Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2026-04-15
ECLI:NL:RBZWB:2026:3007
Civiel recht
Bodemzaak
8,127 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBZWB:2026:3007 text/xml public 2026-04-28T14:26:59 2026-04-15 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-04-15 C/02/431229 / HA ZA 25-53 (E) Uitspraak Bodemzaak NL Breda Civiel recht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:3007 text/html public 2026-04-24T16:03:13 2026-04-28 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBZWB:2026:3007 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 15-04-2026 / C/02/431229 / HA ZA 25-53 (E) schadebegroting na tussenvonnis. RECHTBANK Zeeland-West-Brabant Cluster II Handelszaken Breda Zaaknummer / rolnummer: C/02/431229 / HA ZA 25-53 Vonnis van 15 april 2026 in de zaak van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid INDO FUSION B.V. , gevestigd te Teteringen, eiseres, hierna te noemen: Indo Fusion, advocaat: mr. M.S. Smit, tegen de publiekrechtelijke rechtspersoon GEMEENTE BREDA , te Breda, gedaagde, hierna te noemen: de Gemeente, advocaat: mr. L.W. Feenstra en [advocaat] . 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - het tussenvonnis van 15 oktober 2025 en de daarin genoemde stukken, - de akte uitlaten na tussenvonnis tevens akte eiswijziging met producties 27 tot en met 29 zijdens Indo Fusion, - de antwoordakte zijdens de Gemeente met productie 13. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2 De verdere beoordeling Inleiding 2.1. In het tussenvonnis van 15 oktober 2025 heeft de rechtbank, kort samengevat, geoordeeld dat de Gemeente Indo Fusion onterecht als overtreder heeft aangemerkt. Hierdoor kon Indo Fusion geen gebruik maken van de haar toegekende vergunning en het is aannemelijk dat zij als gevolg daarvan schade heeft geleden die de Gemeente dient te vergoeden. Omdat Indo Fusion in haar eerdere schadeberekening is uitgegaan van andere uitgangspunten dan waar de rechtbank toe komt, is zij in de gelegenheid gesteld haar schade nader te onderbouwen. Indo Fusion mocht haar schadebegroting opnieuw toelichten aan de hand van de juiste hypothetische situatie (waarin zij snoep, ijs, frisdrank en aanverwante artikelen als chips zou hebben verkocht) en de werkelijke situatie. Daarbij is opgemerkt dat de cijfers van Lera mogelijk mede ter onderbouwing kunnen dienen. De rechtbank komt niet terug op haar eerdere overwegingen 2.2. Partijen mochten zich uitsluitend over deze nadere schadeberekening uitlaten. Het was uitdrukkelijk niet de bedoeling dat partijen in hun aktes na tussenvonnis andere stellingen of standpunten (nader) zouden toelichten, aanvullen of wijzigen. Indo Fusion gaat in de eerste vijf pagina’s van haar akte echter in op het feit dat zij zich niet kan vinden in de overweging van de rechtbank dat voor de begroting van de schade uit moet worden gegaan van de verkoop van de vergunde artikelen (snoep, ijs, frisdrank en aanverwante artikelen) in plaats van friet en gefrituurde snacks. Voor zover zij de rechtbank hiermee heeft willen verzoeken terug te komen op haar oordeel op dit punt, ziet de rechtbank daartoe geen aanleiding. Dat de Gemeente op geen enkel eerder moment bezwaar heeft gemaakt tegen het door Indo Fusion gevoerde assortiment is immers reeds in het tussenvonnis onderkend en niet van doorslaggevend belang geacht. Verwezen wordt naar het overwogene onder 5.14 van het tussenvonnis. Dat de Gemeente na het vertrek van Indo Fusion de wens had voor en belang had bij een verkooppunt voor friet en warme snacks, hetgeen blijkt uit de vervolgens aan [bedrijf ] verleende vergunning voor de verkoop hiervan, brengt evenmin met zich dat het daarom Indo Fusion – die hier geen vergunning voor had – zou zijn toegestaan deze waren te verkopen. 