeling door de rechtbank 2. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift, kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na die twee weken nog steeds geen besluit is, dan kan de betrokkene beroep instellen. Is het beroep kennelijk gegrond? 3. Het beroep is kennelijk gegrond. Niet in geschil is dat er sprake is van een overschrijding van de beslistermijn. Eiseres heeft het UWV op 23 december 2025 in gebreke gesteld en sindsdien zijn twee weken voorbijgegaan. Welke beslistermijn wordt aan het UWV opgelegd? 4. Omdat het UWV nog geen besluit heeft genomen, bepaalt de rechtbank dat het UWV dit alsnog moet doen. 4.1. Op grond van artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb moet het UWV dit doen binnen twee weken na het verzenden van deze uitspraak. In bijzondere gevallen of als dit vanwege een wettelijk voorschrift nodig is, kan de rechtbank op grond van het derde lid een andere termijn geven of een andere voorziening treffen. 4.2. Het UWV heeft in het verweerschrift van 20 maart 2026 aangegeven dat de reden van het overschrijden van de beslistermijn grotendeels is gelegen in het tekort aan verzekeringsartsen. Hierdoor heeft het lang geduurd tot de (ex-)werkneemster van eiseres op een spreekuur kon verschijnen. 4.3. Naar het oordeel van de rechtbank moet een termijn recht doen aan de reële mogelijkheden om op het bezwaar te beslissen, maar ook aan het belang om binnen afzienbare tijd een beslissing te ontvangen. Een langere termijn dan twee weken acht de rechtbank in dit geval aangewezen vanwege het belang van een zorgvuldige besluitvorming. In dit geval acht de rechtbank het redelijk dat het UWV vier maanden de tijd krijgt om alsnog te beslissen op het bezwaar. Legt de rechtbank het UWV een termijn op voor overige proceshandelingen in de bezwaarprocedure? 5. In het beroepschrift wordt de rechtbank verzocht om het UWV op te dragen binnen twee weken, althans een door de rechtbank vast te stellen termijn, de gemachtigde van eiseres de stukken van het door het UWV alsnog uitgevoerde verzekeringsgeneeskundig en arbeidsdeskundig onderzoek toe te zenden. Daarbij wordt de rechtbank verzocht het UWV een termijn op te leggen om eiseres in de gelegenheid te stellen om gronden van bezwaar in te dienen. De rechtbank overweegt dat eiseres deze proceshandelingen met het UWV kan afstemmen in de lopende bezwaarprocedure. Welke dwangsom wordt aan het UWV opgelegd? 6. De rechtbank bepaalt dat het UWV een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de beslistermijn nu nog wordt overschreden door het UWV. Daarbij geldt wel een maximum van € 15.000,-. Stelt de rechtbank de bestuurlijke dwangsom vast? 7. Eiseres heeft verzocht om de dwangsom vast te stellen. Als een bestuursorgaan een besluit niet op tijd neemt, moet het bestuursorgaan een dwangsom betalen voor elke dag dat het te laat is, voor maximaal 42 dagen. De dwangsom bedraagt de eerste veertien dagen € 23,- per dag, de daaropvolgende veertien dagen € 35,- per dag en de overige dagen € 45,- per dag. Het bestuursorgaan stelt de dwangsom vast binnen twee weken na de laatste dag waarover de dwangsom betaald moet worden. 7.1. Uit de stukken blijkt dat sinds twee weken na ontvangst van de ingebrekestelling meer dan 42 dagen zijn verstreken. De rechtbank stelt de bestuurlijke dwangsom vast op het maximale bedrag van € 1.442,- . Conclusie en gevolgen 8. Het beroep is kennelijk gegrond. Dat betekent dat eiseres gelijk krijgt, het UWV de onder 4.3. genoemde termijn krijgt om alsnog een besluit te nemen en aan het UWV de onder 6. genoemde dwangsom wordt opgelegd. De rechtbank stelt ook de door het UWV al verschuldigde bestuurlijke dwangsom vast zoals onder 7. berekend. 8.1. Omdat het beroep gegrond is moet het UWV het griffierecht aan eiseres vergoeden en krijgt eiseres ook een vergoeding voor haar proceskosten. Het UWV moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 467,- omdat de gemachtigde van eiseres een beroepschrift heeft ingediend en de zaak alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden. Beslissing De rechtbank: verklaart het beroep gegrond; vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit; draagt het UWV op binnen vier maanden na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een besluit op bezwaar bekend te maken; - bepaalt dat het UWV aan eiseres een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee het UWV de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,- ; - stelt de door het UWV te betalen dwangsom vast op € 1.442,- ; bepaalt dat het UWV het griffierecht van € 397,- aan eiseres moet vergoeden; veroordeelt het UWV tot betaling van € 467,- aan proceskosten aan eiseres. Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Breeman, rechter, in aanwezigheid van I. Ambachtsheer, griffier, op 22 april 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over verzet Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden. Dit staat (onder andere) in artikel 6:12 van de Awb. Dit staat in artikel 4:17 en 4:18, eerste lid, van de Awb.
