Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2026-03-17
ECLI:NL:RBZWB:2026:3093
Civiel recht; Personen- en familierecht
Rekestprocedure
7,589 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBZWB:2026:3093 text/xml public 2026-05-07T08:59:19 2026-04-17 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-03-17 C/02/426848 FA RK 24-4382 Uitspraak Rekestprocedure NL Breda Civiel recht; Personen- en familierecht Rechtspraak.nl Sdu Nieuws Personen- en familierecht 2026/258 http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:3093 text/html public 2026-04-22T10:18:21 2026-04-23 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBZWB:2026:3093 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 17-03-2026 / C/02/426848 FA RK 24-4382 Vaststelling ouderschap na weigering man aan meewerken DNA onderzoek RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Team Familie- en Jeugdrecht Zittingsplaats: Breda Zaaknummer: C/02/426848 FA RK 24-4382 Datum uitspraak: 17 maart 2026 beschikking over gerechtelijke vaststelling ouderschap in de zaak van [de moeder] , hierna: de moeder , wonende in [woonplaats 1], advocaat: mr. T.F.W. Kouwenhoven in Amsterdam. Als belanghebbenden in deze zaak worden aangemerkt: de minderjarige, [minderjarige] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2022, hierna: [minderjarige] , wonende te [woonplaats 1], vertegenwoordigd door mr. M.A. Breewel-Witteveen in haar hoedanigheid van bijzondere curator, [de man] , hierna: de man, wonende te [woonplaats 2] . 1 Het verdere procesverloop 1.1 De rechtbank oordeelt op grond van de navolgende stukken: de in deze zaak gegeven beschikking van 13 februari 2025 en alle daarin vermelde stukken; de brief van Verilabs van 13 juni 2025; de brief van de bijzondere curator van 15 september 2025; de brief van mr. T.F.W. Kouwenhoven van 19 september 2025; de brief van mr. T.F.W. Kouwenhoven van 22 september 2025 met bijlagen; - de brief van mr. T.F.W. Kouwenhoven van 6 januari 2026 met bijlage; - de brief van Verilabs van 8 januari 2026; - de factuur van Verilabs van 30 januari 2026; - de brief van de griffier van de rechtbank van 4 februari 2026 aan mr. T.F.W. Kouwenhoven en de man; - de brief van mr. T.F.W. Kouwenhoven van 9 februari 2026. 1.2 De mondeling behandeling van het verzoek is hervat op de zitting van 19 januari 2026. Bij die behandeling zijn gekomen de moeder, bijgestaan door haar advocaat en een tolk in de Engelse taal, [minderjarige] en de bijzondere curator. 1.3 De man is juist opgeroepen, maar is niet op de zitting van 19 januari 2026 verschenen. 2 De nadere beoordeling 2.1 Bij voormelde beschikking van 13 februari 2025 heeft de rechtbank een DNA-onderzoek gelast met betrekking tot de vraag of de man de biologische vader is van [minderjarige] en de man veroordeeld aan de moeder een dwangsom te betalen van € 100,= voor iedere dag dat hij geen medewerking verleent aan dit onderzoek tot een maximum van € 4.000,= is bereikt. De rechtbank heeft Verilabs als deskundige benoemd ter beantwoording van voormelde vraag en het voorschot van dit onderzoek bepaald op € 755,= (inclusief BTW), welk voorschot vooralsnog ten laste komt van ’s-Rijks kas. De rechtbank heeft iedere verdere beslissing aangehouden in afwachting van het rapport van de deskundige en zich iedere verdere beslissing voorbehouden. 2.2 Aan de rechtbank ligt nog voor het verzoek van de moeder tot vaststelling van het ouderschap van de man over [minderjarige] . 2.3 Door en namens de moeder is tijdens de zitting aangevoerd dat de bij brief van 22 september 2025 overgelegde WhatsAppberichten tussen haar en de man dezelfde WhatsAppberichten zijn als die zij als bijlage bij het verzoekschrift als tekstfile heeft overgelegd. In de bij brief van 22 september 2025 overgelegde WhatsAppberichten zijn ook foto’s van de man te zien. Uit deze WhatsAppberichten volgt dat sprake is geweest van een relatie tussen de moeder en de man. Ook volgt hieruit dat de moeder aan de man laat weten dat zij zwanger is en dat de man hierop niet ontkennend reageert. De man stelt ook voornamen en zijn achternaam als achternaam voor. Verder volgt hieruit dat er twee afspraken bij de