2.3. Dit betekent dat hetgeen Indo Fusion primair vordert niet toewijsbaar is. De rechtbank zal hierna overgaan tot beoordeling van het subsidiair door Indo Fusion ingenomen standpunt. Inleidende opmerkingen schadebegroting 2.4. Indo Fusion heeft in haar akte na tussenvonnis, mede aan de hand van de omzetgegevens van de verkoopkar die door Lera werd geëxploiteerd op [nummer 1] , een eerste voorzichtige en globale inschatting willen maken van de omzet die Indo Fusion had kunnen genereren met de verkoop van snoep, ijs, frisdrank en aanverwante artikelen op [nummer 2] . Ter onderbouwing heeft Indo Fusion een Excel-bestand met omzetgegevens van de verkoopkar van Lera over de periode juli en augustus 2022 overgelegd (productie 28), evenals een aanvullend rapport van [deskundige 1] (productie 29). De Gemeente heeft bezwaar gemaakt tegen het Excel-overzicht en onder andere aangevoerd dat Indo Fusion niet de daadwerkelijke omzetgegevens van Lera heeft verstrekt, nu geen onderliggende stukken zoals btw-aangiften, saldi- of kolommenbalansen, jaarrekeningen of kassaregistraties zijn overgelegd. Volgens de Gemeente ontbreekt daarmee een deugdelijke onderbouwingen en zij betwist dat het Excel-bestand de daadwerkelijke omzetgegevens van Lera betreft. 2.5. De rechtbank volgt de Gemeente in zoverre dat het Excel-bestand, gelet op de beperkte toelichting, op zichzelf geen voldoende basis biedt om daarop de schadebegroting te baseren. Het bestand kan hoogstens ter indicatie dienen. Anders dan de Gemeente verbindt de rechtbank daaraan echter niet de conclusie dat sprake is van een schending van artikel 21 Rv die tot afwijzing van de vorderingen zou moeten leiden. De rechtbank acht zich door de (aanvullende) rapporten van [deskundige 1] en [deskundige 2] voldoende voorzien van aanknopingspunten om de schade, met toepassing van artikel 6:97 BW, op dit moment te kunnen schatten. Wettelijk kader schadebegroting 2.6. De rechtbank stelt daarbij het volgende voorop. Artikel 6:97 BW bepaalt dat de rechter de schade begroot op een wijze die het meest met de aard ervan in overeenstemming is en dat, als de omvang van de schade niet nauwkeurig kan worden vastgesteld, deze wordt geschat. Voorts geldt dat de schade steeds wordt vastgesteld door een vergelijking te maken van de toestand zoals deze in werkelijkheid is (het feitelijke scenario) met de toestand zoals die (vermoedelijk) zou zijn geweest indien de aansprakelijkheidscheppende gebeurtenis niet zou hebben plaatsgevonden (het hypothetische scenario). Bij de beoordeling van de hypothetische situatie komt het aan op hetgeen hieromtrent redelijkerwijs te verwachten viel. In dat verband dienen de goede en kwade kansen te worden afgewogen, bij welke afweging de rechter een aanzienlijke mate van vrijheid heeft (zie recent HR 26 september 2025, ECLI:NL:HR:2025:1388). Tot slot rusten de stelplicht en bewijslast van het bestaan en de omvang van de schade op grond van de hoofdregel van bewijslastverdeling op de benadeelde (artikel 150 Rv). 2.7. De door Indo Fusion gestelde schade bestaat qua hoofdsom uit winstderving en buitengerechtelijke kosten. De rechtbank acht voldoende aannemelijk dat sprake is van winstderving. Indo Fusion heeft immers geen gebruik kunnen maken van de aan haar verleende vergunding. De vraag is wat de omvang van die schade is. 2.8. Indo Fusion heeft zich beroepen op de rapporten van haar partijdeskundige [deskundige 1] . [deskundige 1] heeft de schade begroot op minimaal € 160.000,00, maximaal € 220.000,00 en komt daarmee uit op een schadebedrag van gemiddeld € 190.000,00. Hiertegenover heeft de Gemeente zich beroepen op de rapporten van [deskundige 2] . [deskundige 2] berekent de gederfde winst op een bedrag van € 9.064,00, althans maximaal € 25.992,00 als uit wordt gegaan van een klantenaantal van 768. De rechtbank vindt zowel de rapporten van [deskundige 1] als van [deskundige 2] deels bruikbaar om de schade te schatten. De rechtbank zal dit hierna en met inachtneming van hetgeen hiervoor in rechtsoverweging 2.6. is vooropgesteld doen. Het is, gezien alle onzekerheden omtrent de hypothetische situatie, niet mogelijk om de schade aan winstderving nauwkeurig vast te stellen. De rechtbank heeft daarom een grove schatting gemaakt die mede gebaseerd is op de uit de rapporten voortvloeiende gegevens. Daarbij weegt voorts mee dat Indo Fusion door toedoen van de Gemeente in de lastige positie is gebracht waarin de schade slechts in een hypothetische situatie kan worden geschat. Hierna wordt toegelicht tot welk bedrag de rechtbank is gekomen. Schadeperiode 2.9.
