Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2026-04-15
ECLI:NL:RBZWB:2026:3084
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Bodemzaak
16,151 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBZWB:2026:3084 text/xml public 2026-05-15T10:33:17 2026-04-16 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-04-15 11710233 CV EXPL 25-2552 (T) Uitspraak Bodemzaak NL Tilburg Civiel recht; Verbintenissenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:3084 text/html public 2026-05-15T10:32:55 2026-05-15 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBZWB:2026:3084 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 15-04-2026 / 11710233 CV EXPL 25-2552 (T) Eiseres heeft een vordering tot schadevergoeding ingesteld jegens gedaagden omdat zij de huurwoning na de ontbinding van de huurovereenkomst en de ontruiming niet naar behoren hebben opgeleverd. Daarnaast waren goederen die bij aanvang van de huurovereenkomst in het gehuurde aanwezig waren, stuk of verdwenen. De kantonrechter zal de vordering gedeeltelijk afwijzen omdat eiseres haar stellingen onvoldoende heeft onderbouwd. Ten aanzien van de waarde enkele goederen heeft de kantonrechter eiseres een bewijsopdracht geven. RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Civiel recht Kantonrechter Zittingsplaats Tilburg Zaaknummer: 11710233 \ CV EXPL 25-2552 Vonnis van 15 april 2026 in de zaak van [verhuurder] , te [plaats 1] , eisende partij, hierna te noemen: [verhuurder] , gemachtigde: mr. J. van Boekel, tegen 1 [huurder 1] , te [plaats 2] , gemachtigde: mr. I.P.M.J. Nelemans, hierna te noemen: [huurder 1] , 2. [huurder 2] , te [plaats 2] , niet verschenen, 3. [huurder 2] , te [plaats 2] , niet verschenen, hierna te noemen: [huurder 2] . De zaak in het kort [verhuurder] heeft een vordering tot schadevergoeding ingesteld jegens [huurder 1] en [huurder 2] omdat zij de huurwoning van [verhuurder] na de ontbinding van de huurovereenkomst en de ontruiming niet naar behoren hebben opgeleverd. Daarnaast waren goederen die bij aanvang van de huurovereenkomst in het gehuurde aanwezig waren, stuk of verdwenen. De kantonrechter zal de vordering gedeeltelijk afwijzen en [verhuurder] met betrekking tot de waarde van enkele goederen een bewijsopdracht geven. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding - de conclusie van antwoord van [huurder 1] - de brief aan [huurder 1] waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald - de mondelinge behandeling van 5 maart 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt - het e-mailbericht van 24 februari 2026 en de akte van 26 februari 2026 van de zijde van [verhuurder] - de brieven van 2 maart en 4 maart 2026 van [huurder 1] . 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2 De feiten 2.1. [verhuurder] en [huurder 1] hadden met elkaar een huurovereenkomst gesloten met betrekking tot de woning gelegen aan [adres] te [plaats 2] . 2.2. In artikel 1.1, tweede alinea is opgenomen dat de staat van het gehuurde op de opleveringsdatum is beschreven in het als bijlage aangehechte en door partijen geparafeerde proces-verbaal van oplevering. Dit proces-verbaal is echter nooit opgemaakt. 2.3. In de huurovereenkomst is in artikel 7.2 en 7.3 het volgende opgenomen. “7.2 Verhuurder laat de onderstaande zaken in het gehuurde object achter zonder dat hier huurpenningen voor in rekening worden gebracht. Het is de huurder niet toegestaan deze zaken te verwijderen uit het object zonder schriftelijke toestemming van de verhuurder. Bij einde contract dienen onderstaande zaken weer in goede staat achter gelaten te worden. Het gaat hier om de volgende zaken met erachter vermeldt de huidige dagwaarde: Eric Kuster hoekbank, € 2000 Tv-meubel Xooon, wit. € 850 Wandmeubel, wit rustiek, € 1150 Eetkamer Fauteuls, Richmond. 4 x € 500 Amerikaanse dubbele koelkast Samsung. € 1.100 Ouderlijk dubbel bed op de kleine slaapkamer, € 500 Kasten in de studiekamer op de eerste verdieping. 5x € 150 Meubilair op de 2e verdieping, €1000 TV Samsung curve € 3000 Salontafel mei glasplaat Richmond € 1500 Eettafel met glasplaat Richmond € 1600 Vloerkleed 2 x á € 1000 p/stk 7.3 Verhuurder heeft een aantal persoonlijke zaken achtergelaten in de woning, In overleg kan dit daar bewaard blijven, bij bezwaar door de huurders dient de verhuurder dit te verwijderen.(…) 2.4. Bij vonnis van 8 mei 2024 van de kantonrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant is de tussen partijen bestaande huurovereenkomst ontbonden en zijn [huurder 1] en [huurder 2] veroordeeld tot ontruiming van het gehuurde en tot betaling van de huurachterstand. Verder is [huurder 2] veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 1.150,00 voor de stoelen en € 1.196,08 voor het alarmsysteem. 2.5. Op 17 mei 2024 is het vonnis betekend en is de ontruiming aangezegd, waarna de advocaten van partijen hebben gecorrespondeerd over vrijwillige ontruiming. Op 26 juni 2024 heeft [huurder 1] de sleutels van het gehuurde aan de advocaat van [verhuurder] afgegeven. 3 Het geschil 3.1. [verhuurder] vordert - samengevat – na eisvermindering, [huurder 2] en [huurder 1] hoofdelijk te veroordelen om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan haar een bedrag van € 14.851,67 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 26 juni 2024, althans vanaf de datum van dagvaarding, tot aan de dag van de volledige betaling, met hoofdelijke veroordeling in de proceskosten. [verhuurder] legt aan haar vordering ten grondslag dat door toedoen van [huurder 1] en [huurder 2] schade is ontstaan aan het gehuurde en zij wenst de schade op hen te verhalen. [verhuurder] stelt dat zij op de dag van afgifte van de sleutels een puinhoop in het gehuurde heeft aangetroffen. De woning was vies, er stonden goederen van gedaagden in en er was een groot aantal zaken kapot en/of verdwenen. [verhuurder] stelt dat de woning niet in de juiste staat is opgeleverd en zij maakt aanspraak op een bedrag aan schadevergoeding van in totaal € 14.851,67: € 6.040,00 voor de manuren van haar en derden om het woonhuis weer toonbaar te maken, € 3.811,67 voor de schade aan het gehuurde en € 5.000,00 aan waarde voor zaken die niet meer in het gehuurde aanwezig waren. 3.2. [huurder 1] voert verweer en concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [verhuurder] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [verhuurder] , met veroordeling van [verhuurder] in de kosten van deze procedure. [huurder 1] stelt primair dat sprake is van rechtsverwerking. Subsidiair ontkent en betwist zij de gestelde schade. De woning zag er tijdens en na de huurperiode keurig uit en zij heeft het gehuurde vóór de afgifte van de sleutels heeft schoongemaakt. [huurder 1] betwist de noodzaak van de gestelde werkzaamheden om het gehuurde in een goede staat te krijgen. Bovendien veronderstelt verkoop klaar maken meer werk dan alleen herstel van de vermeende schade. [huurder 1] stelt tot slot dat geen eindinspectie heeft plaatsgevonden en dat haar de mogelijkheid is ontnomen om eventuele schade te herstellen. 3.3. [huurder 2] heeft niet tijdig een schriftelijk antwoord ingediend of om uitstel verzocht, zodat tegen deze verstek is verleend. Gelet op het bepaalde in artikel 140 lid 3 Rv geldt dit vonnis niettemin als een vonnis op tegenspraak tegen alle gedaagden. 3.4. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan. 4 De beoordeling Te late brief en producties 4.1. [verhuurder] heeft bezwaar gemaakt tegen overlegging van de brieven van [huurder 1] van 2 maart en 4 maart 2026, beide met producties, omdat deze te laat zijn ingediend. 4.2. Op grond van artikel 87 lid 6 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering dienen processtukken en andere stukken zoveel mogelijk onmiddellijk bij dagvaarding of conclusie van antwoord en tot uiterlijk tien dagen voor de mondelinge behandeling in het geding te worden gebracht, tenzij de wet een andere termijn voorschrijft. Stukken die na die termijn of ter zitting in het geding worden gebracht, worden door de rechter buiten beschouwing gelaten, tenzij de goede procesorde zich daartegen verzet. Naar het oordeel van de kantonrechter is in dit geval geen sprake van strijd met de goede procesorde en zal zij de stukken toelaten. Daartoe wordt overwogen dat [verhuurder] al bekend was met de inhoud van deze stukken en deze stukken vanwege de beperkte hoeveelheid en inhoud eenvoudig zijn te doorgronden. Rechtsverwerking 4.3.
