Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2026-04-15
ECLI:NL:RBZWB:2026:3255
Civiel recht
Bodemzaak
8,059 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBZWB:2026:3255 text/xml public 2026-05-12T08:48:10 2026-04-21 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-04-15 C/02/436264 / HA ZA 25-337 (T) Uitspraak Bodemzaak NL Middelburg Civiel recht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:3255 text/html public 2026-05-12T08:47:51 2026-05-12 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBZWB:2026:3255 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 15-04-2026 / C/02/436264 / HA ZA 25-337 (T) Overeenkomst van geldlening. Bevrijdend betaald aan derden? Bewijsopdrachten. RECHTBANK Zeeland-West-Brabant Civiel recht Zittingsplaats Middelburg Zaaknummer: C/02/436264 / HA ZA 25-337 Vonnis van 15 april 2026 in de zaak van [persoon 1] , te [plaats] , eisende partij in conventie, verwerende partij in reconventie, hierna te noemen: [persoon 1] , advocaat: mr. F. Amien, tegen [persoon 2] , te [plaats] , gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie, hierna te noemen: [persoon 2] , advocaat: mr. D. Alblas. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - het tussenvonnis van 10 september 2025 en de daarin genoemde stukken; - de conclusie van antwoord in reconventie met productie 16; - de aanvullende productie 9 zijdens [persoon 2] ; - de aanvullende producties 17 tot en met 21 zijdens [persoon 1] ; - de mondelinge behandeling van 10 februari 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt en waaraan de spreekaantekeningen van partijen zijn gehecht. 1.2. Ter zitting is vonnis bepaald. 2 De feiten 2.1. [persoon 1] heeft op 26 juni 2014 een bedrag van € 125.000,00 tegen een rentepercentage van 1,8% geleend aan [persoon 2] ten behoeve van de aankoop van een woning. De overeenkomst van geldlening is mondeling tot stand gekomen. 2.2. Het leenbedrag is door [persoon 1] betaald via de bankrekening van [B.V. 1] (waarvan [persoon 1] enig bestuurder en aandeelhouder is en waarmee een rekening-courantverhouding bestaat) op de bankrekening van [notaris ] , ten behoeve van [persoon 2] . 2.3. Op 22 februari 2016 zijn de afspraken van de geldleningsovereenkomst schriftelijk vastgelegd in een schuldbekentenis. In deze schuldbekentenis is opgenomen dat op dat moment nog een bedrag van € 122.900,00 openstaat. 3 Het geschil in conventie 3.1. [persoon 1] vordert – samengevat – dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad: primair : I. [persoon 2] zal veroordelen tot betaling van € 122.900,00, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 13 maart 2025 tot de dag van volledige betaling; subsidiair en meer subsidiair: II. [persoon 2] zal veroordelen tot betaling van € 122.900,00; III. [persoon 2] zal veroordelen tot betaling van de contractuele rente en de wettelijke rente over het bedrag genoemd onder II, te rekenen vanaf de datum van betaling van dat bedrag aan de notaris tot de dag van volledige betaling; nog meer subsidiair: IV. [persoon 2] zal veroordelen tot betaling van € 122.900,00 uit hoofde van de gecedeerde vordering; V. [persoon 2] zal veroordelen tot betaling van de contractuele rente en de wettelijke rente over het bedrag genoemd onder IV, te rekenen vanaf de datum van betaling van cessie (14 mei 2025) tot de dag van volledige betaling; alsmede (in alle gevallen): VI. [persoon 2] zal veroordelen in de proceskosten waaronder begrepen de nakosten. 3.2. [persoon 1] legt aan haar vorderingen ten grondslag dat (kort gezegd) [persoon 2] voor het laatst in maart 2022 heeft voldaan aan zijn verplichtingen uit hoofde van de geldleningsovereenkomst. In de jaren 2023, 2024 en 2025 heeft hij geen rente of aflossingen betaald. De geldlening is daarom direct opeisbaar geworden, maar [persoon 1] heeft [persoon 2] ook bij brief van 30 januari 2025 in gebreke gesteld en gesommeerd alsnog tot betaling over te gaan. [persoon 2] heeft zich op het standpunt gesteld dat hij geen schuld heeft aan [persoon 1] . Primair vordert [persoon 1] dan ook nakoming van de geldleningsovereenkomst. Voor zover de rechtbank echter meent dat geen sprake is van