Volledig
ECLI:NL:RBZWB:2026:3007 text/xml public 2026-04-28T14:26:59 2026-04-15 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-04-15 C/02/431229 / HA ZA 25-53 (E) Uitspraak Bodemzaak NL Breda Civiel recht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:3007 text/html public 2026-04-24T16:03:13 2026-04-28 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBZWB:2026:3007 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 15-04-2026 / C/02/431229 / HA ZA 25-53 (E) schadebegroting na tussenvonnis. RECHTBANK Zeeland-West-Brabant Cluster II Handelszaken Breda Zaaknummer / rolnummer: C/02/431229 / HA ZA 25-53 Vonnis van 15 april 2026 in de zaak van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid INDO FUSION B.V. , gevestigd te Teteringen, eiseres, hierna te noemen: Indo Fusion, advocaat: mr. M.S. Smit, tegen de publiekrechtelijke rechtspersoon GEMEENTE BREDA , te Breda, gedaagde, hierna te noemen: de Gemeente, advocaat: mr. L.W. Feenstra en [advocaat] . 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - het tussenvonnis van 15 oktober 2025 en de daarin genoemde stukken, - de akte uitlaten na tussenvonnis tevens akte eiswijziging met producties 27 tot en met 29 zijdens Indo Fusion, - de antwoordakte zijdens de Gemeente met productie 13. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2 De verdere beoordeling Inleiding 2.1. In het tussenvonnis van 15 oktober 2025 heeft de rechtbank, kort samengevat, geoordeeld dat de Gemeente Indo Fusion onterecht als overtreder heeft aangemerkt. Hierdoor kon Indo Fusion geen gebruik maken van de haar toegekende vergunning en het is aannemelijk dat zij als gevolg daarvan schade heeft geleden die de Gemeente dient te vergoeden. Omdat Indo Fusion in haar eerdere schadeberekening is uitgegaan van andere uitgangspunten dan waar de rechtbank toe komt, is zij in de gelegenheid gesteld haar schade nader te onderbouwen. Indo Fusion mocht haar schadebegroting opnieuw toelichten aan de hand van de juiste hypothetische situatie (waarin zij snoep, ijs, frisdrank en aanverwante artikelen als chips zou hebben verkocht) en de werkelijke situatie. Daarbij is opgemerkt dat de cijfers van Lera mogelijk mede ter onderbouwing kunnen dienen. De rechtbank komt niet terug op haar eerdere overwegingen 2.2. Partijen mochten zich uitsluitend over deze nadere schadeberekening uitlaten. Het was uitdrukkelijk niet de bedoeling dat partijen in hun aktes na tussenvonnis andere stellingen of standpunten (nader) zouden toelichten, aanvullen of wijzigen. Indo Fusion gaat in de eerste vijf pagina’s van haar akte echter in op het feit dat zij zich niet kan vinden in de overweging van de rechtbank dat voor de begroting van de schade uit moet worden gegaan van de verkoop van de vergunde artikelen (snoep, ijs, frisdrank en aanverwante artikelen) in plaats van friet en gefrituurde snacks. Voor zover zij de rechtbank hiermee heeft willen verzoeken terug te komen op haar oordeel op dit punt, ziet de rechtbank daartoe geen aanleiding. Dat de Gemeente op geen enkel eerder moment bezwaar heeft gemaakt tegen het door Indo Fusion gevoerde assortiment is immers reeds in het tussenvonnis onderkend en niet van doorslaggevend belang geacht. Verwezen wordt naar het overwogene onder 5.14 van het tussenvonnis. Dat de Gemeente na het vertrek van Indo Fusion de wens had voor en belang had bij een verkooppunt voor friet en warme snacks, hetgeen blijkt uit de vervolgens aan [bedrijf ] verleende vergunning voor de verkoop hiervan, brengt evenmin met zich dat het daarom Indo Fusion – die hier geen vergunning voor had – zou zijn toegestaan deze waren te verkopen. 