Volledig
ECLI:NL:RBZWB:2026:3084 text/xml public 2026-05-15T10:33:17 2026-04-16 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-04-15 11710233 CV EXPL 25-2552 (T) Uitspraak Bodemzaak NL Tilburg Civiel recht; Verbintenissenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:3084 text/html public 2026-05-15T10:32:55 2026-05-15 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBZWB:2026:3084 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 15-04-2026 / 11710233 CV EXPL 25-2552 (T) Eiseres heeft een vordering tot schadevergoeding ingesteld jegens gedaagden omdat zij de huurwoning na de ontbinding van de huurovereenkomst en de ontruiming niet naar behoren hebben opgeleverd. Daarnaast waren goederen die bij aanvang van de huurovereenkomst in het gehuurde aanwezig waren, stuk of verdwenen. De kantonrechter zal de vordering gedeeltelijk afwijzen omdat eiseres haar stellingen onvoldoende heeft onderbouwd. Ten aanzien van de waarde enkele goederen heeft de kantonrechter eiseres een bewijsopdracht geven. RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Civiel recht Kantonrechter Zittingsplaats Tilburg Zaaknummer: 11710233 \ CV EXPL 25-2552 Vonnis van 15 april 2026 in de zaak van [verhuurder] , te [plaats 1] , eisende partij, hierna te noemen: [verhuurder] , gemachtigde: mr. J. van Boekel, tegen 1 [huurder 1] , te [plaats 2] , gemachtigde: mr. I.P.M.J. Nelemans, hierna te noemen: [huurder 1] , 2. [huurder 2] , te [plaats 2] , niet verschenen, 3. [huurder 2] , te [plaats 2] , niet verschenen, hierna te noemen: [huurder 2] . De zaak in het kort [verhuurder] heeft een vordering tot schadevergoeding ingesteld jegens [huurder 1] en [huurder 2] omdat zij de huurwoning van [verhuurder] na de ontbinding van de huurovereenkomst en de ontruiming niet naar behoren hebben opgeleverd. Daarnaast waren goederen die bij aanvang van de huurovereenkomst in het gehuurde aanwezig waren, stuk of verdwenen. De kantonrechter zal de vordering gedeeltelijk afwijzen en [verhuurder] met betrekking tot de waarde van enkele goederen een bewijsopdracht geven. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding - de conclusie van antwoord van [huurder 1] - de brief aan [huurder 1] waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald - de mondelinge behandeling van 5 maart 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt - het e-mailbericht van 24 februari 2026 en de akte van 26 februari 2026 van de zijde van [verhuurder] - de brieven van 2 maart en 4 maart 2026 van [huurder 1] . 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2 De feiten 2.1. [verhuurder] en [huurder 1] hadden met elkaar een huurovereenkomst gesloten met betrekking tot de woning gelegen aan [adres] te [plaats 2] . 2.2. In artikel 1.1, tweede alinea is opgenomen dat de staat van het gehuurde op de opleveringsdatum is beschreven in het als bijlage aangehechte en door partijen geparafeerde proces-verbaal van oplevering. Dit proces-verbaal is echter nooit opgemaakt. 2.3. In de huurovereenkomst is in artikel 7.2 en 7.3 het volgende opgenomen. “7.2 Verhuurder laat de onderstaande zaken in het gehuurde object achter zonder dat hier huurpenningen voor in rekening worden gebracht. Het is de huurder niet toegestaan deze zaken te verwijderen uit het object zonder schriftelijke toestemming van de verhuurder. Bij einde contract dienen onderstaande zaken weer in goede staat achter gelaten te worden. Het gaat hier om de volgende zaken met erachter vermeldt de huidige dagwaarde: Eric Kuster hoekbank, € 2000 Tv-meubel Xooon, wit. € 850 Wandmeubel, wit rustiek, € 1150 Eetkamer Fauteuls, Richmond. 4 x € 500 Amerikaanse dubbele koelkast Samsung. € 1.100 Ouderlijk dubbel bed op de kleine slaapkamer, € 500 Kasten in de studiekamer op de eerste verdieping. 5x € 150 Meubilair op de 2e verdieping, €1000 TV Samsung curve € 3000 Salontafel mei glasplaat Richmond € 1500 Eettafel met glasplaat Richmond € 1600 Vloerkleed 2 x á € 1000 p/stk 7.3 Verhuurder heeft een aantal persoonlijke zaken achtergelaten in de woning, In overleg kan dit daar bewaard blijven, bij bezwaar door de huurders dient de verhuurder dit te verwijderen.(…) 2.4. Bij vonnis van 8 mei 2024 van de kantonrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant is de tussen partijen bestaande huurovereenkomst ontbonden en zijn [huurder 1] en [huurder 2] veroordeeld tot ontruiming van het gehuurde en tot betaling van de huurachterstand. Verder is [huurder 2] veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 1.150,00 voor de stoelen en € 1.196,08 voor het alarmsysteem. 2.5. Op 17 mei 2024 is het vonnis betekend en is de ontruiming aangezegd, waarna de advocaten van partijen hebben gecorrespondeerd over vrijwillige ontruiming. Op 26 juni 2024 heeft [huurder 1] de sleutels van het gehuurde aan de advocaat van [verhuurder] afgegeven. 3 Het geschil 3.1. [verhuurder] vordert - samengevat – na eisvermindering, [huurder 2] en [huurder 1] hoofdelijk te veroordelen om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan haar een bedrag van € 14.851,67 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 26 juni 2024, althans vanaf de datum van dagvaarding, tot aan de dag van de volledige betaling, met hoofdelijke veroordeling in de proceskosten. [verhuurder] legt aan haar vordering ten grondslag dat door toedoen van [huurder 1] en [huurder 2] schade is ontstaan aan het gehuurde en zij wenst de schade op hen te verhalen. [verhuurder] stelt dat zij op de dag van afgifte van de sleutels een puinhoop in het gehuurde heeft aangetroffen. De woning was vies, er stonden goederen van gedaagden in en er was een groot aantal zaken kapot en/of verdwenen. [verhuurder] stelt dat de woning niet in de juiste staat is opgeleverd en zij maakt aanspraak op een bedrag aan schadevergoeding van in totaal € 14.851,67: € 6.040,00 voor de manuren van haar en derden om het woonhuis weer toonbaar te maken, € 3.811,67 voor de schade aan het gehuurde en € 5.000,00 aan waarde voor zaken die niet meer in het gehuurde aanwezig waren. 3.2. [huurder 1] voert verweer en concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [verhuurder] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [verhuurder] , met veroordeling van [verhuurder] in de kosten van deze procedure. [huurder 1] stelt primair dat sprake is van rechtsverwerking. Subsidiair ontkent en betwist zij de gestelde schade. De woning zag er tijdens en na de huurperiode keurig uit en zij heeft het gehuurde vóór de afgifte van de sleutels heeft schoongemaakt. [huurder 1] betwist de noodzaak van de gestelde werkzaamheden om het gehuurde in een goede staat te krijgen. Bovendien veronderstelt verkoop klaar maken meer werk dan alleen herstel van de vermeende schade. [huurder 1] stelt tot slot dat geen eindinspectie heeft plaatsgevonden en dat haar de mogelijkheid is ontnomen om eventuele schade te herstellen. 3.3. [huurder 2] heeft niet tijdig een schriftelijk antwoord ingediend of om uitstel verzocht, zodat tegen deze verstek is verleend. Gelet op het bepaalde in artikel 140 lid 3 Rv geldt dit vonnis niettemin als een vonnis op tegenspraak tegen alle gedaagden. 3.4. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan. 4 De beoordeling Te late brief en producties 4.1. [verhuurder] heeft bezwaar gemaakt tegen overlegging van de brieven van [huurder 1] van 2 maart en 4 maart 2026, beide met producties, omdat deze te laat zijn ingediend. 4.2. Op grond van artikel 87 lid 6 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering dienen processtukken en andere stukken zoveel mogelijk onmiddellijk bij dagvaarding of conclusie van antwoord en tot uiterlijk tien dagen voor de mondelinge behandeling in het geding te worden gebracht, tenzij de wet een andere termijn voorschrijft. Stukken die na die termijn of ter zitting in het geding worden gebracht, worden door de rechter buiten beschouwing gelaten, tenzij de goede procesorde zich daartegen verzet. Naar het oordeel van de kantonrechter is in dit geval geen sprake van strijd met de goede procesorde en zal zij de stukken toelaten. Daartoe wordt overwogen dat [verhuurder] al bekend was met de inhoud van deze stukken en deze stukken vanwege de beperkte hoeveelheid en inhoud eenvoudig zijn te doorgronden. Rechtsverwerking 4.3.