een geldleningsovereenkomst, stelt [persoon 1] subsidiair dat de betaling in 2014 aan [persoon 2] is gedaan zonder rechtsgrond. Zij vordert in dat geval dat de prestatie ongedaan gemaakt wordt door terugbetaling van het bedrag. Meer subsidiair voert [persoon 1] aan dat sprake is van ongerechtvaardigde verrijking zijdens [persoon 2] . In dat geval heeft [persoon 1] schade geleden ter hoogte van het aan [persoon 2] betaalde bedrag. Nog meer subsidiair voert [persoon 1] aan dat – voor zover zou worden geoordeeld dat niet zij, maar [B.V. 1] in deze vorderingsgerechtigd is – een vordering uit hoofde van één van de hiervoor genoemde gronden aan haar is gecedeerd. 3.3. [persoon 2] voert verweer. [persoon 2] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [persoon 1] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [persoon 1] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [persoon 1] in de kosten van deze procedure. 3.4. [persoon 2] heeft het bestaan en de inhoud van de geldleningsovereenkomst en de schuldbekentenis erkend. [persoon 2] voert echter aan dat hij de lening in 2022 volledig heeft afgelost. in reconventie 3.5. [persoon 2] vordert – samengevat – dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad: I. Voor recht zal verklaren dat de conservatoire beslaglegging op de woning van [persoon 2] door [persoon 1] onrechtmatig is en dat [persoon 1] daarom de door [persoon 2] geleden en nog te lijden schade aan hem dient te vergoeden; II. [persoon 1] zal veroordelen om binnen vijf dagen na dit vonnis aan [persoon 2] te betalen: Kosten [naam 1] € 1.560,90 Schade vertraging verkoop woning € 5.250,00 Nog door [persoon 2] te lijden schade € P.M. III. [persoon 1] zal veroordelen het beslag verband houdende met deze procedure op te heffen binnen vijf dagen na dit vonnis, op straffe van een dwangsom van € 500,00 per dag tot een maximum van € 50.000,00; IV. Indien [persoon 2] wordt veroordeeld tot betaling van enig bedrag aan [persoon 1] , zal vaststellen aan wie [persoon 2] bevrijdend kan betalen, zodat hij geen enkel betalingsrisico loopt; V. [persoon 1] zal veroordelen in de kosten van de procedure. 3.6. Ter onderbouwing van zijn vorderingen verwijst [persoon 2] naar een (handgeschreven) brief van [persoon 1] aan hem van 27 augustus 2022 waarin staat dat hij op dat moment reeds een deel had afgelost en op dat moment nog € 50.200,00 open stond. In die brief heeft [persoon 1] hem verzocht dit bedrag af te lossen door het over te maken naar de bankrekening van een derde. Dat heeft hij gedaan, waarmee de lening is afgelost. Het beslag op zijn woning is daarom onrechtmatig en [persoon 2] vordert dat de schade die hij dientengevolge heeft geleden door [persoon 1] wordt vergoed. 3.7. [persoon 1] voert verweer. [persoon 1] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [persoon 2] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [persoon 2] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [persoon 2] in de kosten van deze procedure. 3.8. [persoon 1] voert aan dat de betalingen waarnaar [persoon 2] verwijst zijn gedaan aan derden en daarmee niet bevrijdend zijn. Voor wat betreft de handgeschreven verklaringen voert zij aan dat zij onder dwang van verschillende partijen verklaringen heeft afgegeven, waarvan zij zich de inhoud niet kan herinneren. in conventie en in reconventie 3.9. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan. 4 De beoordeling in conventie 4.1. Vooropgesteld wordt dat [persoon 2] nadrukkelijk heeft erkend dat tussen hem en [persoon 1] een mondelinge geldleningsovereenkomst tot stand is gekomen welke later schriftelijk is vastgelegd in een schuldbekentenis. Ook staat vast dat de betaling die via [B.V. 1] is gedaan, afkomstig is van [persoon 1] . Het bestaan van de geldleningsovereenkomst staat dus vast, alsmede dat [persoon 1] aan haar verplichtingen uit hoofde daarvan heeft voldaan. Tussen partijen is in geschil of ook [persoon 2] aan zijn verplichtingen uit hoofde van de geldleningsovereenkomst heeft voldaan. 4.2. Dat [persoon 2] de rentebetalingen tot maart 2022 heeft voldaan en een bedrag van € 2.100 heeft afgelost op de hoofdsom, is niet in geschil.