Volledig
ECLI:NL:RBZWB:2026:3263 text/xml public 2026-04-28T13:13:29 2026-04-22 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-04-22 BRE 26/1256 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Breda Bestuursrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:3263 text/html public 2026-04-28T13:12:50 2026-04-28 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBZWB:2026:3263 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 22-04-2026 / BRE 26/1256 NTB RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Bestuursrecht zaaknummer: BRE 26/1256 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 april 2026 in de zaak tussen [eiseres] B.V., uit [plaats], eiseres (gemachtigde: mr. N.W.J. van der Stokker-Welsink), en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen , het UWV. Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep dat eiseres heeft ingesteld, omdat het UWV volgens haar niet op tijd heeft beslist op het bezwaar tegen het besluit van 16 september 2024 over een wijziging van een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) van [ex-werkneemster], een (ex-)werkneemster van eiseres. 1.1. Omdat het beroep kennelijk gegrond is doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. Beoordeling door de rechtbank 2. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift, kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na die twee weken nog steeds geen besluit is, dan kan de betrokkene beroep instellen. Is het beroep kennelijk gegrond? 3. Het beroep is kennelijk gegrond. Niet in geschil is dat er sprake is van een overschrijding van de beslistermijn. Eiseres heeft het UWV op 23 december 2025 in gebreke gesteld en sindsdien zijn twee weken voorbijgegaan. Welke beslistermijn wordt aan het UWV opgelegd? 4. Omdat het UWV nog geen besluit heeft genomen, bepaalt de rechtbank dat het UWV dit alsnog moet doen. 4.1. Op grond van artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb moet het UWV dit doen binnen twee weken na het verzenden van deze uitspraak. In bijzondere gevallen of als dit vanwege een wettelijk voorschrift nodig is, kan de rechtbank op grond van het derde lid een andere termijn geven of een andere voorziening treffen. 4.2. Het UWV heeft in het verweerschrift van 20 maart 2026 aangegeven dat de reden van het overschrijden van de beslistermijn grotendeels is gelegen in het tekort aan verzekeringsartsen. Hierdoor heeft het lang geduurd tot de (ex-)werkneemster van eiseres op een spreekuur kon verschijnen. 4.3. Naar het oordeel van de rechtbank moet een termijn recht doen aan de reële mogelijkheden om op het bezwaar te beslissen, maar ook aan het belang om binnen afzienbare tijd een beslissing te ontvangen. Een langere termijn dan twee weken acht de rechtbank in dit geval aangewezen vanwege het belang van een zorgvuldige besluitvorming. In dit geval acht de rechtbank het redelijk dat het UWV vier maanden de tijd krijgt om alsnog te beslissen op het bezwaar. Legt de rechtbank het UWV een termijn op voor overige proceshandelingen in de bezwaarprocedure? 5. In het beroepschrift wordt de rechtbank verzocht om het UWV op te dragen binnen twee weken, althans een door de rechtbank vast te stellen termijn, de gemachtigde van eiseres de stukken van het door het UWV alsnog uitgevoerde verzekeringsgeneeskundig en arbeidsdeskundig onderzoek toe te zenden. Daarbij wordt de rechtbank verzocht het UWV een termijn op te leggen om eiseres in de gelegenheid te stellen om gronden van bezwaar in te dienen. De rechtbank overweegt dat eiseres deze proceshandelingen met het UWV kan afstemmen in de lopende bezwaarprocedure. Welke dwangsom wordt aan het UWV opgelegd? 6. De rechtbank bepaalt dat het UWV een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de beslistermijn nu nog wordt overschreden door het UWV. Daarbij geldt wel een maximum van € 15.000,-. Stelt de rechtbank de bestuurlijke dwangsom vast? 7. Eiseres heeft verzocht om de dwangsom vast te stellen. Als een bestuursorgaan een besluit niet op tijd neemt, moet het bestuursorgaan een dwangsom betalen voor elke dag dat het te laat is, voor maximaal 42 dagen. De dwangsom bedraagt de eerste veertien dagen € 23,- per dag, de daaropvolgende veertien dagen € 35,- per dag en de overige dagen € 45,- per dag. Het bestuursorgaan stelt de dwangsom vast binnen twee weken na de laatste dag waarover de dwangsom betaald moet worden. 7.1. Uit de stukken blijkt dat sinds twee weken na ontvangst van de ingebrekestelling meer dan 42 dagen zijn verstreken. De rechtbank stelt de bestuurlijke dwangsom vast op het maximale bedrag van € 1.442,- . Conclusie en gevolgen 8. Het beroep is kennelijk gegrond. Dat betekent dat eiseres gelijk krijgt, het UWV de onder 4.3. genoemde termijn krijgt om alsnog een besluit te nemen en aan het UWV de onder 6. genoemde dwangsom wordt opgelegd. De rechtbank stelt ook de door het UWV al verschuldigde bestuurlijke dwangsom vast zoals onder 7. berekend. 8.1. Omdat het beroep gegrond is moet het UWV het griffierecht aan eiseres vergoeden en krijgt eiseres ook een vergoeding voor haar proceskosten. Het UWV moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 467,- omdat de gemachtigde van eiseres een beroepschrift heeft ingediend en de zaak alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden. Beslissing De rechtbank: verklaart het beroep gegrond; vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit; draagt het UWV op binnen vier maanden na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een besluit op bezwaar bekend te maken; - bepaalt dat het UWV aan eiseres een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee het UWV de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,- ; - stelt de door het UWV te betalen dwangsom vast op € 1.442,- ; bepaalt dat het UWV het griffierecht van € 397,- aan eiseres moet vergoeden; veroordeelt het UWV tot betaling van € 467,- aan proceskosten aan eiseres. Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Breeman, rechter, in aanwezigheid van I. Ambachtsheer, griffier, op 22 april 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over verzet Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden. Dit staat (onder andere) in artikel 6:12 van de Awb. Dit staat in artikel 4:17 en 4:18, eerste lid, van de Awb.