Volledig
[huurder 1] heeft zich beroepen op rechtsverwerking. In vaste jurisprudentie van de Hoge Raad is als maatstaf voor een geslaagd beroep op rechtsverwerking neergelegd dat de rechthebbende zich heeft gedragen op een wijze die naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onverenigbaar is met het vervolgens geldend maken van zijn recht of bevoegdheid. Enkel tijdsverloop is daarvoor onvoldoende. Er moet sprake zijn van bijzondere omstandigheden op grond waarvan bij de wederpartij gerechtvaardigd vertrouwen is gewekt dat de rechthebbende zijn aanspraak niet meer geldend zal maken, of waardoor de positie van de wederpartij onredelijk verzwaard of benadeeld zou worden indien het recht of de bevoegdheid alsnog geldend wordt gemaakt. 4.4. De kantonrechter is van oordeel dat in dit geval geen sprake is van bijzondere omstandigheden die maken dat de aanspraak op vergoeding van de schade verloren is gegaan, en wel om de volgende redenen. 4.5. In het vonnis van 8 mei 2024 heeft de kantonrechter het volgende overwogen. 4.17 (…) Naar het oordeel van de kantonrechter kan op dit moment nog niet vast worden gesteld dat daadwerkelijk sprake is van schade. Enerzijds omdat [huurder 1] nog de mogelijkheid heeft om bij het opleveren van de woning voornoemde zaken te herstellen en anderzijds omdat (nog) niet is vast komen te staan dat sprake is van verzuim omdat [huurder 1] betwist dat zij het e-mailbericht van 10 mei 2022 heeft ontvangen waarin zij en [huurder 2] door [verhuurder] worden gewezen op de schade en waarin zij worden gesommeerd om de schade te herstellen. Het voorgaande geldt ook ten aanzien van schade aan de tweede verdieping Door [huurder 1] is aangevoerd dat er spullen van zowel haarzelf als van [verhuurder] liggen. Ook daarvoor geldt dat pas na de ontruiming kan worden vastgesteld of er daadwerkelijk schade is ontstaan en [verhuurder] schade heeft geleden. Op dit moment kan dat niet worden vastgesteld. Dat betekent dat de vordering die ziet op de schade en het verwijzen naar de schadestaat zal worden afgewezen.” Op grond van het voorgaande kan, anders dan [huurder 1] meent, worden geconcludeerd dat in het vonnis van 8 mei 2024 is beslist om de vordering tot schadevergoeding af te wijzen, omdat de schade nog niet kan worden vastgesteld. Dit betekent dat inhoudelijk niet is beslist op de gevorderde schadevergoeding. Verder is tussen partijen vast komen te staan dat op 17 mei 2024 het vonnis is betekend, waarbij de ontruiming is aangezegd. Op 26 juni 2024 heeft [huurder 1] de sleutels van het gehuurde aan de gemachtigde van [verhuurder] afgegeven, waarna [verhuurder] op 9 april 2025 deze procedure heeft opgestart. Onweersproken is gebleven dat [verhuurder] in de tussenliggende periode van 26 juni 2024 tot de datum van de dagvaarding enige handeling heeft verricht waaruit zou kunnen worden afgeleid dat zij haar vordering zou prijsgeven of dat zij zou afzien van het starten van een procedure. Enkel tijdsverloop is niet voldoende, zoals [verhuurder] terecht heeft gesteld. [huurder 1] stelt dat het gaat om de combinatie van tijdsverloop en procedure die tot het vonnis van 8 mei 2024 heeft geleid. De kantonrechter ziet daarin echter onvoldoende aanleiding om aan te nemen dat sprake is van rechtsverwerking. Weliswaar had het [verhuurder] gesierd om in een eerder stadium aanspraak te maken op vergoeding van de schade, zeker omdat al geruime tijd was verstreken na het vonnis en de oplevering van het gehuurde, maar dit maakt niet dat sprake is van bijzondere omstandigheden waardoor [verhuurder] haar rechten zou hebben verwerkt. Op grond van het voorgaande zal het verweer van [huurder 1] worden gepasseerd. De schadevergoeding 4.6. [verhuurder] vordert schadevergoeding omdat gedaagden niet correct hebben opgeleverd. De schadevergoeding die [verhuurder] heeft gevorderd, kunnen worden onderverdeeld in drie onderdelen: de kosten voor herstelwerkzaamheden en schade, de waarde van de verwijderde en/of kapotte goederen en gederfde huurinkomsten. De kantonrechter zal deze onderdelen in het navolgende puntsgewijs behandelen. Daarbij is nog wel het volgende van belang. 4.7. Partijen verschillen van mening over de vraag of naar behoren is opgeleverd en als dat niet het geval is welke kosten door gedaagden vergoed kunnen worden en in welke omvang. De kantonrechter overweegt het volgende. 4.8. Op grond van artikel 7:224 BW is een huurder verplicht het gehuurde bij het einde van de huur weer ter beschikking van de verhuurder te stellen. Hoewel in de huurovereenkomst in artikel 1.3 anders is vermeld, is tussen partijen niet in geschil dat bij aanvang van de huurovereenkomst geen beschrijving is gemaakt van de staat van het gehuurde, zodat op grond van het tweede lid van artikel 7:224 BW wordt verondersteld dat de huurder, behoudens tegenbewijs, het gehuurde in de staat heeft ontvangen zoals deze is bij het einde van de huurovereenkomst. Dit betekent dat de stelplicht en de bewijslast dat de staat ánders was bij aanvang van de huur en dat de huurder het volgens die ‘oorspronkelijke staat’ weer moet opleveren, op de verhuurder rust. 4.9. Van belang is dat een huurder verplicht is om bij het einde van de huur het gehuurde in goede staat terug te geven. Deze verplichting kan naar haar aard slechts worden nagekomen op het tijdstip waarop de huurovereenkomst eindigt. Is deze verplichting dan niet nagekomen, dan is de huurder in verzuim en schadeplichtig; een ingebrekestelling is daarvoor niet vereist. In het geval er geen (voor)inspectie is geweest en de huurder daardoor ook niet in de gelegenheid is gesteld met inachtneming van die (voor)inspectie het gehuurde correct op te leveren, kan de verhuurder slechts die kosten als schadevergoeding vorderen die de huurder zelf voor de oplevering in goede staat had moeten maken. 4.10. Uit de e-mailcorrespondentie tussen partijen blijkt dat na het vonnis van 8 mei 2024 door tussenkomst van de gemachtigden is gecorrespondeerd over de ontruiming van het gehuurde. Op 13 mei 2024 heeft mr. Van Boekel aan mr. Nelemans, samengevat, bericht dat uitvoering moet worden gegeven aan het vonnis, waarna zij op 17 mei 2024 schrijft dat [huurder 1] in overleg wil treden over de beëindiging van het contract, met de vraag of er te praten is over een vrijwillig vertrek op 1 juli 2024 zonder betekening door de deurwaarder. In de correspondentie daarna is uitsluitend de betaling van de hoofdsom, proceskosten en de rente daarover besproken. Op 24 juni 2024 is namens [verhuurder] per e-mail gevraagd of [huurder 1] vrijwillig tot ontruiming zal overgaan met inlevering van de sleutel, waarna op 25 juni 2025 namens [huurder 1] is bericht dat zij die dag de sleutels zal inleveren , wat ook is gebeurd. De kantonrechter stelt vast dat tussen partijen niet is gecorrespondeerd over de (wijze van) opleveren van het gehuurde en een te houden inspectie voorafgaand aan de oplevering. [verhuurder] heeft gesteld dat zij nadat zij de sleutels heeft ontvangen, naar de woning is gegaan en de woning heeft geïnspecteerd, buiten de aanwezigheid van [huurder 1] . Vervolgens is [verhuurder] naar zij stelt zelf met hulp van familie en bekenden aan de slag gegaan in het gehuurde om de gestelde gebreken te verhelpen, zonder eerst [huurder 1] en [huurder 2] een termijn te geven om de gebreken te herstellen. 4.11. Ter beantwoording van de vraag of [verhuurder] aanspraak kan maken op volledige vergoeding van de herstelkosten is van belang of gedaagden in de gelegenheid zijn gesteld om de schade zelf voor het einde van de huur te herstellen. Als deze gelegenheid niet is geboden, kunnen slechts die kosten worden gevorderd die gedaagden zelf hadden moeten maken om de woning in goede staat op te leveren . [verhuurder] heeft tijdens de mondelinge behandeling onder verwijzing naar het arrest van het Gerechtshof Amsterdam van 21 maart 2023 gesteld dat geen gevolgen moeten worden verbonden aan het feit dat geen eindinspectie heeft plaatsgevonden, omdat onduidelijk was wanneer zou worden ontruimd.