Volledig
ECLI:NL:RBZWB:2026:3255 text/xml public 2026-05-12T08:48:10 2026-04-21 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-04-15 C/02/436264 / HA ZA 25-337 (T) Uitspraak Bodemzaak NL Middelburg Civiel recht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:3255 text/html public 2026-05-12T08:47:51 2026-05-12 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBZWB:2026:3255 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 15-04-2026 / C/02/436264 / HA ZA 25-337 (T) Overeenkomst van geldlening. Bevrijdend betaald aan derden? Bewijsopdrachten. RECHTBANK Zeeland-West-Brabant Civiel recht Zittingsplaats Middelburg Zaaknummer: C/02/436264 / HA ZA 25-337 Vonnis van 15 april 2026 in de zaak van [persoon 1] , te [plaats] , eisende partij in conventie, verwerende partij in reconventie, hierna te noemen: [persoon 1] , advocaat: mr. F. Amien, tegen [persoon 2] , te [plaats] , gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie, hierna te noemen: [persoon 2] , advocaat: mr. D. Alblas. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - het tussenvonnis van 10 september 2025 en de daarin genoemde stukken; - de conclusie van antwoord in reconventie met productie 16; - de aanvullende productie 9 zijdens [persoon 2] ; - de aanvullende producties 17 tot en met 21 zijdens [persoon 1] ; - de mondelinge behandeling van 10 februari 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt en waaraan de spreekaantekeningen van partijen zijn gehecht. 1.2. Ter zitting is vonnis bepaald. 2 De feiten 2.1. [persoon 1] heeft op 26 juni 2014 een bedrag van € 125.000,00 tegen een rentepercentage van 1,8% geleend aan [persoon 2] ten behoeve van de aankoop van een woning. De overeenkomst van geldlening is mondeling tot stand gekomen. 2.2. Het leenbedrag is door [persoon 1] betaald via de bankrekening van [B.V. 1] (waarvan [persoon 1] enig bestuurder en aandeelhouder is en waarmee een rekening-courantverhouding bestaat) op de bankrekening van [notaris ] , ten behoeve van [persoon 2] . 2.3. Op 22 februari 2016 zijn de afspraken van de geldleningsovereenkomst schriftelijk vastgelegd in een schuldbekentenis. In deze schuldbekentenis is opgenomen dat op dat moment nog een bedrag van € 122.900,00 openstaat. 3 Het geschil in conventie 3.1. [persoon 1] vordert – samengevat – dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad: primair : I. [persoon 2] zal veroordelen tot betaling van € 122.900,00, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 13 maart 2025 tot de dag van volledige betaling; subsidiair en meer subsidiair: II. [persoon 2] zal veroordelen tot betaling van € 122.900,00; III. [persoon 2] zal veroordelen tot betaling van de contractuele rente en de wettelijke rente over het bedrag genoemd onder II, te rekenen vanaf de datum van betaling van dat bedrag aan de notaris tot de dag van volledige betaling; nog meer subsidiair: IV. [persoon 2] zal veroordelen tot betaling van € 122.900,00 uit hoofde van de gecedeerde vordering; V. [persoon 2] zal veroordelen tot betaling van de contractuele rente en de wettelijke rente over het bedrag genoemd onder IV, te rekenen vanaf de datum van betaling van cessie (14 mei 2025) tot de dag van volledige betaling; alsmede (in alle gevallen): VI. [persoon 2] zal veroordelen in de proceskosten waaronder begrepen de nakosten. 3.2. [persoon 1] legt aan haar vorderingen ten grondslag dat (kort gezegd) [persoon 2] voor het laatst in maart 2022 heeft voldaan aan zijn verplichtingen uit hoofde van de geldleningsovereenkomst. In de jaren 2023, 2024 en 2025 heeft hij geen rente of aflossingen betaald. De geldlening is daarom direct opeisbaar geworden, maar [persoon 1] heeft [persoon 2] ook bij brief van 30 januari 2025 in gebreke gesteld en gesommeerd alsnog tot betaling over te gaan. [persoon 2] heeft zich op het standpunt gesteld dat hij geen schuld heeft aan [persoon 1] . Primair vordert [persoon 1] dan ook nakoming van de geldleningsovereenkomst. Voor zover de rechtbank echter meent dat geen sprake is van een geldleningsovereenkomst, stelt [persoon 1] subsidiair dat de betaling in 2014 aan [persoon 2] is gedaan zonder rechtsgrond. Zij vordert in dat geval dat de prestatie ongedaan gemaakt wordt door terugbetaling van het bedrag. Meer subsidiair voert [persoon 1] aan dat sprake is van ongerechtvaardigde verrijking zijdens [persoon 2] . In dat geval heeft [persoon 1] schade geleden ter hoogte van het aan [persoon 2] betaalde bedrag. Nog meer subsidiair voert [persoon 1] aan dat – voor zover zou worden geoordeeld dat niet zij, maar [B.V. 1] in deze vorderingsgerechtigd is – een vordering uit hoofde van één van de hiervoor genoemde gronden aan haar is gecedeerd. 