gemeente zijn geweest, in 2021 en 2023, om tot erkenning van [minderjarige] te komen. De moeder en de man zijn ook daadwerkelijk hiervoor bij de gemeente geweest. De gemeente is echter niet tot erkenning overgegaan, omdat de hiervoor benodigde stukken niet compleet waren. Van de poging in 2023 heeft de moeder tijdens de zitting van 19 januari 2026 een filmpje laten zien. De man heeft dus geruime tijd de intentie gehad om [minderjarige] als zijn kind te erkennen. Het is spijtig dat hij niet heeft meegewerkt aan een DNA-onderzoek en ook verder niets meer van zich heeft laten horen. Hij is wel van deze procedure op de hoogte. De deurwaarder is in het kader van deze procedure ook bij hem langs geweest. De moeder is er 100 procent zeker van dat de man de verwekker is van [minderjarige] . Zij heeft op de zitting nog getracht om telefonisch contact met de man en zijn broer te krijgen, zodat zij dit konden bevestigen. Dit is echter niet gelukt. Ook heeft de moeder op de zitting nog andere foto’s dan de reeds overgelegde foto’s van de man laten zien. De moeder zou, zo nodig, daarnaast nog aan bekenden van haar kunnen vragen of zij willen getuigen dat de man de vader is van [minderjarige] . De moeder zou graag zien dat [minderjarige] weet dat de man zijn vader is en dat de man er ook voor hem zal zijn. 2.4 De bijzondere curator heeft tijdens de zitting aangevoerd dat zij zich afvraagt of de door de moeder overgelegde WhatsAppberichten tussen de man en de moeder voldoende zijn om vast te kunnen stellen dat de man de verwekker is van [minderjarige] . Hieruit kan weliswaar worden afgeleid dat de moeder en de man een relatie met elkaar hebben gehad en dat de man bereid was om [minderjarige] te erkennen, maar dit hoeft niet te betekenen dat de man ook de verwekker is van [minderjarige] . Voor de moeder is het lastig gebleken om op een andere manier aan te tonen dat de man de verwekker is van [minderjarige] . Voor [minderjarige] is het echter van belang dat hij weet wie zijn verwekker is. Nu de man niet heeft meegewerkt aan een DNA-onderzoek, kan de rechtbank een beslissing nemen die haar geraden voorkomt. Gelet op de gelijkenissen tussen de op de zitting aanwezige [minderjarige] en de door de moeder getoonde foto’s en filmpje van de man, kan de bijzondere curator zich vinden in een toewijzing van het verzoek van de moeder. 2.5 Zoals de rechtbank al heeft overwogen in de beschikking van 13 februari 2025 is de rechtbank bevoegd om van het verzoek kennis te nemen en is op dit verzoek het Nederlandse recht van toepassing. Ook heeft de rechtbank al vastgesteld dat de moeder kan worden ontvangen in haar verzoek. Gerechtelijke vaststelling ouderschap 2.6 In artikel 1:207, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) staat dat, voor zover hier van belang, het ouderschap van een persoon, op de grond dat deze de verwekker is van het kind door de rechtbank kan worden vastgesteld op verzoek van: de moeder, tenzij het kind de leeftijd van zestien jaar heeft bereikt; het kind. In het tweede lid van dit artikel staat dat vaststelling van het ouderschap niet kan geschieden, indien: het kind twee ouders heeft; tussen de in de aanhef van het eerste lid bedoelde persoon en de moeder van het kind krachtens artikel 41 geen huwelijk zou mogen worden gesloten of krachtens artikel 80a, zesde lid, geen partnerschap zou mogen worden geregistreerd; de in de aanhef van het eerste lid bedoelde persoon een minderjarige is die de leeftijd van zestien jaren nog niet heeft bereikt, tenzij hij voordat hij deze leeftijd heeft bereikt is overleden. 2.7 Gebleken is dat de man niet heeft meegewerkt aan het door de rechtbank gelaste DNA-onderzoek. Inmiddels zijn de hieraan verbonden dwangsommen al tot het maximum verbeurd. Vanwege de weigering van de man om aan het DNA-onderzoek mee te werken, kon het DNA-onderzoek dus niet worden verricht. Nu zelfs dwangsommen hem niet hebben doen meewerken aan het DNA-onderzoek, bestaat ook niet de gerechtvaardigde verwachting dat hij binnen een afzienbare termijn alsnog zijn medewerking daaraan zal verlenen. De rechtbank zal daarom op het verzoek van de moeder een beslissing nemen die haar geraden voorkomt.