Volledig
[huurder 1] heeft zich beroepen op rechtsverwerking. In vaste jurisprudentie van de Hoge Raad is als maatstaf voor een geslaagd beroep op rechtsverwerking neergelegd dat de rechthebbende zich heeft gedragen op een wijze die naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onverenigbaar is met het vervolgens geldend maken van zijn recht of bevoegdheid. Enkel tijdsverloop is daarvoor onvoldoende. Er moet sprake zijn van bijzondere omstandigheden op grond waarvan bij de wederpartij gerechtvaardigd vertrouwen is gewekt dat de rechthebbende zijn aanspraak niet meer geldend zal maken, of waardoor de positie van de wederpartij onredelijk verzwaard of benadeeld zou worden indien het recht of de bevoegdheid alsnog geldend wordt gemaakt. 4.4. De kantonrechter is van oordeel dat in dit geval geen sprake is van bijzondere omstandigheden die maken dat de aanspraak op vergoeding van de schade verloren is gegaan, en wel om de volgende redenen. 4.5. In het vonnis van 8 mei 2024 heeft de kantonrechter het volgende overwogen. 4.17 (…) Naar het oordeel van de kantonrechter kan op dit moment nog niet vast worden gesteld dat daadwerkelijk sprake is van schade. Enerzijds omdat [huurder 1] nog de mogelijkheid heeft om bij het opleveren van de woning voornoemde zaken te herstellen en anderzijds omdat (nog) niet is vast komen te staan dat sprake is van verzuim omdat [huurder 1] betwist dat zij het e-mailbericht van 10 mei 2022 heeft ontvangen waarin zij en [huurder 2] door [verhuurder] worden gewezen op de schade en waarin zij worden gesommeerd om de schade te herstellen. Het voorgaande geldt ook ten aanzien van schade aan de tweede verdieping Door [huurder 1] is aangevoerd dat er spullen van zowel haarzelf als van [verhuurder] liggen. Ook daarvoor geldt dat pas na de ontruiming kan worden vastgesteld of er daadwerkelijk schade is ontstaan en [verhuurder] schade heeft geleden. Op dit moment kan dat niet worden vastgesteld. Dat betekent dat de vordering die ziet op de schade en het verwijzen naar de schadestaat zal worden afgewezen.” Op grond van het voorgaande kan, anders dan [huurder 1] meent, worden geconcludeerd dat in het vonnis van 8 mei 2024 is beslist om de vordering tot schadevergoeding af te wijzen, omdat de schade nog niet kan worden vastgesteld. Dit betekent dat inhoudelijk niet is beslist op de gevorderde schadevergoeding. Verder is tussen partijen vast komen te staan dat op 17 mei 2024 het vonnis is betekend, waarbij de ontruiming is aangezegd. Op 26 juni 2024 heeft [huurder 1] de sleutels van het gehuurde aan de gemachtigde van [verhuurder] afgegeven, waarna [verhuurder] op 9 april 2025 deze procedure heeft opgestart. Onweersproken is gebleven dat [verhuurder] in de tussenliggende periode van 26 juni 2024 tot de datum van de dagvaarding enige handeling heeft verricht waaruit zou kunnen worden afgeleid dat zij haar vordering zou prijsgeven of dat zij zou afzien van het starten van een procedure. Enkel tijdsverloop is niet voldoende, zoals [verhuurder] terecht heeft gesteld. [huurder 1] stelt dat het gaat om de combinatie van tijdsverloop en procedure die tot het vonnis van 8 mei 2024 heeft geleid. De kantonrechter ziet daarin echter onvoldoende aanleiding om aan te nemen dat sprake is van rechtsverwerking. Weliswaar had het [verhuurder] gesierd om in een eerder stadium aanspraak te maken op vergoeding van de schade, zeker omdat al geruime tijd was verstreken na het vonnis en de oplevering van het gehuurde, maar dit maakt niet dat sprake is van bijzondere omstandigheden waardoor [verhuurder] haar rechten zou hebben verwerkt. Op grond van het voorgaande zal het verweer van [huurder 1] worden gepasseerd. De schadevergoeding 4.6. [verhuurder] vordert schadevergoeding omdat gedaagden niet correct hebben opgeleverd. De schadevergoeding die [verhuurder] heeft gevorderd, kunnen worden onderverdeeld in drie onderdelen: de kosten voor herstelwerkzaamheden en schade, de waarde van de verwijderde en/of kapotte goederen en gederfde huurinkomsten. De kantonrechter zal deze onderdelen in het navolgende puntsgewijs behandelen. Daarbij is nog wel het volgende van belang. 4.7. Partijen verschillen van mening over de vraag of naar behoren is opgeleverd en als dat niet het geval is welke kosten door gedaagden vergoed kunnen worden en in welke omvang. De kantonrechter overweegt het volgende. 4.8. Op grond van artikel 7:224 BW is een huurder verplicht het gehuurde bij het einde van de huur weer ter beschikking van de verhuurder te stellen. Hoewel in de huurovereenkomst in artikel 1.3 anders is vermeld, is tussen partijen niet in geschil dat bij aanvang van de huurovereenkomst geen beschrijving is gemaakt van de staat van het gehuurde, zodat op grond van het tweede lid van artikel 7:224 BW wordt verondersteld dat de huurder, behoudens tegenbewijs, het gehuurde in de staat heeft ontvangen zoals deze is bij het einde van de huurovereenkomst. Dit betekent dat de stelplicht en de bewijslast dat de staat ánders was bij aanvang van de huur en dat de huurder het volgens die ‘oorspronkelijke staat’ weer moet opleveren, op de verhuurder rust. 4.9. Van belang is dat een huurder verplicht is om bij het einde van de huur het gehuurde in goede staat terug te geven. Deze verplichting kan naar haar aard slechts worden nagekomen op het tijdstip waarop de huurovereenkomst eindigt. Is deze verplichting dan niet nagekomen, dan is de huurder in verzuim en schadeplichtig; een ingebrekestelling is daarvoor niet vereist. In het geval er geen (voor)inspectie is geweest en de huurder daardoor ook niet in de gelegenheid is gesteld met inachtneming van die (voor)inspectie het gehuurde correct op te leveren, kan de verhuurder slechts die kosten als schadevergoeding vorderen die de huurder zelf voor de oplevering in goede staat had moeten maken. 4.10. Uit de e-mailcorrespondentie tussen partijen blijkt dat na het vonnis van 8 mei 2024 door tussenkomst van de gemachtigden is gecorrespondeerd over de ontruiming van het gehuurde. Op 13 mei 2024 heeft mr. Van Boekel aan mr. Nelemans, samengevat, bericht dat uitvoering moet worden gegeven aan het vonnis, waarna zij op 17 mei 2024 schrijft dat [huurder 1] in overleg wil treden over de beëindiging van het contract, met de vraag of er te praten is over een vrijwillig vertrek op 1 juli 2024 zonder betekening door de deurwaarder. In de correspondentie daarna is uitsluitend de betaling van de hoofdsom, proceskosten en de rente daarover besproken. Op 24 juni 2024 is namens [verhuurder] per e-mail gevraagd of [huurder 1] vrijwillig tot ontruiming zal overgaan met inlevering van de sleutel, waarna op 25 juni 2025 namens [huurder 1] is bericht dat zij die dag de sleutels zal inleveren , wat ook is gebeurd. De kantonrechter stelt vast dat tussen partijen niet is gecorrespondeerd over de (wijze van) opleveren van het gehuurde en een te houden inspectie voorafgaand aan de oplevering. [verhuurder] heeft gesteld dat zij nadat zij de sleutels heeft ontvangen, naar de woning is gegaan en de woning heeft geïnspecteerd, buiten de aanwezigheid van [huurder 1] . Vervolgens is [verhuurder] naar zij stelt zelf met hulp van familie en bekenden aan de slag gegaan in het gehuurde om de gestelde gebreken te verhelpen, zonder eerst [huurder 1] en [huurder 2] een termijn te geven om de gebreken te herstellen. 4.11. Ter beantwoording van de vraag of [verhuurder] aanspraak kan maken op volledige vergoeding van de herstelkosten is van belang of gedaagden in de gelegenheid zijn gesteld om de schade zelf voor het einde van de huur te herstellen. Als deze gelegenheid niet is geboden, kunnen slechts die kosten worden gevorderd die gedaagden zelf hadden moeten maken om de woning in goede staat op te leveren . [verhuurder] heeft tijdens de mondelinge behandeling onder verwijzing naar het arrest van het Gerechtshof Amsterdam van 21 maart 2023 gesteld dat geen gevolgen moeten worden verbonden aan het feit dat geen eindinspectie heeft plaatsgevonden, omdat onduidelijk was wanneer zou worden ontruimd.
