Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2026-03-20
ECLI:NL:RBZWB:2026:3186
Civiel recht; Personen- en familierecht
Rekestprocedure
3,595 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBZWB:2026:3186 text/xml public 2026-05-04T09:58:51 2026-04-20 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-03-20 C/02/444603 / JE RK 26-189 Uitspraak Rekestprocedure NL Breda Civiel recht; Personen- en familierecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:3186 text/html public 2026-04-30T12:10:33 2026-05-04 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBZWB:2026:3186 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 20-03-2026 / C/02/444603 / JE RK 26-189 Schriftelijke afdoening - verlenging ots RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Familie- en Jeugdrecht Locatie Breda Zaaknummer: C/02/444603 / JE RK 26-189 Datum uitspraak: 20 maart 2026 Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling in de zaak van de gecertificeerde instelling STICHTING JEUGDBESCHERMING BRABANT , gevestigd te Tilburg, hierna te noemen de GI, over [minderjarige], geboren op [geboortedag] 2012 in [geboorteplaats], hierna te noemen [minderjarige]. De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan: [de moeder], hierna te noemen de moeder, wonende op een voor de rechtbank bekend adres, [de vader] , hierna te noemen de vader, wonende in [woonplaats], advocaat mr. R.G.J. van Kerkhof. 1 Het verloop van de procedure 1.1. De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling: het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 27 januari 2026; het bericht van mr. Van Kerkhof van 16 februari 2026; het e-mailbericht van de moeder van 6 maart 2026. 2 De feiten 2.1. De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige]. 2.2. [minderjarige] woont bij de moeder. 2.3. Bij beschikking van de kinderrechter in deze rechtbank van 18 maart 2025 is de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd met ingang van 28 maart 2025 tot 28 maart 2026. 3. Het verzoek 3.1. De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen voor de duur van een jaar, met uitvoerbaar verklaring bij voorraad. 4 Het standpunt van de GI 4.1. Ter onderbouwing van het verzoek is door de GI schriftelijk - samengevat - aangevoerd dat de ontwikkelingsbedreiging van [minderjarige] nog steeds aanwezig is door het weigeren van hulpverlening (door zowel de vader als [minderjarige]), de instabiele samenwerking tussen de vader en de hulpverlening, de wederzijdse triggers en escalaties thuis bij de moeder, de onvoorspelbaarheid van contactafspraken tussen de vader en [minderjarige] en de loyaliteitsdruk die [minderjarige] ervaart. De moeder laat zien dat zij, ondanks haar eigen triggers, gemotiveerd samenwerkt, individuele hulpverlening aangaat en het belang van [minderjarige] centraal zet. De zorg ligt op dit moment vooral bij het ontbreken van bereidheid bij de vader om via de ouderschapsbemiddelaar samen te werken en het feit dat hij [minderjarige] als doorgeefluik gebruikt. Verlenging van de ondertoezichtstelling is noodzakelijk om structuur, veiligheid en voorspelbaarheid te waarborgen, om passende hulpverlening op gang te brengen, een vorm van samenwerking tussen de ouders te realiseren en om de voorbeeldrol van de vader op een positieve manier te benutten. 5 De standpunten van de belanghebbenden 5.1. De moeder heeft in een emailbericht van 6 maart 2026 aangegeven dat zij akkoord is met de verlenging van de ondertoezichtstelling. Zij heeft daarbij tevens aangegeven dat zowel zij als [minderjarige] geen behoefte hebben aan een mondelinge behandeling. 5.2. De vader heeft via zijn advocaat laten weten dat ook hij akkoord is met een verlenging van de ondertoezichtstelling. Een mondelinge behandeling is wat hem betreft niet noodzakelijk. 6 De beoordeling 6.1. Ingevolge het bepaalde in artikel 1:255 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en: a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en; b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW, in staat zijn te dragen. 6.2. Op grond van artikel 1:260 BW kan de rechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:255 lid 1 BW is voldaan, de duur van de ondertoezichtstelling telkens verlengen met ten hoogste een jaar. 6.3. Gelet op de onderbouwing van het verzoek alsmede de ontvangen standpunten van de ouders en [minderjarige], vindt de kinderrechter een mondelinge behandeling van het verzoek niet nodig. Dit betekent dat deze zaak schriftelijk kan en zal worden afgedaan. 