Volledig
ECLI:NL:RBZWB:2026:3093 text/xml public 2026-05-07T08:59:19 2026-04-17 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-03-17 C/02/426848 FA RK 24-4382 Uitspraak Rekestprocedure NL Breda Civiel recht; Personen- en familierecht Rechtspraak.nl Sdu Nieuws Personen- en familierecht 2026/258 http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:3093 text/html public 2026-04-22T10:18:21 2026-04-23 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBZWB:2026:3093 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 17-03-2026 / C/02/426848 FA RK 24-4382 Vaststelling ouderschap na weigering man aan meewerken DNA onderzoek RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Team Familie- en Jeugdrecht Zittingsplaats: Breda Zaaknummer: C/02/426848 FA RK 24-4382 Datum uitspraak: 17 maart 2026 beschikking over gerechtelijke vaststelling ouderschap in de zaak van [de moeder] , hierna: de moeder , wonende in [woonplaats 1], advocaat: mr. T.F.W. Kouwenhoven in Amsterdam. Als belanghebbenden in deze zaak worden aangemerkt: de minderjarige, [minderjarige] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2022, hierna: [minderjarige] , wonende te [woonplaats 1], vertegenwoordigd door mr. M.A. Breewel-Witteveen in haar hoedanigheid van bijzondere curator, [de man] , hierna: de man, wonende te [woonplaats 2] . 1 Het verdere procesverloop 1.1 De rechtbank oordeelt op grond van de navolgende stukken: de in deze zaak gegeven beschikking van 13 februari 2025 en alle daarin vermelde stukken; de brief van Verilabs van 13 juni 2025; de brief van de bijzondere curator van 15 september 2025; de brief van mr. T.F.W. Kouwenhoven van 19 september 2025; de brief van mr. T.F.W. Kouwenhoven van 22 september 2025 met bijlagen; - de brief van mr. T.F.W. Kouwenhoven van 6 januari 2026 met bijlage; - de brief van Verilabs van 8 januari 2026; - de factuur van Verilabs van 30 januari 2026; - de brief van de griffier van de rechtbank van 4 februari 2026 aan mr. T.F.W. Kouwenhoven en de man; - de brief van mr. T.F.W. Kouwenhoven van 9 februari 2026. 1.2 De mondeling behandeling van het verzoek is hervat op de zitting van 19 januari 2026. Bij die behandeling zijn gekomen de moeder, bijgestaan door haar advocaat en een tolk in de Engelse taal, [minderjarige] en de bijzondere curator. 1.3 De man is juist opgeroepen, maar is niet op de zitting van 19 januari 2026 verschenen. 2 De nadere beoordeling 2.1 Bij voormelde beschikking van 13 februari 2025 heeft de rechtbank een DNA-onderzoek gelast met betrekking tot de vraag of de man de biologische vader is van [minderjarige] en de man veroordeeld aan de moeder een dwangsom te betalen van € 100,= voor iedere dag dat hij geen medewerking verleent aan dit onderzoek tot een maximum van € 4.000,= is bereikt. De rechtbank heeft Verilabs als deskundige benoemd ter beantwoording van voormelde vraag en het voorschot van dit onderzoek bepaald op € 755,= (inclusief BTW), welk voorschot vooralsnog ten laste komt van ’s-Rijks kas. De rechtbank heeft iedere verdere beslissing aangehouden in afwachting van het rapport van de deskundige en zich iedere verdere beslissing voorbehouden. 2.2 Aan de rechtbank ligt nog voor het verzoek van de moeder tot vaststelling van het ouderschap van de man over [minderjarige] . 