Volledig
De kantonrechter kan erkennen dat het tijdstip van de ontruiming enigszins onduidelijk was, maar naar het oordeel van de kantonrechter dient deze omstandigheid niet voor rekening en risico van gedaagden te komen. 4.12. Verder is in het vonnis van 8 mei 2024 uitvoerig stilgestaan bij de vraag op welk moment de vaststelling van schade kan plaatsvinden: 4.17 (…)” Naar het oordeel van de kantonrechter kan op dit moment nog niet vast worden gesteld dat daadwerkelijk sprake is van schade. Enerzijds omdat [huurder 1] nog de mogelijkheid heeft om bij het opleveren van de woning voornoemde zaken te herstellen en anderzijds omdat (nog) niet is vast komen te staan dat sprake is van verzuim omdat [huurder 1] betwist dat zij het e-mailbericht van 10 mei 2022 heeft ontvangen waarin zij en [huurder 2] door [verhuurder] worden gewezen op de schade en waarin zij worden gesommeerd om de schade te herstellen. Het voorgaande geldt ook ten aanzien van schade aan de tweede verdieping. Door [huurder 1] is aangevoerd dat er spullen van zowel haarzelf als van [verhuurder] liggen. Ook daarvoor geldt dat pas na de ontruiming kan worden vastgesteld of er daadwerkelijk schade is ontstaan en [verhuurder] schade heeft geleden. Op dit moment kan dat niet worden vastgesteld.” In de procedure die tot het vonnis van 8 mei 2024 heeft geleid, hebben partijen gedebatteerd over eventuele schade aan het gehuurde. Gelet op het feit dat in die procedure de schade nog niet kon worden vastgesteld en uitdrukkelijk wordt verwezen naar de oplevering, had het op de weg van [verhuurder] gelegen om zorg te dragen voor een gezamenlijke eindinspectie en oplevering en volstond een enkel afwachten wanneer zou worden ontruimd, niet. Dit betekent dat [verhuurder] aan gedaagden alleen die kosten voor herstel van het gehuurde in rekening kan brengen die zij zouden hebben gemaakt als zij de werkzaamheden zelf zou hebben verricht. De herstelwerkzaamheden en de overige schade 4.13. [verhuurder] stelt dat omdat gedaagden de woning niet in juiste staat hebben opgeleverd, zij diverse herstelwerkzaamheden heeft moeten (laten verrichten. Zo is de woning geschilderd, zijn gaten in de wanden gedicht, is de trap gerepareerd, is de voordeur sluitend gemaakt en is de keuken en de achterplaats gereinigd. Om de kosten beperkt te houden, heeft ze hulp ingeschakeld van vrienden en familie [verhuurder] begroot de kosten van de werkzaamheden op in totaal 302 manuren á € 20,00 per uur is € 6.040,00. Daarnaast stelt [verhuurder] dat zij voor een bedrag van in totaal € 3.811,67 aan kosten heeft moeten maken voor de huur van (afval)containers, het vervangen van de sloten, alsook door derden aangeleverde bonnen en tikkies in verband met de werkzaamheden. 4.14. [huurder 1] stelt dat de hulp van vrienden en familie moet worden beschouwd als een vriendendienst en dat niet is gebleken dat [verhuurder] deze personen daarvoor heeft betaald. Verder betwist [huurder 1] de omvang van de gestelde schade. Met de sloten in de woning was niets mis en er waren volgens haar geen gaten in de muren. Ook de voordeur sloot goed, de keuken was schoon, de achtertuin en schuur waren leeg en netjes en zij betwist dat de trap kapot was. Tot slot stelt [huurder 1] dat in het gehuurde nog veel goederen en meubels van [verhuurder] aanwezig waren. Als dat allemaal is opgeruimd met het oog op de verkoop, kunnen de kosten van het afvoeren daarvan niet voor rekening komen van gedaagden. 4.15. De kantonrechter stelt voorop dat de schadevergoeding volgens vaste jurisprudentie concreet moet worden vastgesteld. Een abstracte schadeberekening is niet aan de orde. 4.16. De kantonrechter is van oordeel dat [verhuurder] onvoldoende onderbouwd heeft gesteld dat zij haar familie en vrienden heeft betaald om de gestelde werkzaamheden, die worden betwist, te verrichten. Uit de verklaringen overgelegd als productie 6 bij de akte van 26 februari 2026, blijkt wel dat [verhuurder] is geholpen door diverse personen, maar deze personen hebben niets verklaard over de ontvangst van een vergoeding. Een begin van onderbouwing ter zake enige betaling ontbreekt, zodat dit onderdeel van de vordering (ureninzet geleverde werk eisers/vrienden/familie) wordt afgewezen. De omstandigheid dat [verhuurder] voor deze werkwijze heeft gekozen vanwege financiële redenen en de op haar rustende schadebeperkingsplicht maakt dit niet anders. Daarbij komt dat de kantonrechter de redenering van [huurder 1] volgt dat het verkoop klaar maken van een woning andere werkzaamheden behelst dan een herstel van de woning in de oude staat en/of herstel van de schade. [verhuurder] heeft dit onderscheid niet althans onvoldoende inzichtelijk gemaakt, te meer nu alleen [verhuurder] alleen aanspraak kan maken op een vergoeding van de kosten die gedaagden zouden hebben gemaakt als zij de werkzaamheden zelf zou hebben verricht. 4.17. Ten aanzien van de overige schadeposten is de kantonrechter van oordeel dat [verhuurder] deze, gelet op het verweer van de zijde van [huurder 1] , ook onvoldoende gemotiveerd heeft onderbouwd. Onderliggende facturen waaruit blijkt dat en in het bevestigende geval welke kosten [verhuurder] heeft gemaakt, ontbreken. Uit het Excel-overzicht overgelegd als productie 5 van de dagvaarding zijn kosten opgevoerd die kennelijk betrekking hebben op klussen en onderhoud, maar deze posten zijn verder niet gespecificeerd of onderbouwd, zodat de enkele stelling waarop deze posten betrekking hebben, onvoldoende is. Dat in de eerdere procedure niet is weersproken dat er gaten in de muren zaten, maakt dit niet anders. Verder is gelet op het verweer van de zijde van [huurder 1] niet vast komen te staan dat de sloten, waarvan betaling wordt gevorderd, kapot waren en deze daarom vernieuwd moesten worden. Ook een factuur ontbreekt. 4.18. Ten aanzien van de opgevoerde post aan containers en het afvoeren van sloopafval overweegt de kantonrechter het volgende. Onweersproken is gebleven dat in het gehuurde nog meubels en andere spullen stonden van [verhuurder] en dat zij de woning na de oplevering tevens gereed maakte voor de verkoop, zodat de kantonrechter de stelling van [huurder 1] dat de container ook is gebruikt voor het afvoeren van de spullen van [verhuurder] of met het oog op de verkoop van de woning onderdelen vernieuwd, aannemelijk acht. De vordering tot schadevergoeding zal dan ook worden afgewezen. De kantonrechter kan zich voorstellen dat [verhuurder] enige kosten heeft gemaakt voor het herstel van de woning, maar dit is onvoldoende. Er kan immers niet worden volstaan met een abstracte berekening van de schade. Vergoeding van de waarde van diverse goederen 4.19. [verhuurder] vordert daarnaast een vergoeding van de waarde van de kapotte goederen die in het gehuurde zijn blijven staan en van goederen die zijn meegenomen. De kantonrechter zal hieronder puntsgewijs de betreffende goederen en de vraag of gedaagden daarvoor een schadevergoeding moeten betalen, bespreken. Tv-meubel Xooon en de tv Samsung Curve 4.20. [verhuurder] stelt dat bij aanvang van de huurovereenkomst het tv-meubel en de televisie aanwezig waren, maar dat het meubel kapot is achtergelaten op de zolder en de televisie is verdwenen. [verhuurder] heeft de waarde van de televisie begroot op € 3.000,00 en het meubel op € 850,00. 4.21. [huurder 1] stelt dat de televisie haar eigendom was en met betrekking tot het tv-meubel stelt zij dat zij toestemming van [verhuurder] hadden gekregen om het meubel te verkopen. [huurder 1] betwist dat het meubel kapot op de zolder lag. Tot slot wordt de waarde van de goederen betwist. 4.22. De kantonrechter stelt vast dat niet in geschil is dat de televisie en het tv-meubel waarvan vergoeding van de waarde wordt gevorderd, in artikel 7.2 van de huurovereenkomst zijn opgenomen. Dit betreffen dus goederen die door [verhuurder] in het gehuurde zijn achtergelaten. Gelet hierop, acht de kantonrechter de verder niet onderbouwde stelling van [huurder 1] dat de televisie van haar was, ongeloofwaardig.