3.3. [persoon 2] voert verweer. [persoon 2] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [persoon 1] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [persoon 1] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [persoon 1] in de kosten van deze procedure. 3.4. [persoon 2] heeft het bestaan en de inhoud van de geldleningsovereenkomst en de schuldbekentenis erkend. [persoon 2] voert echter aan dat hij de lening in 2022 volledig heeft afgelost. in reconventie 3.5. [persoon 2] vordert – samengevat – dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad: I. Voor recht zal verklaren dat de conservatoire beslaglegging op de woning van [persoon 2] door [persoon 1] onrechtmatig is en dat [persoon 1] daarom de door [persoon 2] geleden en nog te lijden schade aan hem dient te vergoeden; II. [persoon 1] zal veroordelen om binnen vijf dagen na dit vonnis aan [persoon 2] te betalen: Kosten [naam 1] € 1.560,90 Schade vertraging verkoop woning € 5.250,00 Nog door [persoon 2] te lijden schade € P.M. III. [persoon 1] zal veroordelen het beslag verband houdende met deze procedure op te heffen binnen vijf dagen na dit vonnis, op straffe van een dwangsom van € 500,00 per dag tot een maximum van € 50.000,00; IV. Indien [persoon 2] wordt veroordeeld tot betaling van enig bedrag aan [persoon 1] , zal vaststellen aan wie [persoon 2] bevrijdend kan betalen, zodat hij geen enkel betalingsrisico loopt; V. [persoon 1] zal veroordelen in de kosten van de procedure. 3.6. Ter onderbouwing van zijn vorderingen verwijst [persoon 2] naar een (handgeschreven) brief van [persoon 1] aan hem van 27 augustus 2022 waarin staat dat hij op dat moment reeds een deel had afgelost en op dat moment nog € 50.200,00 open stond. In die brief heeft [persoon 1] hem verzocht dit bedrag af te lossen door het over te maken naar de bankrekening van een derde. Dat heeft hij gedaan, waarmee de lening is afgelost. Het beslag op zijn woning is daarom onrechtmatig en [persoon 2] vordert dat de schade die hij dientengevolge heeft geleden door [persoon 1] wordt vergoed. 3.7. [persoon 1] voert verweer. [persoon 1] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [persoon 2] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [persoon 2] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [persoon 2] in de kosten van deze procedure. 3.8. [persoon 1] voert aan dat de betalingen waarnaar [persoon 2] verwijst zijn gedaan aan derden en daarmee niet bevrijdend zijn. Voor wat betreft de handgeschreven verklaringen voert zij aan dat zij onder dwang van verschillende partijen verklaringen heeft afgegeven, waarvan zij zich de inhoud niet kan herinneren. in conventie en in reconventie 3.9. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan. 4 De beoordeling in conventie 4.1. Vooropgesteld wordt dat [persoon 2] nadrukkelijk heeft erkend dat tussen hem en [persoon 1] een mondelinge geldleningsovereenkomst tot stand is gekomen welke later schriftelijk is vastgelegd in een schuldbekentenis. Ook staat vast dat de betaling die via [B.V. 1] is gedaan, afkomstig is van [persoon 1] . Het bestaan van de geldleningsovereenkomst staat dus vast, alsmede dat [persoon 1] aan haar verplichtingen uit hoofde daarvan heeft voldaan. Tussen partijen is in geschil of ook [persoon 2] aan zijn verplichtingen uit hoofde van de geldleningsovereenkomst heeft voldaan. 4.2. Dat [persoon 2] de rentebetalingen tot maart 2022 heeft voldaan en een bedrag van € 2.100 heeft afgelost op de hoofdsom, is niet in geschil.