2.3 Door en namens de moeder is tijdens de zitting aangevoerd dat de bij brief van 22 september 2025 overgelegde WhatsAppberichten tussen haar en de man dezelfde WhatsAppberichten zijn als die zij als bijlage bij het verzoekschrift als tekstfile heeft overgelegd. In de bij brief van 22 september 2025 overgelegde WhatsAppberichten zijn ook foto’s van de man te zien. Uit deze WhatsAppberichten volgt dat sprake is geweest van een relatie tussen de moeder en de man. Ook volgt hieruit dat de moeder aan de man laat weten dat zij zwanger is en dat de man hierop niet ontkennend reageert. De man stelt ook voornamen en zijn achternaam als achternaam voor. Verder volgt hieruit dat er twee afspraken bij de gemeente zijn geweest, in 2021 en 2023, om tot erkenning van [minderjarige] te komen. De moeder en de man zijn ook daadwerkelijk hiervoor bij de gemeente geweest. De gemeente is echter niet tot erkenning overgegaan, omdat de hiervoor benodigde stukken niet compleet waren. Van de poging in 2023 heeft de moeder tijdens de zitting van 19 januari 2026 een filmpje laten zien. De man heeft dus geruime tijd de intentie gehad om [minderjarige] als zijn kind te erkennen. Het is spijtig dat hij niet heeft meegewerkt aan een DNA-onderzoek en ook verder niets meer van zich heeft laten horen. Hij is wel van deze procedure op de hoogte. De deurwaarder is in het kader van deze procedure ook bij hem langs geweest. De moeder is er 100 procent zeker van dat de man de verwekker is van [minderjarige] . Zij heeft op de zitting nog getracht om telefonisch contact met de man en zijn broer te krijgen, zodat zij dit konden bevestigen. Dit is echter niet gelukt. Ook heeft de moeder op de zitting nog andere foto’s dan de reeds overgelegde foto’s van de man laten zien. De moeder zou, zo nodig, daarnaast nog aan bekenden van haar kunnen vragen of zij willen getuigen dat de man de vader is van [minderjarige] . De moeder zou graag zien dat [minderjarige] weet dat de man zijn vader is en dat de man er ook voor hem zal zijn. 2.4 De bijzondere curator heeft tijdens de zitting aangevoerd dat zij zich afvraagt of de door de moeder overgelegde WhatsAppberichten tussen de man en de moeder voldoende zijn om vast te kunnen stellen dat de man de verwekker is van [minderjarige] . Hieruit kan weliswaar worden afgeleid dat de moeder en de man een relatie met elkaar hebben gehad en dat de man bereid was om [minderjarige] te erkennen, maar dit hoeft niet te betekenen dat de man ook de verwekker is van [minderjarige] . Voor de moeder is het lastig gebleken om op een andere manier aan te tonen dat de man de verwekker is van [minderjarige] . Voor [minderjarige] is het echter van belang dat hij weet wie zijn verwekker is. Nu de man niet heeft meegewerkt aan een DNA-onderzoek, kan de rechtbank een beslissing nemen die haar geraden voorkomt. Gelet op de gelijkenissen tussen de op de zitting aanwezige [minderjarige] en de door de moeder getoonde foto’s en filmpje van de man, kan de bijzondere curator zich vinden in een toewijzing van het verzoek van de moeder. 2.5 Zoals de rechtbank al heeft overwogen in de beschikking van 13 februari 2025 is de rechtbank bevoegd om van het verzoek kennis te nemen en is op dit verzoek het Nederlandse recht van toepassing. Ook heeft de rechtbank al vastgesteld dat de moeder kan worden ontvangen in haar verzoek. Gerechtelijke vaststelling ouderschap 2.6 In artikel 1:207, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) staat dat, voor zover hier van belang, het ouderschap van een persoon, op de grond dat deze de verwekker is van het kind door de rechtbank kan worden vastgesteld op verzoek van: de moeder, tenzij het kind de leeftijd van zestien jaar heeft bereikt; het kind. In het tweede lid van dit artikel staat dat vaststelling van het ouderschap niet kan geschieden, indien: het kind twee ouders heeft; tussen de in de aanhef van het eerste lid bedoelde persoon en de moeder van het kind krachtens artikel 41 geen huwelijk zou mogen worden gesloten of krachtens artikel 80a, zesde lid, geen partnerschap zou mogen worden geregistreerd; de in de aanhef van het eerste lid bedoelde persoon een minderjarige is die de leeftijd van zestien jaren nog niet heeft bereikt, tenzij hij voordat hij deze leeftijd heeft bereikt is overleden. 