Volledig
De kantonrechter kan erkennen dat het tijdstip van de ontruiming enigszins onduidelijk was, maar naar het oordeel van de kantonrechter dient deze omstandigheid niet voor rekening en risico van gedaagden te komen. 4.12. Verder is in het vonnis van 8 mei 2024 uitvoerig stilgestaan bij de vraag op welk moment de vaststelling van schade kan plaatsvinden: 4.17 (…)” Naar het oordeel van de kantonrechter kan op dit moment nog niet vast worden gesteld dat daadwerkelijk sprake is van schade. Enerzijds omdat [huurder 1] nog de mogelijkheid heeft om bij het opleveren van de woning voornoemde zaken te herstellen en anderzijds omdat (nog) niet is vast komen te staan dat sprake is van verzuim omdat [huurder 1] betwist dat zij het e-mailbericht van 10 mei 2022 heeft ontvangen waarin zij en [huurder 2] door [verhuurder] worden gewezen op de schade en waarin zij worden gesommeerd om de schade te herstellen. Het voorgaande geldt ook ten aanzien van schade aan de tweede verdieping. Door [huurder 1] is aangevoerd dat er spullen van zowel haarzelf als van [verhuurder] liggen. Ook daarvoor geldt dat pas na de ontruiming kan worden vastgesteld of er daadwerkelijk schade is ontstaan en [verhuurder] schade heeft geleden. Op dit moment kan dat niet worden vastgesteld.” In de procedure die tot het vonnis van 8 mei 2024 heeft geleid, hebben partijen gedebatteerd over eventuele schade aan het gehuurde. Gelet op het feit dat in die procedure de schade nog niet kon worden vastgesteld en uitdrukkelijk wordt verwezen naar de oplevering, had het op de weg van [verhuurder] gelegen om zorg te dragen voor een gezamenlijke eindinspectie en oplevering en volstond een enkel afwachten wanneer zou worden ontruimd, niet. Dit betekent dat [verhuurder] aan gedaagden alleen die kosten voor herstel van het gehuurde in rekening kan brengen die zij zouden hebben gemaakt als zij de werkzaamheden zelf zou hebben verricht. De herstelwerkzaamheden en de overige schade 4.13. [verhuurder] stelt dat omdat gedaagden de woning niet in juiste staat hebben opgeleverd, zij diverse herstelwerkzaamheden heeft moeten (laten verrichten. Zo is de woning geschilderd, zijn gaten in de wanden gedicht, is de trap gerepareerd, is de voordeur sluitend gemaakt en is de keuken en de achterplaats gereinigd. Om de kosten beperkt te houden, heeft ze hulp ingeschakeld van vrienden en familie [verhuurder] begroot de kosten van de werkzaamheden op in totaal 302 manuren á € 20,00 per uur is € 6.040,00. Daarnaast stelt [verhuurder] dat zij voor een bedrag van in totaal € 3.811,67 aan kosten heeft moeten maken voor de huur van (afval)containers, het vervangen van de sloten, alsook door derden aangeleverde bonnen en tikkies in verband met de werkzaamheden. 4.14. [huurder 1] stelt dat de hulp van vrienden en familie moet worden beschouwd als een vriendendienst en dat niet is gebleken dat [verhuurder] deze personen daarvoor heeft betaald. Verder betwist [huurder 1] de omvang van de gestelde schade. Met de sloten in de woning was niets mis en er waren volgens haar geen gaten in de muren. Ook de voordeur sloot goed, de keuken was schoon, de achtertuin en schuur waren leeg en netjes en zij betwist dat de trap kapot was. Tot slot stelt [huurder 1] dat in het gehuurde nog veel goederen en meubels van [verhuurder] aanwezig waren. Als dat allemaal is opgeruimd met het oog op de verkoop, kunnen de kosten van het afvoeren daarvan niet voor rekening komen van gedaagden. 4.15. De kantonrechter stelt voorop dat de schadevergoeding volgens vaste jurisprudentie concreet moet worden vastgesteld. Een abstracte schadeberekening is niet aan de orde. 4.16. De kantonrechter is van oordeel dat [verhuurder] onvoldoende onderbouwd heeft gesteld dat zij haar familie en vrienden heeft betaald om de gestelde werkzaamheden, die worden betwist, te verrichten. Uit de verklaringen overgelegd als productie 6 bij de akte van 26 februari 2026, blijkt wel dat [verhuurder] is geholpen door diverse personen, maar deze personen hebben niets verklaard over de ontvangst van een vergoeding. Een begin van onderbouwing ter zake enige betaling ontbreekt, zodat dit onderdeel van de vordering (ureninzet geleverde werk eisers/vrienden/familie) wordt afgewezen. De omstandigheid dat [verhuurder] voor deze werkwijze heeft gekozen vanwege financiële redenen en de op haar rustende schadebeperkingsplicht maakt dit niet anders. Daarbij komt dat de kantonrechter de redenering van [huurder 1] volgt dat het verkoop klaar maken van een woning andere werkzaamheden behelst dan een herstel van de woning in de oude staat en/of herstel van de schade. [verhuurder] heeft dit onderscheid niet althans onvoldoende inzichtelijk gemaakt, te meer nu alleen [verhuurder] alleen aanspraak kan maken op een vergoeding van de kosten die gedaagden zouden hebben gemaakt als zij de werkzaamheden zelf zou hebben verricht. 4.17. Ten aanzien van de overige schadeposten is de kantonrechter van oordeel dat [verhuurder] deze, gelet op het verweer van de zijde van [huurder 1] , ook onvoldoende gemotiveerd heeft onderbouwd. Onderliggende facturen waaruit blijkt dat en in het bevestigende geval welke kosten [verhuurder] heeft gemaakt, ontbreken. Uit het Excel-overzicht overgelegd als productie 5 van de dagvaarding zijn kosten opgevoerd die kennelijk betrekking hebben op klussen en onderhoud, maar deze posten zijn verder niet gespecificeerd of onderbouwd, zodat de enkele stelling waarop deze posten betrekking hebben, onvoldoende is. Dat in de eerdere procedure niet is weersproken dat er gaten in de muren zaten, maakt dit niet anders. Verder is gelet op het verweer van de zijde van [huurder 1] niet vast komen te staan dat de sloten, waarvan betaling wordt gevorderd, kapot waren en deze daarom vernieuwd moesten worden. Ook een factuur ontbreekt. 4.18. Ten aanzien van de opgevoerde post aan containers en het afvoeren van sloopafval overweegt de kantonrechter het volgende. Onweersproken is gebleven dat in het gehuurde nog meubels en andere spullen stonden van [verhuurder] en dat zij de woning na de oplevering tevens gereed maakte voor de verkoop, zodat de kantonrechter de stelling van [huurder 1] dat de container ook is gebruikt voor het afvoeren van de spullen van [verhuurder] of met het oog op de verkoop van de woning onderdelen vernieuwd, aannemelijk acht. De vordering tot schadevergoeding zal dan ook worden afgewezen. De kantonrechter kan zich voorstellen dat [verhuurder] enige kosten heeft gemaakt voor het herstel van de woning, maar dit is onvoldoende. Er kan immers niet worden volstaan met een abstracte berekening van de schade. Vergoeding van de waarde van diverse goederen 4.19. [verhuurder] vordert daarnaast een vergoeding van de waarde van de kapotte goederen die in het gehuurde zijn blijven staan en van goederen die zijn meegenomen. De kantonrechter zal hieronder puntsgewijs de betreffende goederen en de vraag of gedaagden daarvoor een schadevergoeding moeten betalen, bespreken. Tv-meubel Xooon en de tv Samsung Curve 4.20. [verhuurder] stelt dat bij aanvang van de huurovereenkomst het tv-meubel en de televisie aanwezig waren, maar dat het meubel kapot is achtergelaten op de zolder en de televisie is verdwenen. [verhuurder] heeft de waarde van de televisie begroot op € 3.000,00 en het meubel op € 850,00. 4.21. [huurder 1] stelt dat de televisie haar eigendom was en met betrekking tot het tv-meubel stelt zij dat zij toestemming van [verhuurder] hadden gekregen om het meubel te verkopen. [huurder 1] betwist dat het meubel kapot op de zolder lag. Tot slot wordt de waarde van de goederen betwist. 4.22. De kantonrechter stelt vast dat niet in geschil is dat de televisie en het tv-meubel waarvan vergoeding van de waarde wordt gevorderd, in artikel 7.2 van de huurovereenkomst zijn opgenomen. Dit betreffen dus goederen die door [verhuurder] in het gehuurde zijn achtergelaten. Gelet hierop, acht de kantonrechter de verder niet onderbouwde stelling van [huurder 1] dat de televisie van haar was, ongeloofwaardig.
