Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2026-01-23
ECLI:NL:RBZWB:2026:309
Bestuursrecht; Belastingrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
937 tokens
=== VOLLEDIG ===
ECLI:NL:RBZWB:2026:309 text/xml public 2026-01-30T10:00:29 2026-01-23 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-01-23 BRE 25/2359 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Breda Bestuursrecht; Belastingrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:309 text/html public 2026-01-29T12:38:54 2026-01-30 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBZWB:2026:309 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 23-01-2026 / BRE 25/2359 8:54; onbevoegd RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Belastingrecht zaaknummer: BRE 25/2359 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 januari 2026 in de zaak tussen [belanghebbende], uit [plaats], belanghebbende en de invorderingsambtenaar van Belastingsamenwerking West-Brabant , de invorderingsambtenaar. Inleiding 1. In deze uitspraak beslist de rechtbank over het beroep van belanghebbende tegen de brief van de invorderingsambtenaar over beslaglegging van 4 maart 2025. 1.1. Omdat de rechtbank kennelijk onbevoegd is, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. Beoordeling door de rechtbank 2. De belastingrechter is als uitgangspunt niet bevoegd te oordelen over beslissingen van de ontvanger op grond van de IW. Voor bepaalde besluiten is in de regelgeving een uitzondering gemaakt. 3. De beslissing tot beslaglegging valt niet onder een van de uitzonderingen. De belastingrechter is dus niet bevoegd om kennis te nemen van het beroep. Dit zijn civiele kwesties die aan een civiele rechter moeten worden voorgelegd. Dit betekent dat de rechtbank ook niet toekomt aan de gronden van belanghebbende over het handelen van de invorderingsambtenaar bij de invordering. De rechtbank heeft het beroepschrift niet doorgestuurd naar de bevoegde rechter. Voor een procedure bij de civiele rechter is, in een aantal gevallen, vertegenwoordiging door een advocaat verplicht. 4. Belanghebbende heeft in het nader stuk van 17 juni 2025 te kennen gegeven dat hij het niet eens is met de invorderingskosten en rente die in rekening zijn gebracht. In deze procedure gaat het echter alleen om de beslaglegging in verband met openstaande schulden en niet om de rechtmatigheid van die schulden zelf. Tegen de invorderingskosten en rente staat zelfstandig bezwaar open op het moment dat deze in rekening worden gebracht. De rechtbank merkt daarbij op dat gelet op de data van de dwangbevelen, de bezwaartermijn waarschijnlijk inmiddels al is verstreken. Conclusie en gevolgen 5. De rechtbank is onbevoegd een inhoudelijk oordeel te geven in deze zaak over beslaglegging. 6. Belanghebbende heeft geen griffierecht betaald. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om griffierecht terug te geven. Beslissing De rechtbank verklaart zich onbevoegd. Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. S.J. Willems-Ruesink, rechter, in aanwezigheid van R.P.A.G. Dekkers, griffier, op 23 januari 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. griffier rechter De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld. Informatie over verzet Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden. Dit volgt uit artikel 8:5 van de Awb en artikel 1 van de Bevoegdheidsregeling bestuursrechtspraak die behoort bij de Awb. In dat artikel 1 wordt de Invorderingswet 1990 genoemd.