Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2026-04-17
ECLI:NL:RBZWB:2026:3125
Bestuursrecht; Belastingrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
4,021 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBZWB:2026:3125 text/xml public 2026-04-29T10:07:02 2026-04-17 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-04-17 BRE 24/7185, 24/7186, 24/7187 en 24/7188 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Breda Bestuursrecht; Belastingrecht Rechtspraak.nl Viditax (FutD) 2026042410 V-N Vandaag 2026/845 http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:3125 text/html public 2026-04-24T10:14:23 2026-04-24 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBZWB:2026:3125 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 17-04-2026 / BRE 24/7185, 24/7186, 24/7187 en 24/7188 (Navorderings)aanslagen IB/PVV, fiscaal partnerschap, aftrek onderhoudsverplichtingen, zorgkosten, beroepen ongegrond. RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Zittingsplaats Breda Belastingrecht zaaknummers: BRE 24/7185, 24/7186, 24/7187 en 24/7188 uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 17 april 2026 in de zaken tussen [belanghebbende] , uit [plaats] , belanghebbende, (gemachtigde: mr. L.J. de Rijke), en de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur. Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van belanghebbende tegen de uitspraken op bezwaar van de inspecteur van 10 september 2024. 1.1. De inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2018 een aanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 27.604. 1.2. De inspecteur heeft aan belanghebbende over het jaar 2019 een navorderingsaanslag IB/PVV opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 32.248. Gelijktijdig met de vaststelling van de navorderingsaanslag heeft de inspecteur belanghebbende bij beschikking € 169 belastingrente in rekening gebracht. 1.3. De inspecteur heeft aan belanghebbende over het jaar 2020 een navorderingsaanslag IB/PVV opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 33.142. 1.4. De inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2021 een aanslag IB/PVV opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 32.248. Gelijktijdig met de vaststelling van de navorderingsaanslag heeft de inspecteur belanghebbende bij beschikking € 169 belastingrente in rekening gebracht. 1.5. De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard. 1.6. De rechtbank heeft de beroepen op 12 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van belanghebbende deelgenomen. Namens de inspecteur hebben mr. [inspecteur 1] en drs. [inspecteur 2] deelgenomen. Belanghebbende was niet aanwezig. Beoordeling door de rechtbank 2. De rechtbank beoordeelt of de aanslagen IB/PVV 2018 en 2021 en de navorderingsaanslagen IB/PVV 2019 en 2020 naar de juiste hoogten zijn opgelegd. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende. 3. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de (navorderings)aanslagen naar de juiste hoogten opgelegd. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Feiten 4. Belanghebbende was in de onderhavige jaren woonachtig in Roemenië. 4.1. Belanghebbende kwalificeert als kwalificerende buitenlandse belastingplichtige. 4.2. Belanghebbende was in de onderhavige jaren gehuwd. Belanghebbende en zijn echtgenote woonden in de onderhavige jaren niet meer samen. Belanghebbende en zijn echtgenote zijn op 20 november 2013 overeengekomen om uit elkaar te gaan maar niet te scheiden en hebben daartoe een overeenkomst opgesteld. Daarin staat voor zover van belang: “ [belanghebbende] betaalt maandelijks 200 euro alimentatie aan [persoon] . Als de eigen bijdrage van de zorgkosten meer dan 200 euro bedragen, betaalt [belanghebbende] het meerdere. Tevens betaalt [belanghebbende] jaarlijks een veertien daagse balneo kuur met een maximum van 1000 euro. Deze verplichtingen zijn geldig zolang [belanghebbende] leeft. (…)” 4.3. De echtgenote van belanghebbende heeft in de onderhavige jaren geen inkomen uit Nederland genoten en geen aangiften inkomstenbelasting in Nederland ingediend. Motivering Vooraf: prorogatie 5. Ten aanzien van de aanslag IB/PVV 2018 betreft de procedure enkel een verzoek om ambtshalve vermindering welke is afgewezen. Hoewel er geen bezwaar is gemaakt hebben partijen ingestemd met prorogatie voor deze procedure. Zijn belanghebbende en zijn echtgenote fiscaal partners? 