Volledig
[persoon 2] stelt dat hij de rest van de geldlening heeft voldaan door op verzoek van [persoon 1] aan derden te betalen. Ter onderbouwing daarvan heeft hij betaalbewijzen en een handgeschreven brief van 27 augustus 2022 in het geding gebracht. In die brief is geschreven: “ Zoals in maart van dit jaar met jou is afgesproken, zou je het door mij aan jou uitgeleende geld in zijn geheel aflossen. Op 3 juli 2014 heb ik aan jou een bedrag uitgeleend van € 125.00,-. Vervolgens heb ik je in 2016 nog een lening verstrekt van € 6250,- om een auto te kunnen kopen bij [naam 2] . In totaal heb ik je € 131.250,- geleend (met een rente van 1,8%). Je hebt 5x een aflossing gedaan (waaronder je auto in 2018). In totaal heb je € 21.050,- afgelost en eind maart 2022 heb je nog aflossing gedaan van € 60.000,- (via een lening bij [naam 3] ). Dan blijft er nu nog € 131.250 - € 21.050 - € 60.000 = € 50.200,- over om af te lossen. Zou je het gehele openstaande bedrag van € 50.200,- binnen 2 weken willen overmaken naar de Commerzbankrekening van [naam 1] , toevoeging rechtbank) in Duitsland.” 4.3. Op grond van de betaalbewijzen en voornoemde brief maakt de rechtbank een onderscheid tussen 1) de betalingen die zijn gedaan door [persoon 2] aan “Vereniging Maerloo”, 2) de betaling via de lening van € 60.000,00 bij mevrouw [naam 3] en 3) de betaling van € 50.200 aan de heer [naam 1] . Wellicht ten overvloede wordt overwogen dat de geldlening ten behoeve van de auto die in voornoemde brief wordt aangehaald, geen onderdeel is van deze procedure. De rechtbank zal daarop dus niet nader ingaan. 4.4. Ten aanzien van de betalingen onder 1) en 3) heeft [persoon 2] betaalbewijzen in het geding gebracht waaruit volgt dat deze betalingen zijn gedaan aan derden (Vereniging Maerloo en de heer [naam 1] ). Voor wat betreft de betaling onder 2) is geen betaalbewijs in het geding gebracht. Ter zitting is namens [persoon 2] aangevoerd dat het geleende bedrag van € 60.000,00 op 31 maart 2022 op verzoek van [persoon 1] door mevrouw [naam 3] via haar onderneming [B.V. 2] is betaald aan een andere onderneming (waarvan de heer [naam 1] op dat moment de enige bestuurder was en [persoon 2] inmiddels zelf ook bestuurder is). Hoewel een betaalbewijs in dit verband ontbreekt, is deze betaling dus gedaan voordat de brief van 27 augustus 2022 is opgesteld. In de brief wordt bevestigd dat de betaling is gedaan ter aflossing van de onderhavige geldlening. 4.5. Alle betalingen zijn dus gedaan aan derden en niet aan [persoon 1] zelf. De rechtbank overweegt dat [persoon 2] slechts bevrijdend aan derden kan hebben betaald, indien [persoon 2] op redelijke gronden heeft aangenomen dat deze derden als schuldeiser tot de prestatie gerechtigd waren. Betaling onder 3) 4.6. [persoon 1] heeft niet betwist dat de brief van 27 augustus 2022 in haar handschrift is opgesteld. In die brief wordt, in het kader van de aflossing van de geldlening van 22 februari 2016, specifiek aan [persoon 2] gevraagd € 50.200,00 naar de Commerzbank van [naam 1] ) in Duitsland over te maken. Vooralsnog is de rechtbank van oordeel dat [persoon 2] op grond van deze brief mocht aannemen dat hij het bedrag van € 50.200,00 bevrijdend kon betalen aan de heer [naam 1] op zijn Commerzbankrekening in Duitsland. [persoon 1] heeft niet weersproken dat de door [persoon 2] overgemaakte bedragen (van € 44.000,00 en € 5.320,00) zien op de aflossing van deze geldlening. De rechtbank constateert wel dat [persoon 2] daarmee niet het (in zijn ogen) resterende bedrag volledig heeft voldaan. In plaats van € 50.200,00 heeft [persoon 2] € 49.320,00 voldaan. Er staat dus nog een bedrag van € 880,00 open. 4.7. [persoon 1] heeft tegen deze brief van 27 augustus 2022 aangevoerd dat zij, [persoon 2] , de heer [naam 1] , mevrouw [naam 3] en alle in deze procedure genoemde ondernemingen verbonden zijn of zijn geweest aan de Orde van Maerloo. Gedurende haar betrokkenheid bij de Orde van Maerloo stelt [persoon 1] – onder verwijzing naar