2.7 Gebleken is dat de man niet heeft meegewerkt aan het door de rechtbank gelaste DNA-onderzoek. Inmiddels zijn de hieraan verbonden dwangsommen al tot het maximum verbeurd. Vanwege de weigering van de man om aan het DNA-onderzoek mee te werken, kon het DNA-onderzoek dus niet worden verricht. Nu zelfs dwangsommen hem niet hebben doen meewerken aan het DNA-onderzoek, bestaat ook niet de gerechtvaardigde verwachting dat hij binnen een afzienbare termijn alsnog zijn medewerking daaraan zal verlenen. De rechtbank zal daarom op het verzoek van de moeder een beslissing nemen die haar geraden voorkomt.
Volledig
2.8 Uit de overgelegde stukken en wat er tijdens de zittingen op 16 januari 2025 en 19 januari 2026 is besproken, blijkt dat de moeder zeker weet dat de man de verwekker is van [minderjarige] . Zij heeft dit onderbouwd met WhatsAppberichten tussen haar en de man, waaruit blijkt dat sprake is geweest van een relatie tussen de moeder en de man. Ook blijkt hieruit dat de moeder aan de man heeft laat weten dat zij zwanger is, dat de man met voornamen en zijn achternaam als achternaam voor de baby komt en dat de moeder en de man twee afspraken bij de gemeente hebben gehad, in 2021 en 2023, om tot erkenning van [minderjarige] te komen. De moeder en de man zijn, zoals tijdens de zitting is gebleken en met een filmpje is aangetoond, ook daadwerkelijk hiervoor bij de gemeente geweest. De gemeente is vanwege het ontbreken van de hiervoor benodigde stukken evenwel niet tot erkenning overgegaan. Daarnaast heeft de moeder aan de rechtbank foto’s van de man laten zien. Zowel de bijzondere curator als de rechtbank hebben gelijkenissen tussen de op de zitting aanwezige [minderjarige] en de door de moeder getoonde foto’s en filmpje van de man gezien. Naar het oordeel van de rechtbank zijn er dan ook meerdere aanknopingspunten voor het verwekkerschap van [minderjarige] door de man. Daar tegenover staat dat de man, voor zover hij niet de verwekker van [minderjarige] zou zijn, eenvoudig had kunnen ontkrachten dat hij de verwekker van [minderjarige] is door zijn medewerking te verlenen aan het DNA-onderzoek. Dit heeft hij echter niet gedaan. Hij heeft ook niet aangegeven waarom hij niet wil meewerken aan het DNA-onderzoek, terwijl de man in de gelegenheid is gesteld verweer te voeren tegen het verzoek en bij de bijzondere curator of tijdens de zittingen zijn verhaal had kunnen doen. Van de man is echter niets vernomen. De rechtbank trekt hieruit de gevolgtrekking dat het voldoende aannemelijk is dat de man inderdaad de verwekker is van [minderjarige] , maar dat hij kennelijk, om voor hem moverende en voor de rechtbank onbekende gebleven redenen, niet wil dat hij in een familierechtelijke relatie tot [minderjarige] komt te staan. Wat deze redenen ook zouden zijn, op grond van artikel 1:207, eerste lid BW, is geen plaats voor een belangenafweging. 2.9 Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat wordt voldaan aan de wettelijke vereisten voor een gerechtelijke vaststelling van het ouderschap van de man over [minderjarige] . Het verzoek van de moeder zal daarom worden toegewezen. Kosten van het DNA-onderzoek 2.10 Bij voormelde beschikking van 13 februari 2025 heeft de rechtbank de kosten van het deskundigenonderzoek vooralsnog begroot op € 755,= (inclusief BTW), in afwachting van een definitieve beslissing over de betaling en verdeling van deze kosten, en deze kosten vooralsnog ten laste laten komen van 's-Rijks kas. 2.11 De deskundige heeft inmiddels desgevraagd aangegeven dat de kosten van het deskundigenonderzoek, dat slechts ten dele is verricht, definitief zijn begroot op € 60,= (inclusief BTW), hetgeen ten gunste van partijen afwijkt van de voorlopige begroting. 