6.4. Naar aanleiding van de door de GI overgelegde stukken, is de kinderrechter van oordeel dat nog steeds wordt voldaan aan de wettelijke vereisten voor verlenging van de ondertoezichtstelling van [minderjarige] als bedoeld in artikel 1:260 BW, in samenhang gelezen met artikel 1:255, eerste lid BW. Het contact tussen [minderjarige] en zijn vader is inmiddels hersteld. Echter, het contact verloopt nog niet stabiel, wat zorgt voor onvoorspelbaarheid voor [minderjarige]. De vader lijkt minder gemotiveerd om samen te werken met verdere hulpverlening, zoals de ouderschapsbemiddelaar. Dit heeft zijn effect op de moeder, waardoor [minderjarige] in een loyaliteitsconflict geraakt. [minderjarige] laat soms zorgelijk gedrag zien en weigert hulpverlening. Uit dit alles blijkt dat de ontwikkelingsdreiging voor [minderjarige] nog steeds aanwezig is. Een verlenging van de ondertoezichtstelling is noodzakelijk om passende hulpverlening op gang te brengen en een vorm van samenwerking tussen de ouders te vinden, zodat er meer rust en structuur voor [minderjarige] ontstaat. 6.5. De kinderrechter zal het verzoek van de GI, dat niet is weersproken, daarom toewijzen in die zin dat zij de ondertoezichtstelling van [minderjarige] zal verlengen voor de duur van één jaar. 6.6. De kinderrechter zal de beslissing, gelet op de aard van de maatregel, uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is verzocht door de GI. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat. 7 De beslissing De kinderrechter: 7.1. verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] met ingang van 28 maart 2026 tot 28 maart 2027; 7.2. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad. Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 20 maart 2026 door mr. Phillips, kinderrechter, in aanwezigheid van Van Beijsterveldt als griffier. Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld: door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak; door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden. Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch.
Volledig
ECLI:NL:RBZWB:2026:3186 text/xml public 2026-05-04T09:58:51 2026-04-20 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-03-20 C/02/444603 / JE RK 26-189 Uitspraak Rekestprocedure NL Breda Civiel recht; Personen- en familierecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:3186 text/html public 2026-04-30T12:10:33 2026-05-04 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBZWB:2026:3186 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 20-03-2026 / C/02/444603 / JE RK 26-189 Schriftelijke afdoening - verlenging ots RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Familie- en Jeugdrecht Locatie Breda Zaaknummer: C/02/444603 / JE RK 26-189 Datum uitspraak: 20 maart 2026 Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling in de zaak van de gecertificeerde instelling STICHTING JEUGDBESCHERMING BRABANT , gevestigd te Tilburg, hierna te noemen de GI, over [minderjarige], geboren op [geboortedag] 2012 in [geboorteplaats], hierna te noemen [minderjarige]. De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan: [de moeder], hierna te noemen de moeder, wonende op een voor de rechtbank bekend adres, [de vader] , hierna te noemen de vader, wonende in [woonplaats], advocaat mr. R.G.J. van Kerkhof. 1 Het verloop van de procedure 1.1. De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling: het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 27 januari 2026; het bericht van mr. Van Kerkhof van 16 februari 2026; het e-mailbericht van de moeder van 6 maart 2026. 2 De feiten 2.1. De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige]. 2.2. [minderjarige] woont bij de moeder. 2.3. Bij beschikking van de kinderrechter in deze rechtbank van 18 maart 2025 is de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd met ingang van 28 maart 2025 tot 28 maart 2026. 3. Het verzoek 3.1. De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen voor de duur van een jaar, met uitvoerbaar verklaring bij voorraad. 