een deskundigenrapport – dat zij onder dwang van verschillende partijen (met name de heer [naam 1] ) handelingen heeft verricht en verklaringen heeft afgegeven, waaronder bovengenoemde brief. In dat verband stelt [persoon 1] dat [persoon 2] gehuwd is geweest met de heer [naam 1] en tot op heden tussen hen een hechte band bestaat. Gelet daarop en gelet op de omstandigheden, mocht [persoon 2] niet gerechtvaardigd vertrouwen op de inhoud van de brief en mocht hij er ook niet gerechtvaardigd op vertrouwen dat de aan derde gedane betalingen in mindering strekken op de geldlening, aldus [persoon 1] . 4.8. Gelet op de betwisting door [persoon 2] zal de rechtbank [persoon 1] op grond van artikel 150 Rv toe laten tot bewijs van feiten en/of omstandigheden waaruit volgt dat [persoon 2] niet gerechtvaardigd mocht vertrouwen op de inhoud van de brief van 27 augustus 2022 en dat de betalingen die door of namens hem gedaan zijn aan derden niet als bevrijdend zijn aan te merken ter aflossing van de geldlening van 22 februari 2016. Betaling onder 1) en 2) 4.9. Met betrekking tot de overige betalingen van [persoon 2] aan derden constateert de rechtbank dat deze betalingen zijn gedaan vóór (de brief van) 27 augustus 2022 en [persoon 2] niet heeft onderbouwd dat hij ten tijde van de betalingen op redelijke gronden mocht aannemen bevrijdend aan een derde te kunnen betalen. Voor zover overgelegd geven de betalingsafschriften geen aanwijzing dat sprake is (geweest) van een aflossing van de geldovereenkomst van 22 februari 2016. Omdat [persoon 1] de juistheid van de brief van 27 augustus 2022 betwist, zal de rechtbank [persoon 2] toelaten tot bewijs van zijn stelling dat hij op grond van afspraken bevrijdend aan “Vereniging Maerloo” en via de lening van € 60.000,00 bij mevrouw [naam 3] op de geldovereenkomst van 22 februari 2016 kon aflossen. Subsidiaire vorderingen 4.10. Ten aanzien van de (meer) subsidiaire vorderingen van [persoon 1] onder II tot en met V wordt nog overwogen dat deze zijn ingesteld voor het geval zou worden geoordeeld dat geen geldleningsovereenkomst tussen partijen bestaat. Omdat het bestaan van de geldleningsovereenkomst vast staat, maar na de erkenning door [persoon 2] geen eisvermindering door [persoon 1] is ingediend, zal de rechtbank voor de volledigheid alle subsidiaire vorderingen bij eindvonnis afwijzen. 4.11. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden. in reconventie 4.12. De vorderingen van [persoon 2] gaan uit van de onrechtmatigheid van het door [persoon 1] gelegde conservatoire beslag dat verband houdt met haar vorderingen in conventie. Om te kunnen beoordelen of het beslag al dan niet rechtmatig is, dient eerst te worden vastgesteld of de geldlening al dan niet is voldaan. Gelet op hetgeen hierover in conventie is overwogen zal in afwachting van de bewijsopdracht iedere verdere beslissing worden aangehouden. 5 De beslissing De rechtbank in conventie 5.1. draagt [persoon 1] op feiten en/of omstandigheden te bewijzen waaruit volgt dat [persoon 2] niet gerechtvaardigd mocht vertrouwen op de inhoud van de brief van 27 augustus 2022 en dat de betalingen die door of namens hem gedaan zijn aan [naam 1] niet als bevrijdend zijn aan te merken ter aflossing van de geldlening van 22 februari 2016, 5.2. draagt [persoon 2] op te bewijzen dat hij op grond van afspraken met [persoon 1] bevrijdend aan “Vereniging Maerloo” en via de lening van € 60.000,00 bij mevrouw [naam 3] op de geldovereenkomst van 22 februari 2016 kon aflossen, 5.3. bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van woensdag 13 mei 2026 voor uitlating door [persoon 1] en [persoon 2] of zij, ieder voor zich, bewijs willen leveren door het overleggen van bewijsstukken, door het horen van getuigen en/of door een ander bewijsmiddel, 5.4. bepaalt dat, als [persoon 1] en/of [persoon 2] geen bewijs door het horen van getuigen wil leveren maar wel bewijsstukken wil overleggen, zij die stukken dan direct in het geding moeten brengen, 5.5.