Volledig
De kantonrechter gaat er dan ook van uit dat de televisie eigendom was van [verhuurder] was en dat, nu vaststaat dat de televisie er niet meer is, gedaagden hoofdelijk gehouden zijn tot vergoeding van de waarde van de televisie. [verhuurder] heeft betwist dat zij gedaagden toestemming had gegeven om het tv-meubel te verkopen, zodat het daartoe strekkende verweer van [huurder 1] moet worden gepasseerd. Dit betekent dat het tv-meubel nog in de woning had moeten staan dan wel dat, indien het meubel ontbreekt, gedaagden de waarde van het meubel dienen te vergoeden. Omdat de door [verhuurder] gestelde waarde van de televisie en het tv-meubel is betwist en [verhuurder] een bewijsaanbod ter zake heeft gedaan, zal zij in de gelegenheid worden gesteld om de dagwaarde van deze goederen per datum ontruiming nader te onderbouwen. De gasbarbecue 4.23. [verhuurder] stelt dat de gasbarbecue die in het gehuurde was achtergebleven, na oplevering niet meer in het gehuurde stond. Zij begroot de waarde van de barbecue op € 690,00 op het moment van sleuteloverdracht. 4.24. De kantonrechter stelt vast dat [huurder 1] niet heeft weersproken dat de gasbarbecue bij aanvang van de huurovereenkomst aanwezig was in het gehuurde, zodat daarvan wordt uitgegaan. [huurder 1] heeft als verweer gevoerd dat de gasbarbecue bij aanvang van de huurovereenkomst kapot was en dat zij toestemming had gekregen van [verhuurder] om de gasbarbecue weg te gooien, wat [verhuurder] heeft betwist. Nu [huurder 1] heeft nagelaten om haar verweer te onderbouwen, zal dit worden gepasseerd. [huurder 1] heeft de gestelde waarde betwist. Om die reden zal de kantonrechter [verhuurder] in de gelegenheid stellen om de dagwaarde van gasbarbecue nader te onderbouwen. Het wandmeubel 4.25. [verhuurder] stelt dat het wandmeubel bij aanvang van de huurovereenkomst in perfecte staat was en dat na de ontruiming van het gehuurde de lades en kastjes kapot waren. [huurder 1] heeft de stellingen van [verhuurder] betwist. 4.26. [verhuurder] heeft een foto van het wandmeubel overgelegd van naar zij stelt bij aanvang van de huurovereenkomst, productie 4 bij de dagvaarding. Ook al wordt betwist dat deze foto op dat moment is gemaakt, de foto is van een zodanige afstand genomen dat niet kan worden beoordeeld wat de staat van het wandmeubel was destijds. Productie 10 bij de akte van 26 februari 2026 van [verhuurder] betreft volgens haar een foto die is gemaakt kort na de ontruiming, maar uit deze foto blijkt naar het oordeel van de kantonrechter niet voldoende dat de kast kapot was. Dat de deurtjes openstaan zegt weinig. Weliswaar stelt [verhuurder] dat alle beglazing uit de sponningen was, dit is niet te zien op de foto. Twee deurtjes zijn mogelijk stuk, ware het niet dat de staat van het meubel bij aanvang van de huurovereenkomst niet kan worden vastgesteld, zodat ook niet kan worden vastgesteld of daarvan al sprake was bij de aanvang van het gehuurde. Nu daarnaast ook de waarde van het wandmeubel wordt betwist, heeft [verhuurder] alles overziende haar stellingen onvoldoende onderbouwd. De vordering tot vergoeding van de schade aan het wandmeubel zal worden afgewezen. Het meubilair op de tweede verdieping, ouderlijk dubbel bed op de kleine slaapkamer en tweede verdieping, het vloerkleed, de gangspiegel, de parasol voyager, de wandklok LW zilver 4.27. [verhuurder] stelt dat voornoemde goederen bij aanvang van de huurovereenkomst in het gehuurde aanwezig waren en dat deze er niet meer stonden of kapot waren toen zij de sleutel van het gehuurde had ontvangen. Zij vordert een vergoeding van de waarde van de spullen. 4.28. Ten aanzien van de wandklok, de parasol en de gangspiegel overweegt de kantonrechter dat deze goederen niet zijn vermeld in de lijst van goederen die volgens artikel 7.2 van de huurovereenkomst zijn achtergebleven in het gehuurde. [huurder 1] heeft betwist dat deze goederen aanwezig waren in het gehuurde; met het Berbers vloerkleed en de wandklok is zij niet bekend. Als productie 10 bij de akte heeft [verhuurder] foto’s overgelegd van de staat van het gehuurde nadat zij de sleutels had ontvangen. Weliswaar wordt betwist dat deze foto’s op dat moment zijn gemaakt, maar vastgesteld kan worden dat de betreffende goederen niet op de foto’s staan. Aldus is geen bewijs van aanwezigheid bij aanvang van de huur noch bij einde van de huur, zodat de vordering tot vergoeding van de waarde van de wandklok, spiegel en parasol reeds daarom wordt afgewezen. 4.29. Het meubilair op de tweede verdieping, het ouderlijk dubbel bed op de kleine slaapkamer en tweede verdieping heeft [verhuurder] naar zij stelt kapot aangetroffen. [huurder 1] stelt dat de vordering onduidelijk is, nu zij niet weet op welke goederen dit betrekking heeft. Verder stelt zij niet te kunnen vaststellen of het dubbele bed waarnaar in de huurovereenkomst wordt verwezen, ziet op het bed waarvoor [verhuurder] thans een schadevergoeding vordert. De kantonrechter overweegt dat uit de video-opnamen niet blijkt dat de bedden op de eerste verdieping kapot zijn. Op de zolder staan weliswaar kapotte goederen, maar niet kan worden vastgesteld welke goederen dit zijn, behoudens het Xooon tv-meubel wat hiervoor in rechtsoverweging 4.22 is besproken. [verhuurder] heeft nog verwezen naar enkele foto’s van de staat van de goederen van bij aanvang van het gehuurde en de staat bij ontruiming, maar gelet op het verweer van de zijde van [huurder 1] is niet vast komen te staan dat dit daadwerkelijk deze meubelen betreffen, laat staan dat door [huurder 1] wordt betwist dat de betreffende foto’s bij aanvang en bij einde huur zijn gemaakt. Dit onderdeel van de vordering zal daarom bij gebrek aan onderbouwing worden afgewezen. Samsung dubbele koelkast 4.30. [verhuurder] vordert een vergoeding van € 1.100,00 voor de Amerikaanse dubbele koelkast. [verhuurder] stelt dat deze koelkast aan de buitenzijde kapot is en dat [huurder 1] de waarde ervan dient te vergoeden. 4.31. [huurder 1] erkent dat de koelkast kapot was en dat deze in de schuur is gezet, maar stelt dat zij de koelkast hebben vervangen door een nieuwe koelkast in de keuken te plaatsen. Dat laatste heeft [verhuurder] niet betwist, zodat de kantonrechter daarvan uitgaat. [verhuurder] heeft echter nagelaten te onderbouwen wat de staat was van de koelkast bij aanvang van de huurovereenkomst. Nu verder bewijs ontbreekt ter zake de waarde van de Samsung koelkast en [verhuurder] niet heeft aangetoond dat de waarde van de Samsung koelkast substantieel hoger was dan de vervangende koelkast die volgens [verhuurder] tweedehands was, gaat de kantonrechter er bij gebrek aan nadere gegevens van uit dat deze koelkasten van vergelijkbare waarde waren. De vordering is dan ook niet toewijsbaar. De vaatwasser, de Quooker en drie vriezers 4.32. [verhuurder] stelt voorts dat in de keuken een vaatwasser en een Quooker aanwezig waren, die bij het einde van de huurovereenkomst kapot waren. Daarnaast stonden in de schuur drie professionele vriezers, die bij einde van de huur eveneens kapot waren, aldus [verhuurder] . [huurder 1] heeft deze stellingen betwist, volgens [huurder 1] waren de Quooker en de vaatwasser werkend toen zij uit de woning vertrok. De kantonrechter stelt vast dat bewijs ontbreekt van de stelling dat genoemde elektrische apparaten stuk waren. Gezien het verweer van de zijde van [huurder 1] kan dit dan ook niet tot vergoeding van de waarde van Quooker en de vaatwasser leiden. Met betrekking tot de drie vriezers heeft te gelden dat [huurder 1] heeft erkend dat de vriezers stuk waren, maar zij betwist de waarde daarvan. Nu [verhuurder] heeft nagelaten om de waarde van naar zij stelt € 1.500,00 nader te onderbouwen en deze door [huurder 1] wordt betwist, zal de vordering tot vergoeding van de waarde van de vriezers worden afgewezen. De huurinkomsten 4.33. Tot slot heeft [verhuurder] betaling gevorderd van anderhalve maand aan gederfde huurinkomsten. [verhuurder] stelt dat de woning door toedoen van gedaagden pas op 13 augustus 2024 te koop kon worden gezet, waardoor zij 1,5 maand aan huur is misgelopen tegen een huurprijs van € 1.150,00 per maand, oftewel €1 .725,00. 4.34.