2.12 Namens de moeder is desgevraagd over de hoogte van de kosten en de vraag aan wie deze kosten ten laste kunnen worden gelegd, aangevoerd dat er redenen zijn de kosten van het deskundigenonderzoek volledig ten laste te laten komen van de man. Daartoe wijst de moeder er, onder andere, op dat de man niet heeft meegewerkt aan dit onderzoek en heeft geweigerd om deel te nemen aan deze gerechtelijke procedure. Daarnaast zijn er geen aanknopingspunten voor gerede twijfel over het genetisch vaderschap van de man over [minderjarige] . 2.13 De man is ook gevraagd om zich over de kosten van het deskundigenonderzoek uit te laten. Hij heeft van deze gelegenheid geen gebruik gemaakt. 2.14 De rechtbank overweegt dat als uitgangspunt in afstammingszaken heeft te gelden dat alle kosten behalve de deskundigenkosten van het DNA-onderzoek worden gecompenseerd, waarbij de deskundigenkosten van het DNA-onderzoek geheel ten laste van de in het ongelijk gestelde partij worden gebracht. Dit betekent in de praktijk dat ofwel één van partijen in de kosten van het DNA-onderzoek wordt veroordeeld ofwel dat partijen ieder de helft van de kosten van het deskundigenonderzoek dienen te dragen. 2.15 Gelet op de weigering van de man om zijn medewerking te verlenen aan het DNA-onderzoek alsmede de uitkomst in deze zaak, namelijk dat de rechtbank op grond van al het voorgaande het ouderschap van de man over [minderjarige] gerechtelijk zal vaststellen, zal de rechtbank de man als “in het ongelijk gestelde partij” veroordelen in de volledige kosten van het DNA-onderzoek. Het voorgaande betekent dat de man een bedrag van € 60,= (inclusief BTW) dient te voldoen. Voormeld bedrag dient hij te voldoen na ontvangst van een nota daartoe met betaalinstructies van het Landelijk Dienstencentrum voor de Rechtspraak (LDCR). Beëindiging taak van de bijzondere curator 2.16 De rechtbank is van oordeel dat de taak van de bijzondere curator in deze procedure als beëindigd kan worden beschouwd. Mocht een van partijen echter een rechtsmiddel instellen, dan herleeft de taak van de bijzondere curator. 2.17 Gelet op de aard van deze procedure zullen de overige proceskosten worden gecompenseerd. 2.18 Dit betekent dat als volgt wordt beslist. 3 De beslissing De rechtbank 3.1 stelt het ouderschap vast van [de man] , geboren te [geboorteland] in 1980, met betrekking tot de minderjarige [minderjarige] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2022; 3.2 stelt de kosten van de deskundige vast op € 60,= (inclusief btw); 3.3 veroordeelt de man tot betaling van de kosten van de deskundige, zijnde een bedrag van € 60,= (inclusief btw), welk bedrag na ontvangt van de nota met betaalinstructies van het LDCR moet worden voldaan; 3.4 compenseert de (overige) kosten van het geding aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt; 3.5 beschouwt de taak van de bijzondere curator als beëindigd; 3.6 draagt de griffier op, wanneer deze uitspraak in kracht van gewijsde is gegaan, een afschrift van deze beschikking zal doen toekomen aan de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente Nijmegen om daarin aantekening te doen van deze beschikking. Deze beschikking is gegeven door mr. Van de Kraats, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 17 maart 2026, in aanwezigheid van de griffier. Mededeling van de griffier : Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld: - door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak, - door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden. Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch. verzonden op: In verband met deze procedure/ten behoeve van een juiste procesvoering worden uw persoonsgegevens, voor zover nodig, verwerkt in een systeem van het gerecht.