2.3. Dit betekent dat hetgeen Indo Fusion primair vordert niet toewijsbaar is. De rechtbank zal hierna overgaan tot beoordeling van het subsidiair door Indo Fusion ingenomen standpunt. Inleidende opmerkingen schadebegroting 2.4. Indo Fusion heeft in haar akte na tussenvonnis, mede aan de hand van de omzetgegevens van de verkoopkar die door Lera werd geëxploiteerd op [nummer 1] , een eerste voorzichtige en globale inschatting willen maken van de omzet die Indo Fusion had kunnen genereren met de verkoop van snoep, ijs, frisdrank en aanverwante artikelen op [nummer 2] . Ter onderbouwing heeft Indo Fusion een Excel-bestand met omzetgegevens van de verkoopkar van Lera over de periode juli en augustus 2022 overgelegd (productie 28), evenals een aanvullend rapport van [deskundige 1] (productie 29). De Gemeente heeft bezwaar gemaakt tegen het Excel-overzicht en onder andere aangevoerd dat Indo Fusion niet de daadwerkelijke omzetgegevens van Lera heeft verstrekt, nu geen onderliggende stukken zoals btw-aangiften, saldi- of kolommenbalansen, jaarrekeningen of kassaregistraties zijn overgelegd. Volgens de Gemeente ontbreekt daarmee een deugdelijke onderbouwingen en zij betwist dat het Excel-bestand de daadwerkelijke omzetgegevens van Lera betreft. 2.5. De rechtbank volgt de Gemeente in zoverre dat het Excel-bestand, gelet op de beperkte toelichting, op zichzelf geen voldoende basis biedt om daarop de schadebegroting te baseren. Het bestand kan hoogstens ter indicatie dienen. Anders dan de Gemeente verbindt de rechtbank daaraan echter niet de conclusie dat sprake is van een schending van artikel 21 Rv die tot afwijzing van de vorderingen zou moeten leiden. De rechtbank acht zich door de (aanvullende) rapporten van [deskundige 1] en [deskundige 2] voldoende voorzien van aanknopingspunten om de schade, met toepassing van artikel 6:97 BW, op dit moment te kunnen schatten. Wettelijk kader schadebegroting 2.6. De rechtbank stelt daarbij het volgende voorop. Artikel 6:97 BW bepaalt dat de rechter de schade begroot op een wijze die het meest met de aard ervan in overeenstemming is en dat, als de omvang van de schade niet nauwkeurig kan worden vastgesteld, deze wordt geschat. Voorts geldt dat de schade steeds wordt vastgesteld door een vergelijking te maken van de toestand zoals deze in werkelijkheid is (het feitelijke scenario) met de toestand zoals die (vermoedelijk) zou zijn geweest indien de aansprakelijkheidscheppende gebeurtenis niet zou hebben plaatsgevonden (het hypothetische scenario). Bij de beoordeling van de hypothetische situatie komt het aan op hetgeen hieromtrent redelijkerwijs te verwachten viel. In dat verband dienen de goede en kwade kansen te worden afgewogen, bij welke afweging de rechter een aanzienlijke mate van vrijheid heeft (zie recent HR 26 september 2025, ECLI:NL:HR:2025:1388). Tot slot rusten de stelplicht en bewijslast van het bestaan en de omvang van de schade op grond van de hoofdregel van bewijslastverdeling op de benadeelde (artikel 150 Rv). 