5.1. Het geschil spitst zich toe op het volgende. De wet inkomstenbelasting kent een beperking van het partnerbegrip in artikel 1.2, vierde lid, van de Wet IB. Niet als partner wordt aangemerkt de persoon die geen inwoner van Nederland is en geen kwalificerend buitenlands belastingplichtige is. De echtgenote van belanghebbende is geen inwoner van Nederland. De vraag is of zij een kwalificerende buitenlandse belastingplichtige is. Een kwalificerende buitenlandse belastingplichtige is de persoon die als inwoner van een andere lidstaat van de Europese Unie, een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, Zwitserland of de BES eilanden in de belastingheffing van die andere lidstaat of staat of op de BES eilanden wordt betrokken en van wie het inkomen (eventueel tezamen met partner) geheel of nagenoeg geheel in Nederland is onderworpen aan loonbelasting of inkomstenbelasting. Indien de inspecteur daar om verzoekt moet de belastingplichtige een inkomensverklaring van de belastingautoriteit van zijn woonland verstrekken. 5.2. Belanghebbende heeft laten weten dat geen inkomensverklaring overgelegd kan worden door zijn echtgenote. De echtgenote van belanghebbende heeft geen aangiften gedaan voor de onderhavige jaren en heeft geen inkomsten uit Nederland ontvangen. Naar het oordeel van de rechtbank is de echtgenote van belanghebbende geen kwalificerende buitenlandse belastingplichtige waardoor belanghebbende en zijn echtgenote geen fiscaal partners zijn. Heeft belanghebbende recht op aftrek onderhoudsverplichtingen? 6. Als onderhoudsverplichtingen worden onder meer aangemerkt de periodieke uitkeringen en verstrekkingen op grond van een rechtstreeks uit het familierecht voortvloeiende verplichting. 6.1. Belanghebbende en zijn echtgenote hebben een overeenkomst gesloten inzake het uit elkaar gaan. Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit de overeenkomst niet dat hiermee een rechtstreeks uit het familierecht voortvloeiende verplichting ontstaat. Er heeft juist geen echtscheiding plaatsgevonden. Daarnaast is het onduidelijk of belanghebbende de gestelde bedragen daadwerkelijk heeft betaald. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de inspecteur daardoor terecht de aftrek onderhoudsverplichtingen geweigerd. 6.2. De gemachtigde van belanghebbende heeft ter zitting verzocht om nog een schriftelijke ronde. De rechtbank ziet onvoldoende aanleiding om nog een schriftelijke ronde te houden nu beide partijen voldoende tijd hebben gehad om stukken in te dienen en er geen wezenlijk nieuwe standpunten zijn ingenomen. Heeft belanghebbende recht op aftrek voor specifieke zorgkosten? 7. Voor de aftrek van specifieke zorgkosten ligt de bewijslast om aannemelijk te maken dat belanghebbende deze kosten heeft gemaakt bij belanghebbende. De kosten moeten zijn gemaakt in verband met ziekte of invaliditeit, de kosten moeten boven een bepaalde inkomensafhankelijke drempel uitstijgen en de kosten moeten op de belastingplichtige drukken. 7.1. Naar het oordeel van de rechtbank heeft belanghebbende de zorgkosten niet aannemelijk gemaakt. De bonnetjes die door belanghebbende zijn verstrekt zijn voor de rechtbank niet duidelijk. Uit de bonnetjes is niet op te maken waar de kosten op zien en daarnaast is een aantal bonnen niet leesbaar. Belanghebbende heeft geen recht op aftrek voor specifieke zorgkosten. Belastingverdrag 8. De gemachtigde van belanghebbende heeft ter zitting in algemene zin een beroep gedaan op het Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en Roemenië tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen en naar het vermogen en met name op het non-discriminatie artikel.
Volledig
ECLI:NL:RBZWB:2026:3125 text/xml public 2026-04-29T10:07:02 2026-04-17 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-04-17 BRE 24/7185, 24/7186, 24/7187 en 24/7188 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Breda Bestuursrecht; Belastingrecht Rechtspraak.nl Viditax (FutD) 2026042410 V-N Vandaag 2026/845 http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:3125 text/html public 2026-04-24T10:14:23 2026-04-24 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBZWB:2026:3125 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 17-04-2026 / BRE 24/7185, 24/7186, 24/7187 en 24/7188 (Navorderings)aanslagen IB/PVV, fiscaal partnerschap, aftrek onderhoudsverplichtingen, zorgkosten, beroepen ongegrond. RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Zittingsplaats Breda Belastingrecht zaaknummers: BRE 24/7185, 24/7186, 24/7187 en 24/7188 uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 17 april 2026 in de zaken tussen [belanghebbende] , uit [plaats] , belanghebbende, (gemachtigde: mr. L.J. de Rijke), en de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur. Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van belanghebbende tegen de uitspraken op bezwaar van de inspecteur van 10 september 2024. 1.1. De inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2018 een aanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 27.604. 1.2. De inspecteur heeft aan belanghebbende over het jaar 2019 een navorderingsaanslag IB/PVV opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 32.248. Gelijktijdig met de vaststelling van de navorderingsaanslag heeft de inspecteur belanghebbende bij beschikking € 169 belastingrente in rekening gebracht. 1.3. De inspecteur heeft aan belanghebbende over het jaar 2020 een navorderingsaanslag IB/PVV opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 33.142. 1.4. De inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2021 een aanslag IB/PVV opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 32.248. Gelijktijdig met de vaststelling van de navorderingsaanslag heeft de inspecteur belanghebbende bij beschikking € 169 belastingrente in rekening gebracht. 1.5. De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard. 1.6. De rechtbank heeft de beroepen op 12 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van belanghebbende deelgenomen. Namens de inspecteur hebben mr. [inspecteur 1] en drs. [inspecteur 2] deelgenomen. Belanghebbende was niet aanwezig. Beoordeling door de rechtbank 2. De rechtbank beoordeelt of de aanslagen IB/PVV 2018 en 2021 en de navorderingsaanslagen IB/PVV 2019 en 2020 naar de juiste hoogten zijn opgelegd. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende. 3. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de (navorderings)aanslagen naar de juiste hoogten opgelegd. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Feiten 4. Belanghebbende was in de onderhavige jaren woonachtig in Roemenië. 4.1. Belanghebbende kwalificeert als kwalificerende buitenlandse belastingplichtige. 4.2. Belanghebbende was in de onderhavige jaren gehuwd. Belanghebbende en zijn echtgenote woonden in de onderhavige jaren niet meer samen. Belanghebbende en zijn echtgenote zijn op 20 november 2013 overeengekomen om uit elkaar te gaan maar niet te scheiden en hebben daartoe een overeenkomst opgesteld. Daarin staat voor zover van belang: “ [belanghebbende] betaalt maandelijks 200 euro alimentatie aan [persoon] . Als de eigen bijdrage van de zorgkosten meer dan 200 euro bedragen, betaalt [belanghebbende] het meerdere. Tevens betaalt [belanghebbende] jaarlijks een veertien daagse balneo kuur met een maximum van 1000 euro. Deze verplichtingen zijn geldig zolang [belanghebbende] leeft. (…)” 4.3. De echtgenote van belanghebbende heeft in de onderhavige jaren geen inkomen uit Nederland genoten en geen aangiften inkomstenbelasting in Nederland ingediend. Motivering Vooraf: prorogatie 5. Ten aanzien van de aanslag IB/PVV 2018 betreft de procedure enkel een verzoek om ambtshalve vermindering welke is afgewezen. Hoewel er geen bezwaar is gemaakt hebben partijen ingestemd met prorogatie voor deze procedure. Zijn belanghebbende en zijn echtgenote fiscaal partners? 5.1. Het geschil spitst zich toe op het volgende. De wet inkomstenbelasting kent een beperking van het partnerbegrip in artikel 1.2, vierde lid, van de Wet IB. Niet als partner wordt aangemerkt de persoon die geen inwoner van Nederland is en geen kwalificerend buitenlands belastingplichtige is. De echtgenote van belanghebbende is geen inwoner van Nederland. De vraag is of zij een kwalificerende buitenlandse belastingplichtige is. Een kwalificerende buitenlandse belastingplichtige is de persoon die als inwoner van een andere lidstaat van de Europese Unie, een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, Zwitserland of de BES eilanden in de belastingheffing van die andere lidstaat of staat of op de BES eilanden wordt betrokken en van wie het inkomen (eventueel tezamen met partner) geheel of nagenoeg geheel in Nederland is onderworpen aan loonbelasting of inkomstenbelasting. Indien de inspecteur daar om verzoekt moet de belastingplichtige een inkomensverklaring van de belastingautoriteit van zijn woonland verstrekken. 5.2. Belanghebbende heeft laten weten dat geen inkomensverklaring overgelegd kan worden door zijn echtgenote. De echtgenote van belanghebbende heeft geen aangiften gedaan voor de onderhavige jaren en heeft geen inkomsten uit Nederland ontvangen. Naar het oordeel van de rechtbank is de echtgenote van belanghebbende geen kwalificerende buitenlandse belastingplichtige waardoor belanghebbende en zijn echtgenote geen fiscaal partners zijn. Heeft belanghebbende recht op aftrek onderhoudsverplichtingen? 6. Als onderhoudsverplichtingen worden onder meer aangemerkt de periodieke uitkeringen en verstrekkingen op grond van een rechtstreeks uit het familierecht voortvloeiende verplichting. 6.1. Belanghebbende en zijn echtgenote hebben een overeenkomst gesloten inzake het uit elkaar gaan. Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit de overeenkomst niet dat hiermee een rechtstreeks uit het familierecht voortvloeiende verplichting ontstaat. Er heeft juist geen echtscheiding plaatsgevonden. Daarnaast is het onduidelijk of belanghebbende de gestelde bedragen daadwerkelijk heeft betaald. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de inspecteur daardoor terecht de aftrek onderhoudsverplichtingen geweigerd. 6.2. De gemachtigde van belanghebbende heeft ter zitting verzocht om nog een schriftelijke ronde. De rechtbank ziet onvoldoende aanleiding om nog een schriftelijke ronde te houden nu beide partijen voldoende tijd hebben gehad om stukken in te dienen en er geen wezenlijk nieuwe standpunten zijn ingenomen. Heeft belanghebbende recht op aftrek voor specifieke zorgkosten? 7. Voor de aftrek van specifieke zorgkosten ligt de bewijslast om aannemelijk te maken dat belanghebbende deze kosten heeft gemaakt bij belanghebbende. De kosten moeten zijn gemaakt in verband met ziekte of invaliditeit, de kosten moeten boven een bepaalde inkomensafhankelijke drempel uitstijgen en de kosten moeten op de belastingplichtige drukken. 7.1. Naar het oordeel van de rechtbank heeft belanghebbende de zorgkosten niet aannemelijk gemaakt. De bonnetjes die door belanghebbende zijn verstrekt zijn voor de rechtbank niet duidelijk. Uit de bonnetjes is niet op te maken waar de kosten op zien en daarnaast is een aantal bonnen niet leesbaar. Belanghebbende heeft geen recht op aftrek voor specifieke zorgkosten. Belastingverdrag 8. De gemachtigde van belanghebbende heeft ter zitting in algemene zin een beroep gedaan op het Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en Roemenië tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen en naar het vermogen en met name op het non-discriminatie artikel.