Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2026-03-19
ECLI:NL:RBZWB:2026:3174
Civiel recht; Personen- en familierecht
Rekestprocedure
4,093 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBZWB:2026:3174 text/xml public 2026-05-04T09:13:47 2026-04-19 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-03-19 C/02/440353 FA RK 25-5042 Uitspraak Rekestprocedure NL Breda Civiel recht; Personen- en familierecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:3174 text/html public 2026-04-29T13:37:04 2026-05-04 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBZWB:2026:3174 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 19-03-2026 / C/02/440353 FA RK 25-5042 Echtscheiding. Partijen zijn gehuwd in Marokko. Rechtsgeldig huwelijk op grond van artikel 10:31 BW. Huwelijk is niet ingeschreven in de registers in Nederland. Toewijzing eenhoofdig gezag. Artikel 1:251a BW. RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Team Familie- en Jeugdrecht Breda Zaaknummer: C/02/440353 FA RK 25-5042 26 maart 2026 beschikking betreffende echtscheiding in de zaak van [de vrouw] , wonende te [woonplaats] , hierna te noemen de vrouw, advocaat mr. Ç. Bayrak, en [de man] , wonende te [woonplaats] , hierna te noemen de man, zonder advocaat. 1 Het procesverloop 1.1 Dit blijkt uit de volgende stukken: - het op 29 september 2025 van de vrouw ontvangen verzoekschrift met bijlagen; - het op 6 oktober 2025 uitgebrachte betekeningsexploot. 1.2 De zaak is behandeld op de zitting van 3 maart 2026. Hierbij is verschenen de vrouw, bijgestaan door haar advocaat. Tevens was aanwezig een vertegenwoordiger van de Raad voor de Kinderbescherming Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, hierna te noemen de Raad. Ook was er voor de vrouw een tolk aanwezig en een begeleidster, werkzaam bij [hulpverlening] . De man is, hoewel juist opgeroepen, niet gekomen. 1.3 Na te noemen minderjarigen zijn, gelet op hun leeftijd, in staat gesteld hun mening kenbaar te maken tijdens een zogenoemd kindgesprek. Zij hebben schriftelijk gereageerd. 2 De feiten Op grond van de niet weersproken stellingen en overgelegde stukken staat tussen partijen het volgende vast: - zij zijn op [datum] 2017 in Marokko met elkaar gehuwd; voorafgaand daaraan hadden zij al een religieus huwelijk gesloten, dat op die datum is omgezet in een officieel huwelijk; - uit hun huwelijk zijn de volgende, nog minderjarige kinderen geboren: 1. [minderjarige 1] geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedag 1] 2013, 2. [minderjarige 2] , geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedag 2] 2015, 3. [minderjarige 3] , geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedag 3] 2017; 4. [minderjarige 4] , geboren te [geboorteplaats 2] op [geboortedag 4] 2019; - partijen hebben geen overeenstemming kunnen bereiken over een ouderschapsplan; - de vrouw bezit de Marokkaanse nationaliteit en de man bezit in ieder geval de Nederlandse nationaliteit; - hun huwelijk is duurzaam ontwricht. 3 Het verzoek De vrouw verzoekt, samengevat, - echtscheiding; - bepaling dat de minderjarigen hun hoofdverblijf zullen hebben bij haar; - bepaling dat voortaan aan haar alleen het gezag over de minderjarigen toekomt. 4 De beoordeling 4.1 Het verzoek is op wettelijk voorgeschreven wijze aan de man betekend. Binnen de daartoe gestelde termijn is geen verweerschrift ontvangen. Echtscheiding 4.2 De Nederlandse rechter komt rechtsmacht toe met betrekking tot het verzoek tot echtscheiding, aangezien ten tijde van de indiening van het verzoek partijen hun gewone verblijfplaats hadden in Nederland. 4.3 De rechtbank acht de vrouw ontvankelijk in haar echtscheidingsverzoek. De door haar aangevoerde omstandigheden zijn van dien aard dat van de vrouw redelijkerwijs niet kan worden verlangd dat een door beide partijen opgesteld ouderschapsplan wordt overgelegd. 4.4 De rechtbank stelt vast dat een apostille en kopie van de “huwelijksgoedkeuringsgetuigenis met vonnis oorsprong” is overgelegd, die door de daartoe bevoegde autoriteit in Marokko is afgegeven. Het tussen partijen gesloten huwelijk wordt daarom vermoed rechtsgeldig te zijn. Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die dit rechtsvermoeden weerleggen, zodat het huwelijk in Marokko als zodanig in Nederland kan worden erkend op grond van artikel 10:31 van het Burgerlijk Wetboek (BW). 4.5 De rechtbank zal op het verzoek tot echtscheiding Nederlands recht toepassen ingevolge artikel 10:56, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek. Dit verzoek zal als niet weersproken en op de wet gegrond worden toegewezen. 4.6 Op zitting is besproken dat de rechtbank is gebleken dat het huwelijk van partijen, op dat moment, niet geregistreerd staat in de Basisregistratie personen (BRP) in Nederland. Namens de vrouw is hierop aangegeven dat zij het huwelijk alsnog zal laten registreren, zodat ook de echtscheiding kan worden ingeschreven in de Nederlandse registers van de burgerlijke stand. Gezag en hoofdverblijf 4.7 Nu de gewone verblijfplaats van de minderjarigen in Nederland is, is de Nederlandse rechter bevoegd om te beslissen op het verzoek tot vaststelling van het hoofdverblijf en voorziening in het gezag met betrekking tot de minderjarigen. De rechtbank zal hierbij Nederlands recht toepassen. 4.8 De vrouw stelt dat gezamenlijk gezag niet in het belang van de kinderen is, gelet op de structurele afwezigheid van de man in het leven van de kinderen, zijn drugsverslaving, zijn agressieve gedrag en de voortdurende bedreigingen waarmee de vrouw te maken heeft bij elk contact met de man. Er geldt nu een contactverbod van twee jaar voor de man ten aanzien van de vrouw. Ook daardoor is het niet mogelijk om in overleg beslissingen te nemen over de kinderen. De vrouw verbleef met de kinderen tot november 2022 in Marokko, terwijl de man in Nederland woonde. Zij is vanwege de medische situatie van de jongste dochter naar Nederland gekomen en woont nu hier, samen met de kinderen. De man heeft een eigen woning. Feitelijk wordt het gezag vanaf het begin alleen door de vrouw uitgeoefend. Deze situatie moet dan ook juridisch worden vastgelegd. De vrouw moet regelmatig toestemming vragen aan de man in verband met bijvoorbeeld medische zaken en vakanties. Dit geeft haar veel stress, omdat het contact agressief verloopt en de man stelselmatig alles tegenwerkt. Ook heeft de man herhaaldelijk geld geëist (€ 50,= per handtekening per kind) in ruil voor zijn toestemming voor vakanties naar Marokko. Hiermee maakt hij evident misbruik van zijn gezagspositie. De man levert geen enkele bijdrage aan verzorging, opvoeding of begeleiding van de kinderen. Zijn rol is beperkt tot sporadische, beladen contactmomenten, die bij de kinderen merkbare angst en onrust teweegbrengen. Het is schadelijk en onwerkbaar indien de vrouw voor iedere belangrijke beslissing afhankelijk blijft van de toestemming van de man. Dit bemoeilijkt niet alleen de praktische opvoeding en begeleiding van de kinderen, maar vergroot ook de stress en gevoelens van onveiligheid bij de vrouw en de kinderen. Door alleen de vrouw met het gezag te belasten, kunnen de continuïteit en stabiliteit in de opvoeding worden gewaarborgd. Partijen zijn niet in staat samen invulling te geven aan hun gezamenlijk gezag. 4.9 De Raad heeft op zitting vastgesteld dat de vrouw veel moeite moet doen om toestemming van de man te krijgen. Hierbij is opgemerkt dat het feit dat de man niet aanwezig is op de zitting, ook bevestigt dat hij niet betrokken is. De vrouw heeft in het verleden wel het nodige kunnen regelen voor de kinderen, maar de Raad kan zich voorstellen dat dit veel stress en spanningen geeft bij de vrouw en de kinderen. Het belang van de kinderen verzet zich ook niet tegen de toekenning van het eenhoofdig gezag aan de vrouw. Zij laat duidelijk zien dat zij in het belang van de kinderen handelt en een stabiele factor voor de kinderen wil zijn. 4.10 Op grond van artikel 1:251, lid 2 van het Burgerlijk Wetboek (BW) blijven de ouders na ontbinding van het huwelijk het gezag gezamenlijk uitoefenen. Artikel 1:251a, lid 1 BW bepaalt dat de rechter na ontbinding van het huwelijk kan bepalen dat het gezag over een kind aan één ouder toekomt indien er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen of wijziging van het gezag anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.