Volledig
[persoon 2] stelt dat hij de rest van de geldlening heeft voldaan door op verzoek van [persoon 1] aan derden te betalen. Ter onderbouwing daarvan heeft hij betaalbewijzen en een handgeschreven brief van 27 augustus 2022 in het geding gebracht. In die brief is geschreven: “ Zoals in maart van dit jaar met jou is afgesproken, zou je het door mij aan jou uitgeleende geld in zijn geheel aflossen. Op 3 juli 2014 heb ik aan jou een bedrag uitgeleend van € 125.00,-. Vervolgens heb ik je in 2016 nog een lening verstrekt van € 6250,- om een auto te kunnen kopen bij [naam 2] . In totaal heb ik je € 131.250,- geleend (met een rente van 1,8%). Je hebt 5x een aflossing gedaan (waaronder je auto in 2018). In totaal heb je € 21.050,- afgelost en eind maart 2022 heb je nog aflossing gedaan van € 60.000,- (via een lening bij [naam 3] ). Dan blijft er nu nog € 131.250 - € 21.050 - € 60.000 = € 50.200,- over om af te lossen. Zou je het gehele openstaande bedrag van € 50.200,- binnen 2 weken willen overmaken naar de Commerzbankrekening van [naam 1] , toevoeging rechtbank) in Duitsland.” 4.3. Op grond van de betaalbewijzen en voornoemde brief maakt de rechtbank een onderscheid tussen 1) de betalingen die zijn gedaan door [persoon 2] aan “Vereniging Maerloo”, 2) de betaling via de lening van € 60.000,00 bij mevrouw [naam 3] en 3) de betaling van € 50.200 aan de heer [naam 1] . Wellicht ten overvloede wordt overwogen dat de geldlening ten behoeve van de auto die in voornoemde brief wordt aangehaald, geen onderdeel is van deze procedure. De rechtbank zal daarop dus niet nader ingaan. 4.4. Ten aanzien van de betalingen onder 1) en 3) heeft [persoon 2] betaalbewijzen in het geding gebracht waaruit volgt dat deze betalingen zijn gedaan aan derden (Vereniging Maerloo en de heer [naam 1] ). Voor wat betreft de betaling onder 2) is geen betaalbewijs in het geding gebracht. Ter zitting is namens [persoon 2] aangevoerd dat het geleende bedrag van € 60.000,00 op 31 maart 2022 op verzoek van [persoon 1] door mevrouw [naam 3] via haar onderneming [B.V. 2] is betaald aan een andere onderneming (waarvan de heer [naam 1] op dat moment de enige bestuurder was en [persoon 2] inmiddels zelf ook bestuurder is). Hoewel een betaalbewijs in dit verband ontbreekt, is deze betaling dus gedaan voordat de brief van 27 augustus 2022 is opgesteld. In de brief wordt bevestigd dat de betaling is gedaan ter aflossing van de onderhavige geldlening. 4.5. Alle betalingen zijn dus gedaan aan derden en niet aan [persoon 1] zelf. De rechtbank overweegt dat [persoon 2] slechts bevrijdend aan derden kan hebben betaald, indien [persoon 2] op redelijke gronden heeft aangenomen dat deze derden als schuldeiser tot de prestatie gerechtigd waren. Betaling onder 3) 4.6. [persoon 1] heeft niet betwist dat de brief van 27 augustus 2022 in haar handschrift is opgesteld. In die brief wordt, in het kader van de aflossing van de geldlening van 22 februari 2016, specifiek aan [persoon 2] gevraagd € 50.200,00 naar de Commerzbank van [naam 1] ) in Duitsland over te maken. Vooralsnog is de rechtbank van oordeel dat [persoon 2] op grond van deze brief mocht aannemen dat hij het bedrag van € 50.200,00 bevrijdend kon betalen aan de heer [naam 1] op zijn Commerzbankrekening in Duitsland. [persoon 1] heeft niet weersproken dat de door [persoon 2] overgemaakte bedragen (van € 44.000,00 en € 5.320,00) zien op de aflossing van deze geldlening. De rechtbank constateert wel dat [persoon 2] daarmee niet het (in zijn ogen) resterende bedrag volledig heeft voldaan. In plaats van € 50.200,00 heeft [persoon 2] € 49.320,00 voldaan. Er staat dus nog een bedrag van € 880,00 open. 4.7. [persoon 1] heeft tegen deze brief van 27 augustus 2022 aangevoerd dat zij, [persoon 2] , de heer [naam 1] , mevrouw [naam 3] en alle in deze procedure genoemde ondernemingen verbonden zijn of zijn geweest aan de Orde van Maerloo. Gedurende haar betrokkenheid bij de Orde van Maerloo stelt [persoon 1] – onder verwijzing naar