Volledig
2.8 Uit de overgelegde stukken en wat er tijdens de zittingen op 16 januari 2025 en 19 januari 2026 is besproken, blijkt dat de moeder zeker weet dat de man de verwekker is van [minderjarige] . Zij heeft dit onderbouwd met WhatsAppberichten tussen haar en de man, waaruit blijkt dat sprake is geweest van een relatie tussen de moeder en de man. Ook blijkt hieruit dat de moeder aan de man heeft laat weten dat zij zwanger is, dat de man met voornamen en zijn achternaam als achternaam voor de baby komt en dat de moeder en de man twee afspraken bij de gemeente hebben gehad, in 2021 en 2023, om tot erkenning van [minderjarige] te komen. De moeder en de man zijn, zoals tijdens de zitting is gebleken en met een filmpje is aangetoond, ook daadwerkelijk hiervoor bij de gemeente geweest. De gemeente is vanwege het ontbreken van de hiervoor benodigde stukken evenwel niet tot erkenning overgegaan. Daarnaast heeft de moeder aan de rechtbank foto’s van de man laten zien. Zowel de bijzondere curator als de rechtbank hebben gelijkenissen tussen de op de zitting aanwezige [minderjarige] en de door de moeder getoonde foto’s en filmpje van de man gezien. Naar het oordeel van de rechtbank zijn er dan ook meerdere aanknopingspunten voor het verwekkerschap van [minderjarige] door de man. Daar tegenover staat dat de man, voor zover hij niet de verwekker van [minderjarige] zou zijn, eenvoudig had kunnen ontkrachten dat hij de verwekker van [minderjarige] is door zijn medewerking te verlenen aan het DNA-onderzoek. Dit heeft hij echter niet gedaan. Hij heeft ook niet aangegeven waarom hij niet wil meewerken aan het DNA-onderzoek, terwijl de man in de gelegenheid is gesteld verweer te voeren tegen het verzoek en bij de bijzondere curator of tijdens de zittingen zijn verhaal had kunnen doen. Van de man is echter niets vernomen. De rechtbank trekt hieruit de gevolgtrekking dat het voldoende aannemelijk is dat de man inderdaad de verwekker is van [minderjarige] , maar dat hij kennelijk, om voor hem moverende en voor de rechtbank onbekende gebleven redenen, niet wil dat hij in een familierechtelijke relatie tot [minderjarige] komt te staan. Wat deze redenen ook zouden zijn, op grond van artikel 1:207, eerste lid BW, is geen plaats voor een belangenafweging. 2.9 Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat wordt voldaan aan de wettelijke vereisten voor een gerechtelijke vaststelling van het ouderschap van de man over [minderjarige] . Het verzoek van de moeder zal daarom worden toegewezen. Kosten van het DNA-onderzoek 2.10 Bij voormelde beschikking van 13 februari 2025 heeft de rechtbank de kosten van het deskundigenonderzoek vooralsnog begroot op € 755,= (inclusief BTW), in afwachting van een definitieve beslissing over de betaling en verdeling van deze kosten, en deze kosten vooralsnog ten laste laten komen van 's-Rijks kas. 2.11 De deskundige heeft inmiddels desgevraagd aangegeven dat de kosten van het deskundigenonderzoek, dat slechts ten dele is verricht, definitief zijn begroot op € 60,= (inclusief BTW), hetgeen ten gunste van partijen afwijkt van de voorlopige begroting. 2.12 Namens de moeder is desgevraagd over de hoogte van de kosten en de vraag aan wie deze kosten ten laste kunnen worden gelegd, aangevoerd dat er redenen zijn de kosten van het deskundigenonderzoek volledig ten laste te laten komen van de man. Daartoe wijst de moeder er, onder andere, op dat de man niet heeft meegewerkt aan dit onderzoek en heeft geweigerd om deel te nemen aan deze gerechtelijke procedure. Daarnaast zijn er geen aanknopingspunten voor gerede twijfel over het genetisch vaderschap van de man over [minderjarige] . 