4 Het standpunt van de GI 4.1. Ter onderbouwing van het verzoek is door de GI schriftelijk - samengevat - aangevoerd dat de ontwikkelingsbedreiging van [minderjarige] nog steeds aanwezig is door het weigeren van hulpverlening (door zowel de vader als [minderjarige]), de instabiele samenwerking tussen de vader en de hulpverlening, de wederzijdse triggers en escalaties thuis bij de moeder, de onvoorspelbaarheid van contactafspraken tussen de vader en [minderjarige] en de loyaliteitsdruk die [minderjarige] ervaart. De moeder laat zien dat zij, ondanks haar eigen triggers, gemotiveerd samenwerkt, individuele hulpverlening aangaat en het belang van [minderjarige] centraal zet. De zorg ligt op dit moment vooral bij het ontbreken van bereidheid bij de vader om via de ouderschapsbemiddelaar samen te werken en het feit dat hij [minderjarige] als doorgeefluik gebruikt. Verlenging van de ondertoezichtstelling is noodzakelijk om structuur, veiligheid en voorspelbaarheid te waarborgen, om passende hulpverlening op gang te brengen, een vorm van samenwerking tussen de ouders te realiseren en om de voorbeeldrol van de vader op een positieve manier te benutten. 5 De standpunten van de belanghebbenden 5.1. De moeder heeft in een emailbericht van 6 maart 2026 aangegeven dat zij akkoord is met de verlenging van de ondertoezichtstelling. Zij heeft daarbij tevens aangegeven dat zowel zij als [minderjarige] geen behoefte hebben aan een mondelinge behandeling. 5.2. De vader heeft via zijn advocaat laten weten dat ook hij akkoord is met een verlenging van de ondertoezichtstelling. Een mondelinge behandeling is wat hem betreft niet noodzakelijk. 6 De beoordeling 6.1. Ingevolge het bepaalde in artikel 1:255 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en: a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en; b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW, in staat zijn te dragen. 6.2. Op grond van artikel 1:260 BW kan de rechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:255 lid 1 BW is voldaan, de duur van de ondertoezichtstelling telkens verlengen met ten hoogste een jaar. 6.3. Gelet op de onderbouwing van het verzoek alsmede de ontvangen standpunten van de ouders en [minderjarige], vindt de kinderrechter een mondelinge behandeling van het verzoek niet nodig. Dit betekent dat deze zaak schriftelijk kan en zal worden afgedaan. 6.4. Naar aanleiding van de door de GI overgelegde stukken, is de kinderrechter van oordeel dat nog steeds wordt voldaan aan de wettelijke vereisten voor verlenging van de ondertoezichtstelling van [minderjarige] als bedoeld in artikel 1:260 BW, in samenhang gelezen met artikel 1:255, eerste lid BW. Het contact tussen [minderjarige] en zijn vader is inmiddels hersteld. Echter, het contact verloopt nog niet stabiel, wat zorgt voor onvoorspelbaarheid voor [minderjarige]. De vader lijkt minder gemotiveerd om samen te werken met verdere hulpverlening, zoals de ouderschapsbemiddelaar. Dit heeft zijn effect op de moeder, waardoor [minderjarige] in een loyaliteitsconflict geraakt. [minderjarige] laat soms zorgelijk gedrag zien en weigert hulpverlening. Uit dit alles blijkt dat de ontwikkelingsdreiging voor [minderjarige] nog steeds aanwezig is. Een verlenging van de ondertoezichtstelling is noodzakelijk om passende hulpverlening op gang te brengen en een vorm van samenwerking tussen de ouders te vinden, zodat er meer rust en structuur voor [minderjarige] ontstaat. 6.5. De kinderrechter zal het verzoek van de GI, dat niet is weersproken, daarom toewijzen in die zin dat zij de ondertoezichtstelling van [minderjarige] zal verlengen voor de duur van één jaar. 6.6. De kinderrechter zal de beslissing, gelet op de aard van de maatregel, uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is verzocht door de GI. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat. 7 De beslissing De kinderrechter: 7.1. verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] met ingang van 28 maart 2026 tot 28 maart 2027; 7.2. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad. Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 20 maart 2026 door mr. Phillips, kinderrechter, in aanwezigheid van Van Beijsterveldt als griffier. Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld: door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak; door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden. Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch.