Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2026-04-17
ECLI:NL:RBZWB:2026:3123
Bestuursrecht; Belastingrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
4,049 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBZWB:2026:3123 text/xml public 2026-04-29T10:07:46 2026-04-17 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-04-17 BRE 24/8184 en 24/8185 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Breda Bestuursrecht; Belastingrecht Rechtspraak.nl Viditax (FutD) 2026042411 FutD 2026-0744 V-N Vandaag 2026/838 http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:3123 text/html public 2026-04-24T10:18:02 2026-04-24 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBZWB:2026:3123 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 17-04-2026 / BRE 24/8184 en 24/8185 Aanslagen IB/PVV en Zvw, resultaat uit overige werkzaamheden, zorgkosten, beroep tegen aanslag IB/PVV gegrond, beroep tegen aanslag Zvw ongegrond. RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Zittingsplaats Breda Belastingrecht zaaknummers: BRE 24/8184 en 24/8185 uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 17 april 2026 in de zaken tussen [belanghebbende] , uit [plaats 1] , belanghebbende, en de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur. Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van belanghebbende tegen de uitspraken op bezwaar van de inspecteur van 24 oktober 2024. 1.1. De inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2021 een aanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 73.391. Gelijktijdig met de vaststelling van de aanslag IB/PVV heeft de inspecteur belanghebbende € 364 belastingrente in rekening gebracht (de belastingrentebeschikking). 1.2. De inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2021 ook een aanslag voor de Zorgverzekeringswet (Zvw) opgelegd naar een bijdrage-inkomen van € 15.859. 1.3. De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard. 1.4. De rechtbank heeft de beroepen op 12 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben namens de inspecteur deelgenomen: mr. [inspecteur 1] , mr. [inspecteur 2] . 1.5. Namens belanghebbende is, zonder kennisgeving aan de rechtbank, niemand verschenen. De griffier heeft op 16 december 2025 in het digitaal dossier van belanghebbende een bericht geplaatst waarbij belanghebbende is uitgenodigd om op de zitting te verschijnen. Van de plaatsing van dit bericht is op dezelfde datum een notificatie aan belanghebbende verzonden naar het door belanghebbende voor dit doel opgegeven e-mailadres. Daarom neemt de rechtbank aan dat belanghebbende dit bericht op 16 december 2025 heeft ontvangen. De rechtbank stelt daarmee vast dat belanghebbende correct en op de juiste wijze voor de zitting is uitgenodigd. Beoordeling door de rechtbank 2. De rechtbank beoordeelt of de aanslagen IB/PVV en Zvw naar de juiste hoogte zijn vastgesteld. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende. 3. Naar het oordeel van de rechtbank is de aanslag IB/PVV te hoog vastgesteld. De aanslag Zvw is niet te hoog. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Feiten 4. Belanghebbende heeft een zoon, geboren op [geboortedag] 1997. In het onderhavige jaar was hij 24 jaar oud. De zoon van belanghebbende heeft een ernstige neurologische en cognitieve beperking. Belanghebbende heeft een persoonsgebonden budget (pgb) in verband met de zorg voor haar zoon. 4.1. Belanghebbende heeft in de aangifte IB/PVV 2021 de inkomsten uit het pgb van € 30.939 als resultaat uit overige werkzaamheden aangegeven. Daarnaast heeft belanghebbende € 12.224 als kosten aangegeven. Belanghebbende heeft aangegeven dat de kosten zien op telefoon- en internetkosten, afschrijvingen en reiskosten. 4.2. Belanghebbende heeft € 10.160 aan specifieke zorgkosten opgenomen in de aangifte IB/PVV 2021. Belanghebbende heeft aangegeven dat deze kosten zien op uitgaven voor vervoer in verband met ziekte of invaliditeit. Belanghebbende heeft een drempel van € 1.777 voor de uitgaven specifieke zorgkosten. Het totale aftrekbare bedrag in de aangifte IB/PVV 2021 komt daardoor uit op € 8.383. 4.3. De inspecteur is afgeweken van de aangifte en heeft de aftrek van de vervoerskosten en de aftrek van kosten bij resultaat uit overige werkzaamheden niet toegestaan. 4.4. Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de aanslagen IB/PVV en Zvw 2021. Het bezwaarschrift is door de inspecteur ontvangen op 31 mei 2023. 4.5. De inspecteur heeft op 24 oktober 2024 uitspraak op bezwaar gedaan. Motivering Heeft belanghebbende recht op aftrek van vervoerskosten van het resultaat uit overige werkzaamheden? 5. De bewijslast om aannemelijk te maken dat belanghebbende aftrekbare kosten heeft gemaakt in verband met de inkomsten uit het pgb, ligt bij belanghebbende. Met de door belanghebbende overgelegde stukken is niet aannemelijk gemaakt dat alle vervoerskosten aftrekbaar zijn van het resultaat uit overige werkzaamheden. 5.1. Ter zitting heeft de inspecteur aangegeven akkoord te zijn met een aftrek van € 2.016 voor het wekelijks vervoer van [plaats 1] naar [plaats 2] . Ook de taxikosten van € 160 komen voor aftrek in aanmerking. De rechtbank ziet geen aanleiding om hiervan af te wijken. De overige kosten zijn naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk gemaakt. Het belastbaar inkomen uit overige werkzaamheden zal verminderd worden naar € 28.763. Heeft belanghebbende recht op aftrek van de specifieke zorgkosten? 6. Ook voor de aftrek van specifieke zorgkosten ligt de bewijslast om aannemelijk te maken dat belanghebbende deze kosten heeft gemaakt bij belanghebbende. De kosten moeten zijn gemaakt in verband met ziekte of invaliditeit, de kosten moeten boven een bepaalde inkomensafhankelijke drempel uitstijgen en de kosten moeten op de belastingplichtige drukken. 6.1. Voor wat betreft de kosten die niet rechtstreeks verband hebben met de verkrijging van geneeskundige hulp, zijn deze slechts aftrekbaar als deze meer bedragen dan die van personen die niet ziek of invalide zijn, maar overigens wat inkomen, vermogen en gezinsomstandigheden betreft, in een gelijke positie verkeren. Naar het oordeel van de rechtbank heeft belanghebbende met de overgelegde stukken niet aannemelijk gemaakt dat de kosten die zij gemaakt heeft, hoger zijn dan van een persoon die niet ziek of invalide is en die in een gelijke positie verkeert wat betreft inkomen, vermogen en gezinsomstandigheden. Daarnaast is ook de hoogte van de kosten zelf niet aannemelijk gemaakt. Voor wat betreft de kosten die rechtstreeks verband hebben met het verkrijgen van geneeskundige hulp, heeft belanghebbende naar het oordeel van de rechtbank de hoogte van de kosten niet aannemelijk gemaakt. Het is niet duidelijk hoe belanghebbende de hoogte van de kosten heeft berekend. De inspecteur heeft bij deze stand van zaken terecht de aftrek van specifieke zorgkosten geweigerd. Tussenconclusie 7. De rechtbank stelt vast dat de aanslag IB/PVV 2021 te hoog is vastgesteld. Belanghebbende heeft recht op een aftrek aan kosten van € 2.176 in verband met de inkomsten uit het pgb. Het resultaat uit overige werkzaamheden wordt daarom verminderd tot € 28.763. De inspecteur heeft ter zitting aangegeven dat voor dat geval het verzamelinkomen dan op € 70.215 moet worden vastgesteld. De aanslag Zvw 2021 is juist omdat het bijdrage-inkomen hoger blijft dan het maximum bijdrage-inkomen van € 58.311. Belastingrente 8. Belanghebbende stelt dat de inspecteur niet tijdig uitspraak op bezwaar heeft gedaan. Hierdoor is belastingrente berekend wat niet binnen de verantwoordelijkheid van belanghebbende valt. De inspecteur heeft in zijn bezwaarschrift aangegeven dat inderdaad buiten de beslistermijn uitspraak op bezwaar is gedaan. 8.1. De omstandigheid dat de inspecteur buiten de beslistermijn uitspraak op bezwaar doet, brengt niet mee dat de belastingrentebeschikking vernietigd dient te worden. Nu de met de belastingrentebeschikking samenhangende aanslag zal worden verminderd, dient de inspecteur het bedrag van de belastingrente dienovereenkomstig te verminderen. Conclusie en gevolgen 9. Het beroep tegen de aanslag IB/PVV 2021 is gegrond omdat belanghebbende recht heeft op een aftrek aan beperkte kosten in verband met de inkomsten uit het pgb.
Volledig
ECLI:NL:RBZWB:2026:3123 text/xml public 2026-04-29T10:07:46 2026-04-17 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-04-17 BRE 24/8184 en 24/8185 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Breda Bestuursrecht; Belastingrecht Rechtspraak.nl Viditax (FutD) 2026042411 FutD 2026-0744 V-N Vandaag 2026/838 http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:3123 text/html public 2026-04-24T10:18:02 2026-04-24 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBZWB:2026:3123 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 17-04-2026 / BRE 24/8184 en 24/8185 Aanslagen IB/PVV en Zvw, resultaat uit overige werkzaamheden, zorgkosten, beroep tegen aanslag IB/PVV gegrond, beroep tegen aanslag Zvw ongegrond. RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Zittingsplaats Breda Belastingrecht zaaknummers: BRE 24/8184 en 24/8185 uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 17 april 2026 in de zaken tussen [belanghebbende] , uit [plaats 1] , belanghebbende, en de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur. Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van belanghebbende tegen de uitspraken op bezwaar van de inspecteur van 24 oktober 2024. 1.1. De inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2021 een aanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 73.391. Gelijktijdig met de vaststelling van de aanslag IB/PVV heeft de inspecteur belanghebbende € 364 belastingrente in rekening gebracht (de belastingrentebeschikking). 1.2. De inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2021 ook een aanslag voor de Zorgverzekeringswet (Zvw) opgelegd naar een bijdrage-inkomen van € 15.859. 1.3. De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard. 1.4. De rechtbank heeft de beroepen op 12 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben namens de inspecteur deelgenomen: mr. [inspecteur 1] , mr. [inspecteur 2] . 1.5. Namens belanghebbende is, zonder kennisgeving aan de rechtbank, niemand verschenen. De griffier heeft op 16 december 2025 in het digitaal dossier van belanghebbende een bericht geplaatst waarbij belanghebbende is uitgenodigd om op de zitting te verschijnen. Van de plaatsing van dit bericht is op dezelfde datum een notificatie aan belanghebbende verzonden naar het door belanghebbende voor dit doel opgegeven e-mailadres. Daarom neemt de rechtbank aan dat belanghebbende dit bericht op 16 december 2025 heeft ontvangen. De rechtbank stelt daarmee vast dat belanghebbende correct en op de juiste wijze voor de zitting is uitgenodigd. Beoordeling door de rechtbank 2. De rechtbank beoordeelt of de aanslagen IB/PVV en Zvw naar de juiste hoogte zijn vastgesteld. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende. 3. Naar het oordeel van de rechtbank is de aanslag IB/PVV te hoog vastgesteld. De aanslag Zvw is niet te hoog. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Feiten 4. Belanghebbende heeft een zoon, geboren op [geboortedag] 1997. In het onderhavige jaar was hij 24 jaar oud. De zoon van belanghebbende heeft een ernstige neurologische en cognitieve beperking. Belanghebbende heeft een persoonsgebonden budget (pgb) in verband met de zorg voor haar zoon. 4.1. Belanghebbende heeft in de aangifte IB/PVV 2021 de inkomsten uit het pgb van € 30.939 als resultaat uit overige werkzaamheden aangegeven. Daarnaast heeft belanghebbende € 12.224 als kosten aangegeven. Belanghebbende heeft aangegeven dat de kosten zien op telefoon- en internetkosten, afschrijvingen en reiskosten. 4.2. Belanghebbende heeft € 10.160 aan specifieke zorgkosten opgenomen in de aangifte IB/PVV 2021. Belanghebbende heeft aangegeven dat deze kosten zien op uitgaven voor vervoer in verband met ziekte of invaliditeit. Belanghebbende heeft een drempel van € 1.777 voor de uitgaven specifieke zorgkosten. Het totale aftrekbare bedrag in de aangifte IB/PVV 2021 komt daardoor uit op € 8.383. 4.3. De inspecteur is afgeweken van de aangifte en heeft de aftrek van de vervoerskosten en de aftrek van kosten bij resultaat uit overige werkzaamheden niet toegestaan. 