een deskundigenrapport – dat zij onder dwang van verschillende partijen (met name de heer [naam 1] ) handelingen heeft verricht en verklaringen heeft afgegeven, waaronder bovengenoemde brief. In dat verband stelt [persoon 1] dat [persoon 2] gehuwd is geweest met de heer [naam 1] en tot op heden tussen hen een hechte band bestaat. Gelet daarop en gelet op de omstandigheden, mocht [persoon 2] niet gerechtvaardigd vertrouwen op de inhoud van de brief en mocht hij er ook niet gerechtvaardigd op vertrouwen dat de aan derde gedane betalingen in mindering strekken op de geldlening, aldus [persoon 1] . 4.8. Gelet op de betwisting door [persoon 2] zal de rechtbank [persoon 1] op grond van artikel 150 Rv toe laten tot bewijs van feiten en/of omstandigheden waaruit volgt dat [persoon 2] niet gerechtvaardigd mocht vertrouwen op de inhoud van de brief van 27 augustus 2022 en dat de betalingen die door of namens hem gedaan zijn aan derden niet als bevrijdend zijn aan te merken ter aflossing van de geldlening van 22 februari 2016. Betaling onder 1) en 2) 4.9. Met betrekking tot de overige betalingen van [persoon 2] aan derden constateert de rechtbank dat deze betalingen zijn gedaan vóór (de brief van) 27 augustus 2022 en [persoon 2] niet heeft onderbouwd dat hij ten tijde van de betalingen op redelijke gronden mocht aannemen bevrijdend aan een derde te kunnen betalen. Voor zover overgelegd geven de betalingsafschriften geen aanwijzing dat sprake is (geweest) van een aflossing van de geldovereenkomst van 22 februari 2016. Omdat [persoon 1] de juistheid van de brief van 27 augustus 2022 betwist, zal de rechtbank [persoon 2] toelaten tot bewijs van zijn stelling dat hij op grond van afspraken bevrijdend aan “Vereniging Maerloo” en via de lening van € 60.000,00 bij mevrouw [naam 3] op de geldovereenkomst van 22 februari 2016 kon aflossen. Subsidiaire vorderingen 4.10. Ten aanzien van de (meer) subsidiaire vorderingen van [persoon 1] onder II tot en met V wordt nog overwogen dat deze zijn ingesteld voor het geval zou worden geoordeeld dat geen geldleningsovereenkomst tussen partijen bestaat. Omdat het bestaan van de geldleningsovereenkomst vast staat, maar na de erkenning door [persoon 2] geen eisvermindering door [persoon 1] is ingediend, zal de rechtbank voor de volledigheid alle subsidiaire vorderingen bij eindvonnis afwijzen. 4.11. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden. in reconventie 4.12. De vorderingen van [persoon 2] gaan uit van de onrechtmatigheid van het door [persoon 1] gelegde conservatoire beslag dat verband houdt met haar vorderingen in conventie. Om te kunnen beoordelen of het beslag al dan niet rechtmatig is, dient eerst te worden vastgesteld of de geldlening al dan niet is voldaan. Gelet op hetgeen hierover in conventie is overwogen zal in afwachting van de bewijsopdracht iedere verdere beslissing worden aangehouden. 5 De beslissing De rechtbank in conventie 5.1. draagt [persoon 1] op feiten en/of omstandigheden te bewijzen waaruit volgt dat [persoon 2] niet gerechtvaardigd mocht vertrouwen op de inhoud van de brief van 27 augustus 2022 en dat de betalingen die door of namens hem gedaan zijn aan [naam 1] niet als bevrijdend zijn aan te merken ter aflossing van de geldlening van 22 februari 2016, 5.2. draagt [persoon 2] op te bewijzen dat hij op grond van afspraken met [persoon 1] bevrijdend aan “Vereniging Maerloo” en via de lening van € 60.000,00 bij mevrouw [naam 3] op de geldovereenkomst van 22 februari 2016 kon aflossen, 5.3. bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van woensdag 13 mei 2026 voor uitlating door [persoon 1] en [persoon 2] of zij, ieder voor zich, bewijs willen leveren door het overleggen van bewijsstukken, door het horen van getuigen en/of door een ander bewijsmiddel, 5.4. bepaalt dat, als [persoon 1] en/of [persoon 2] geen bewijs door het horen van getuigen wil leveren maar wel bewijsstukken wil overleggen, zij die stukken dan direct in het geding moeten brengen, 5.5.