Volledig
ECLI:NL:RBZWB:2026:3174 text/xml public 2026-05-04T09:13:47 2026-04-19 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-03-19 C/02/440353 FA RK 25-5042 Uitspraak Rekestprocedure NL Breda Civiel recht; Personen- en familierecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:3174 text/html public 2026-04-29T13:37:04 2026-05-04 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBZWB:2026:3174 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 19-03-2026 / C/02/440353 FA RK 25-5042 Echtscheiding. Partijen zijn gehuwd in Marokko. Rechtsgeldig huwelijk op grond van artikel 10:31 BW. Huwelijk is niet ingeschreven in de registers in Nederland. Toewijzing eenhoofdig gezag. Artikel 1:251a BW. RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Team Familie- en Jeugdrecht Breda Zaaknummer: C/02/440353 FA RK 25-5042 26 maart 2026 beschikking betreffende echtscheiding in de zaak van [de vrouw] , wonende te [woonplaats] , hierna te noemen de vrouw, advocaat mr. Ç. Bayrak, en [de man] , wonende te [woonplaats] , hierna te noemen de man, zonder advocaat. 1 Het procesverloop 1.1 Dit blijkt uit de volgende stukken: - het op 29 september 2025 van de vrouw ontvangen verzoekschrift met bijlagen; - het op 6 oktober 2025 uitgebrachte betekeningsexploot. 1.2 De zaak is behandeld op de zitting van 3 maart 2026. Hierbij is verschenen de vrouw, bijgestaan door haar advocaat. Tevens was aanwezig een vertegenwoordiger van de Raad voor de Kinderbescherming Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, hierna te noemen de Raad. Ook was er voor de vrouw een tolk aanwezig en een begeleidster, werkzaam bij [hulpverlening] . De man is, hoewel juist opgeroepen, niet gekomen. 1.3 Na te noemen minderjarigen zijn, gelet op hun leeftijd, in staat gesteld hun mening kenbaar te maken tijdens een zogenoemd kindgesprek. Zij hebben schriftelijk gereageerd. 2 De feiten Op grond van de niet weersproken stellingen en overgelegde stukken staat tussen partijen het volgende vast: - zij zijn op [datum] 2017 in Marokko met elkaar gehuwd; voorafgaand daaraan hadden zij al een religieus huwelijk gesloten, dat op die datum is omgezet in een officieel huwelijk; - uit hun huwelijk zijn de volgende, nog minderjarige kinderen geboren: 1. [minderjarige 1] geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedag 1] 2013, 2. [minderjarige 2] , geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedag 2] 2015, 3. [minderjarige 3] , geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedag 3] 2017; 4. [minderjarige 4] , geboren te [geboorteplaats 2] op [geboortedag 4] 2019; - partijen hebben geen overeenstemming kunnen bereiken over een ouderschapsplan; - de vrouw bezit de Marokkaanse nationaliteit en de man bezit in ieder geval de Nederlandse nationaliteit; - hun huwelijk is duurzaam ontwricht. 3 Het verzoek De vrouw verzoekt, samengevat, - echtscheiding; - bepaling dat de minderjarigen hun hoofdverblijf zullen hebben bij haar; - bepaling dat voortaan aan haar alleen het gezag over de minderjarigen toekomt. 4 De beoordeling 4.1 Het verzoek is op wettelijk voorgeschreven wijze aan de man betekend. Binnen de daartoe gestelde termijn is geen verweerschrift ontvangen. Echtscheiding 4.2 De Nederlandse rechter komt rechtsmacht toe met betrekking tot het verzoek tot echtscheiding, aangezien ten tijde van de indiening van het verzoek partijen hun gewone verblijfplaats hadden in Nederland. 4.3 De rechtbank acht de vrouw ontvankelijk in haar echtscheidingsverzoek. De door haar aangevoerde omstandigheden zijn van dien aard dat van de vrouw redelijkerwijs niet kan worden verlangd dat een door beide partijen opgesteld ouderschapsplan wordt overgelegd. 4.4 De rechtbank stelt vast dat een apostille en kopie van de “huwelijksgoedkeuringsgetuigenis met vonnis oorsprong” is overgelegd, die door de daartoe bevoegde autoriteit in Marokko is afgegeven. Het tussen partijen gesloten huwelijk wordt daarom vermoed rechtsgeldig te zijn. Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die dit rechtsvermoeden weerleggen, zodat het huwelijk in Marokko als zodanig in Nederland kan worden erkend op grond van artikel 10:31 van het Burgerlijk Wetboek (BW). 