2.13 De man is ook gevraagd om zich over de kosten van het deskundigenonderzoek uit te laten. Hij heeft van deze gelegenheid geen gebruik gemaakt. 2.14 De rechtbank overweegt dat als uitgangspunt in afstammingszaken heeft te gelden dat alle kosten behalve de deskundigenkosten van het DNA-onderzoek worden gecompenseerd, waarbij de deskundigenkosten van het DNA-onderzoek geheel ten laste van de in het ongelijk gestelde partij worden gebracht. Dit betekent in de praktijk dat ofwel één van partijen in de kosten van het DNA-onderzoek wordt veroordeeld ofwel dat partijen ieder de helft van de kosten van het deskundigenonderzoek dienen te dragen. 2.15 Gelet op de weigering van de man om zijn medewerking te verlenen aan het DNA-onderzoek alsmede de uitkomst in deze zaak, namelijk dat de rechtbank op grond van al het voorgaande het ouderschap van de man over [minderjarige] gerechtelijk zal vaststellen, zal de rechtbank de man als “in het ongelijk gestelde partij” veroordelen in de volledige kosten van het DNA-onderzoek. Het voorgaande betekent dat de man een bedrag van € 60,= (inclusief BTW) dient te voldoen. Voormeld bedrag dient hij te voldoen na ontvangst van een nota daartoe met betaalinstructies van het Landelijk Dienstencentrum voor de Rechtspraak (LDCR). Beëindiging taak van de bijzondere curator 2.16 De rechtbank is van oordeel dat de taak van de bijzondere curator in deze procedure als beëindigd kan worden beschouwd. Mocht een van partijen echter een rechtsmiddel instellen, dan herleeft de taak van de bijzondere curator. 2.17 Gelet op de aard van deze procedure zullen de overige proceskosten worden gecompenseerd. 2.18 Dit betekent dat als volgt wordt beslist. 3 De beslissing De rechtbank 3.1 stelt het ouderschap vast van [de man] , geboren te [geboorteland] in 1980, met betrekking tot de minderjarige [minderjarige] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2022; 3.2 stelt de kosten van de deskundige vast op € 60,= (inclusief btw); 3.3 veroordeelt de man tot betaling van de kosten van de deskundige, zijnde een bedrag van € 60,= (inclusief btw), welk bedrag na ontvangt van de nota met betaalinstructies van het LDCR moet worden voldaan; 3.4 compenseert de (overige) kosten van het geding aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt; 3.5 beschouwt de taak van de bijzondere curator als beëindigd; 3.6 draagt de griffier op, wanneer deze uitspraak in kracht van gewijsde is gegaan, een afschrift van deze beschikking zal doen toekomen aan de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente Nijmegen om daarin aantekening te doen van deze beschikking. Deze beschikking is gegeven door mr. Van de Kraats, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 17 maart 2026, in aanwezigheid van de griffier. Mededeling van de griffier : Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld: - door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak, - door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden. Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch. verzonden op: In verband met deze procedure/ten behoeve van een juiste procesvoering worden uw persoonsgegevens, voor zover nodig, verwerkt in een systeem van het gerecht.