4.4. Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de aanslagen IB/PVV en Zvw 2021. Het bezwaarschrift is door de inspecteur ontvangen op 31 mei 2023. 4.5. De inspecteur heeft op 24 oktober 2024 uitspraak op bezwaar gedaan. Motivering Heeft belanghebbende recht op aftrek van vervoerskosten van het resultaat uit overige werkzaamheden? 5. De bewijslast om aannemelijk te maken dat belanghebbende aftrekbare kosten heeft gemaakt in verband met de inkomsten uit het pgb, ligt bij belanghebbende. Met de door belanghebbende overgelegde stukken is niet aannemelijk gemaakt dat alle vervoerskosten aftrekbaar zijn van het resultaat uit overige werkzaamheden. 5.1. Ter zitting heeft de inspecteur aangegeven akkoord te zijn met een aftrek van € 2.016 voor het wekelijks vervoer van [plaats 1] naar [plaats 2] . Ook de taxikosten van € 160 komen voor aftrek in aanmerking. De rechtbank ziet geen aanleiding om hiervan af te wijken. De overige kosten zijn naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk gemaakt. Het belastbaar inkomen uit overige werkzaamheden zal verminderd worden naar € 28.763. Heeft belanghebbende recht op aftrek van de specifieke zorgkosten? 6. Ook voor de aftrek van specifieke zorgkosten ligt de bewijslast om aannemelijk te maken dat belanghebbende deze kosten heeft gemaakt bij belanghebbende. De kosten moeten zijn gemaakt in verband met ziekte of invaliditeit, de kosten moeten boven een bepaalde inkomensafhankelijke drempel uitstijgen en de kosten moeten op de belastingplichtige drukken. 6.1. Voor wat betreft de kosten die niet rechtstreeks verband hebben met de verkrijging van geneeskundige hulp, zijn deze slechts aftrekbaar als deze meer bedragen dan die van personen die niet ziek of invalide zijn, maar overigens wat inkomen, vermogen en gezinsomstandigheden betreft, in een gelijke positie verkeren. Naar het oordeel van de rechtbank heeft belanghebbende met de overgelegde stukken niet aannemelijk gemaakt dat de kosten die zij gemaakt heeft, hoger zijn dan van een persoon die niet ziek of invalide is en die in een gelijke positie verkeert wat betreft inkomen, vermogen en gezinsomstandigheden. Daarnaast is ook de hoogte van de kosten zelf niet aannemelijk gemaakt. Voor wat betreft de kosten die rechtstreeks verband hebben met het verkrijgen van geneeskundige hulp, heeft belanghebbende naar het oordeel van de rechtbank de hoogte van de kosten niet aannemelijk gemaakt. Het is niet duidelijk hoe belanghebbende de hoogte van de kosten heeft berekend. De inspecteur heeft bij deze stand van zaken terecht de aftrek van specifieke zorgkosten geweigerd. Tussenconclusie 7. De rechtbank stelt vast dat de aanslag IB/PVV 2021 te hoog is vastgesteld. Belanghebbende heeft recht op een aftrek aan kosten van € 2.176 in verband met de inkomsten uit het pgb. Het resultaat uit overige werkzaamheden wordt daarom verminderd tot € 28.763. De inspecteur heeft ter zitting aangegeven dat voor dat geval het verzamelinkomen dan op € 70.215 moet worden vastgesteld. De aanslag Zvw 2021 is juist omdat het bijdrage-inkomen hoger blijft dan het maximum bijdrage-inkomen van € 58.311. Belastingrente 8. Belanghebbende stelt dat de inspecteur niet tijdig uitspraak op bezwaar heeft gedaan. Hierdoor is belastingrente berekend wat niet binnen de verantwoordelijkheid van belanghebbende valt. De inspecteur heeft in zijn bezwaarschrift aangegeven dat inderdaad buiten de beslistermijn uitspraak op bezwaar is gedaan. 8.1. De omstandigheid dat de inspecteur buiten de beslistermijn uitspraak op bezwaar doet, brengt niet mee dat de belastingrentebeschikking vernietigd dient te worden. Nu de met de belastingrentebeschikking samenhangende aanslag zal worden verminderd, dient de inspecteur het bedrag van de belastingrente dienovereenkomstig te verminderen. Conclusie en gevolgen 9. Het beroep tegen de aanslag IB/PVV 2021 is gegrond omdat belanghebbende recht heeft op een aftrek aan beperkte kosten in verband met de inkomsten uit het pgb.