4.5 De rechtbank zal op het verzoek tot echtscheiding Nederlands recht toepassen ingevolge artikel 10:56, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek. Dit verzoek zal als niet weersproken en op de wet gegrond worden toegewezen. 4.6 Op zitting is besproken dat de rechtbank is gebleken dat het huwelijk van partijen, op dat moment, niet geregistreerd staat in de Basisregistratie personen (BRP) in Nederland. Namens de vrouw is hierop aangegeven dat zij het huwelijk alsnog zal laten registreren, zodat ook de echtscheiding kan worden ingeschreven in de Nederlandse registers van de burgerlijke stand. Gezag en hoofdverblijf 4.7 Nu de gewone verblijfplaats van de minderjarigen in Nederland is, is de Nederlandse rechter bevoegd om te beslissen op het verzoek tot vaststelling van het hoofdverblijf en voorziening in het gezag met betrekking tot de minderjarigen. De rechtbank zal hierbij Nederlands recht toepassen. 4.8 De vrouw stelt dat gezamenlijk gezag niet in het belang van de kinderen is, gelet op de structurele afwezigheid van de man in het leven van de kinderen, zijn drugsverslaving, zijn agressieve gedrag en de voortdurende bedreigingen waarmee de vrouw te maken heeft bij elk contact met de man. Er geldt nu een contactverbod van twee jaar voor de man ten aanzien van de vrouw. Ook daardoor is het niet mogelijk om in overleg beslissingen te nemen over de kinderen. De vrouw verbleef met de kinderen tot november 2022 in Marokko, terwijl de man in Nederland woonde. Zij is vanwege de medische situatie van de jongste dochter naar Nederland gekomen en woont nu hier, samen met de kinderen. De man heeft een eigen woning. Feitelijk wordt het gezag vanaf het begin alleen door de vrouw uitgeoefend. Deze situatie moet dan ook juridisch worden vastgelegd. De vrouw moet regelmatig toestemming vragen aan de man in verband met bijvoorbeeld medische zaken en vakanties. Dit geeft haar veel stress, omdat het contact agressief verloopt en de man stelselmatig alles tegenwerkt. Ook heeft de man herhaaldelijk geld geëist (€ 50,= per handtekening per kind) in ruil voor zijn toestemming voor vakanties naar Marokko. Hiermee maakt hij evident misbruik van zijn gezagspositie. De man levert geen enkele bijdrage aan verzorging, opvoeding of begeleiding van de kinderen. Zijn rol is beperkt tot sporadische, beladen contactmomenten, die bij de kinderen merkbare angst en onrust teweegbrengen. Het is schadelijk en onwerkbaar indien de vrouw voor iedere belangrijke beslissing afhankelijk blijft van de toestemming van de man. Dit bemoeilijkt niet alleen de praktische opvoeding en begeleiding van de kinderen, maar vergroot ook de stress en gevoelens van onveiligheid bij de vrouw en de kinderen. Door alleen de vrouw met het gezag te belasten, kunnen de continuïteit en stabiliteit in de opvoeding worden gewaarborgd. Partijen zijn niet in staat samen invulling te geven aan hun gezamenlijk gezag. 4.9 De Raad heeft op zitting vastgesteld dat de vrouw veel moeite moet doen om toestemming van de man te krijgen. Hierbij is opgemerkt dat het feit dat de man niet aanwezig is op de zitting, ook bevestigt dat hij niet betrokken is. De vrouw heeft in het verleden wel het nodige kunnen regelen voor de kinderen, maar de Raad kan zich voorstellen dat dit veel stress en spanningen geeft bij de vrouw en de kinderen. Het belang van de kinderen verzet zich ook niet tegen de toekenning van het eenhoofdig gezag aan de vrouw. Zij laat duidelijk zien dat zij in het belang van de kinderen handelt en een stabiele factor voor de kinderen wil zijn. 4.10 Op grond van artikel 1:251, lid 2 van het Burgerlijk Wetboek (BW) blijven de ouders na ontbinding van het huwelijk het gezag gezamenlijk uitoefenen. Artikel 1:251a, lid 1 BW bepaalt dat de rechter na ontbinding van het huwelijk kan bepalen dat het gezag over een kind aan één ouder toekomt indien er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen of wijziging van het gezag anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.