Volledig
De kantonrechter gaat er dan ook van uit dat de televisie eigendom was van [verhuurder] was en dat, nu vaststaat dat de televisie er niet meer is, gedaagden hoofdelijk gehouden zijn tot vergoeding van de waarde van de televisie. [verhuurder] heeft betwist dat zij gedaagden toestemming had gegeven om het tv-meubel te verkopen, zodat het daartoe strekkende verweer van [huurder 1] moet worden gepasseerd. Dit betekent dat het tv-meubel nog in de woning had moeten staan dan wel dat, indien het meubel ontbreekt, gedaagden de waarde van het meubel dienen te vergoeden. Omdat de door [verhuurder] gestelde waarde van de televisie en het tv-meubel is betwist en [verhuurder] een bewijsaanbod ter zake heeft gedaan, zal zij in de gelegenheid worden gesteld om de dagwaarde van deze goederen per datum ontruiming nader te onderbouwen. De gasbarbecue 4.23. [verhuurder] stelt dat de gasbarbecue die in het gehuurde was achtergebleven, na oplevering niet meer in het gehuurde stond. Zij begroot de waarde van de barbecue op € 690,00 op het moment van sleuteloverdracht. 4.24. De kantonrechter stelt vast dat [huurder 1] niet heeft weersproken dat de gasbarbecue bij aanvang van de huurovereenkomst aanwezig was in het gehuurde, zodat daarvan wordt uitgegaan. [huurder 1] heeft als verweer gevoerd dat de gasbarbecue bij aanvang van de huurovereenkomst kapot was en dat zij toestemming had gekregen van [verhuurder] om de gasbarbecue weg te gooien, wat [verhuurder] heeft betwist. Nu [huurder 1] heeft nagelaten om haar verweer te onderbouwen, zal dit worden gepasseerd. [huurder 1] heeft de gestelde waarde betwist. Om die reden zal de kantonrechter [verhuurder] in de gelegenheid stellen om de dagwaarde van gasbarbecue nader te onderbouwen. Het wandmeubel 4.25. [verhuurder] stelt dat het wandmeubel bij aanvang van de huurovereenkomst in perfecte staat was en dat na de ontruiming van het gehuurde de lades en kastjes kapot waren. [huurder 1] heeft de stellingen van [verhuurder] betwist. 4.26. [verhuurder] heeft een foto van het wandmeubel overgelegd van naar zij stelt bij aanvang van de huurovereenkomst, productie 4 bij de dagvaarding. Ook al wordt betwist dat deze foto op dat moment is gemaakt, de foto is van een zodanige afstand genomen dat niet kan worden beoordeeld wat de staat van het wandmeubel was destijds. Productie 10 bij de akte van 26 februari 2026 van [verhuurder] betreft volgens haar een foto die is gemaakt kort na de ontruiming, maar uit deze foto blijkt naar het oordeel van de kantonrechter niet voldoende dat de kast kapot was. Dat de deurtjes openstaan zegt weinig. Weliswaar stelt [verhuurder] dat alle beglazing uit de sponningen was, dit is niet te zien op de foto. Twee deurtjes zijn mogelijk stuk, ware het niet dat de staat van het meubel bij aanvang van de huurovereenkomst niet kan worden vastgesteld, zodat ook niet kan worden vastgesteld of daarvan al sprake was bij de aanvang van het gehuurde. Nu daarnaast ook de waarde van het wandmeubel wordt betwist, heeft [verhuurder] alles overziende haar stellingen onvoldoende onderbouwd. De vordering tot vergoeding van de schade aan het wandmeubel zal worden afgewezen. Het meubilair op de tweede verdieping, ouderlijk dubbel bed op de kleine slaapkamer en tweede verdieping, het vloerkleed, de gangspiegel, de parasol voyager, de wandklok LW zilver 4.27. [verhuurder] stelt dat voornoemde goederen bij aanvang van de huurovereenkomst in het gehuurde aanwezig waren en dat deze er niet meer stonden of kapot waren toen zij de sleutel van het gehuurde had ontvangen. Zij vordert een vergoeding van de waarde van de spullen. 4.28. Ten aanzien van de wandklok, de parasol en de gangspiegel overweegt de kantonrechter dat deze goederen niet zijn vermeld in de lijst van goederen die volgens artikel 7.2 van de huurovereenkomst zijn achtergebleven in het gehuurde. [huurder 1] heeft betwist dat deze goederen aanwezig waren in het gehuurde; met het Berbers vloerkleed en de wandklok is zij niet bekend. Als productie 10 bij de akte heeft [verhuurder] foto’s overgelegd van de staat van het gehuurde nadat zij de sleutels had ontvangen. Weliswaar wordt betwist dat deze foto’s op dat moment zijn gemaakt, maar vastgesteld kan worden dat de betreffende goederen niet op de foto’s staan. Aldus is geen bewijs van aanwezigheid bij aanvang van de huur noch bij einde van de huur, zodat de vordering tot vergoeding van de waarde van de wandklok, spiegel en parasol reeds daarom wordt afgewezen. 4.29. Het meubilair op de tweede verdieping, het ouderlijk dubbel bed op de kleine slaapkamer en tweede verdieping heeft [verhuurder] naar zij stelt kapot aangetroffen. [huurder 1] stelt dat de vordering onduidelijk is, nu zij niet weet op welke goederen dit betrekking heeft. Verder stelt zij niet te kunnen vaststellen of het dubbele bed waarnaar in de huurovereenkomst wordt verwezen, ziet op het bed waarvoor [verhuurder] thans een schadevergoeding vordert. De kantonrechter overweegt dat uit de video-opnamen niet blijkt dat de bedden op de eerste verdieping kapot zijn. Op de zolder staan weliswaar kapotte goederen, maar niet kan worden vastgesteld welke goederen dit zijn, behoudens het Xooon tv-meubel wat hiervoor in rechtsoverweging 4.22 is besproken. [verhuurder] heeft nog verwezen naar enkele foto’s van de staat van de goederen van bij aanvang van het gehuurde en de staat bij ontruiming, maar gelet op het verweer van de zijde van [huurder 1] is niet vast komen te staan dat dit daadwerkelijk deze meubelen betreffen, laat staan dat door [huurder 1] wordt betwist dat de betreffende foto’s bij aanvang en bij einde huur zijn gemaakt. Dit onderdeel van de vordering zal daarom bij gebrek aan onderbouwing worden afgewezen. Samsung dubbele koelkast 4.30. [verhuurder] vordert een vergoeding van € 1.100,00 voor de Amerikaanse dubbele koelkast. [verhuurder] stelt dat deze koelkast aan de buitenzijde kapot is en dat [huurder 1] de waarde ervan dient te vergoeden. 4.31. [huurder 1] erkent dat de koelkast kapot was en dat deze in de schuur is gezet, maar stelt dat zij de koelkast hebben vervangen door een nieuwe koelkast in de keuken te plaatsen. Dat laatste heeft [verhuurder] niet betwist, zodat de kantonrechter daarvan uitgaat. [verhuurder] heeft echter nagelaten te onderbouwen wat de staat was van de koelkast bij aanvang van de huurovereenkomst. Nu verder bewijs ontbreekt ter zake de waarde van de Samsung koelkast en [verhuurder] niet heeft aangetoond dat de waarde van de Samsung koelkast substantieel hoger was dan de vervangende koelkast die volgens [verhuurder] tweedehands was, gaat de kantonrechter er bij gebrek aan nadere gegevens van uit dat deze koelkasten van vergelijkbare waarde waren. De vordering is dan ook niet toewijsbaar. De vaatwasser, de Quooker en drie vriezers 4.32. [verhuurder] stelt voorts dat in de keuken een vaatwasser en een Quooker aanwezig waren, die bij het einde van de huurovereenkomst kapot waren. Daarnaast stonden in de schuur drie professionele vriezers, die bij einde van de huur eveneens kapot waren, aldus [verhuurder] . [huurder 1] heeft deze stellingen betwist, volgens [huurder 1] waren de Quooker en de vaatwasser werkend toen zij uit de woning vertrok. De kantonrechter stelt vast dat bewijs ontbreekt van de stelling dat genoemde elektrische apparaten stuk waren. Gezien het verweer van de zijde van [huurder 1] kan dit dan ook niet tot vergoeding van de waarde van Quooker en de vaatwasser leiden. Met betrekking tot de drie vriezers heeft te gelden dat [huurder 1] heeft erkend dat de vriezers stuk waren, maar zij betwist de waarde daarvan. Nu [verhuurder] heeft nagelaten om de waarde van naar zij stelt € 1.500,00 nader te onderbouwen en deze door [huurder 1] wordt betwist, zal de vordering tot vergoeding van de waarde van de vriezers worden afgewezen. De huurinkomsten 4.33. Tot slot heeft [verhuurder] betaling gevorderd van anderhalve maand aan gederfde huurinkomsten. [verhuurder] stelt dat de woning door toedoen van gedaagden pas op 13 augustus 2024 te koop kon worden gezet, waardoor zij 1,5 maand aan huur is misgelopen tegen een huurprijs van € 1.150,00 per maand, oftewel €1 .725,00. 4.34.