2.7. De door Indo Fusion gestelde schade bestaat qua hoofdsom uit winstderving en buitengerechtelijke kosten. De rechtbank acht voldoende aannemelijk dat sprake is van winstderving. Indo Fusion heeft immers geen gebruik kunnen maken van de aan haar verleende vergunding. De vraag is wat de omvang van die schade is. 2.8. Indo Fusion heeft zich beroepen op de rapporten van haar partijdeskundige [deskundige 1] . [deskundige 1] heeft de schade begroot op minimaal € 160.000,00, maximaal € 220.000,00 en komt daarmee uit op een schadebedrag van gemiddeld € 190.000,00. Hiertegenover heeft de Gemeente zich beroepen op de rapporten van [deskundige 2] . [deskundige 2] berekent de gederfde winst op een bedrag van € 9.064,00, althans maximaal € 25.992,00 als uit wordt gegaan van een klantenaantal van 768. De rechtbank vindt zowel de rapporten van [deskundige 1] als van [deskundige 2] deels bruikbaar om de schade te schatten. De rechtbank zal dit hierna en met inachtneming van hetgeen hiervoor in rechtsoverweging 2.6. is vooropgesteld doen. Het is, gezien alle onzekerheden omtrent de hypothetische situatie, niet mogelijk om de schade aan winstderving nauwkeurig vast te stellen. De rechtbank heeft daarom een grove schatting gemaakt die mede gebaseerd is op de uit de rapporten voortvloeiende gegevens. Daarbij weegt voorts mee dat Indo Fusion door toedoen van de Gemeente in de lastige positie is gebracht waarin de schade slechts in een hypothetische situatie kan worden geschat. Hierna wordt toegelicht tot welk bedrag de rechtbank is gekomen. Schadeperiode 2.9.
Volledig
De vergunning is verleend voor de periode van 1 april 2022 tot en met 30 september 2022. Indo Fusion heeft haar verkoopwerkzaamheden echter pas op 16 juli 2022 aangevangen. [deskundige 1] heeft de schadeperiode in haar berekening verder beperkt tot de zes weken van de schoolvakantie in de regio Zuid, te weten van 23 juli 2022 tot en met 2 september 2022 (42 dagen in totaal). De rechtbank acht deze benadering realistisch en zelfs aan de voorzichtige kant. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat de vergunning Indo Fusion verplichtte de standplaats tot en met 30 september zeven dagen per week in te nemen. De rechtbank zal de door [deskundige 1] gehanteerde schadeperiode daarom volgen. Aantal bezoekers 2.10. Bij de [locatie] zijn 1.300 parkeerplaatsen beschikbaar. [deskundige 1] gaat uit van gemiddeld drie personen per auto, hetgeen volgens haar betekent dat er gelijktijdig 4.500 autobezoekers aanwezig kunnen zijn. Daarnaast is het gebied bereikbaar per fiets en openbaar vervoer en vindt gedurende de dag gedeeltelijke doorstroming van bezoekers plaats. Sommige bezoekers vertrekken in de loop van de middag, terwijl anderen juist later op de dag arriveren. Op basis hiervan stelt [deskundige 1] het maximaal aantal bezoekers op 7.500 per dag. Deze inschatting sluit aan bij mediaberichten, waarin wordt gesproken van 5.000 tot 10.000 bezoekers op warme zomerdagen. Daarbij maakten de media in de zomer van 2022 meermaals melding van afsluiting van het [locatie] -gebied omdat het “vol” was. 2.11. In de zomer van 2022 was bovendien sprake van bovengemiddeld warm en droog zomerweer, met in juli en augustus dagelijkse temperaturen van niet lager dan 20 graden. [deskundige 1] neemt daarom tot uitgangspunt dat op alle dagen van de week minimaal de helft van het maximale bezoekersaantal de [locatie] heeft bezocht, hetgeen gemiddeld neerkomt op circa 4.800 tot 5.350 bezoekers per dag. 2.12. De rechtbank acht, gelet op de hiervoor genoemde (weers)omstandigheden, aannemelijk dat er gemiddeld 5.350 bezoekers per dag aanwezig waren. De Gemeente heeft dit onvoldoende gemotiveerd betwist, terwijl dat gelet op haar positie wel op haar weg had gelegen. Zij int immers de parkeergelden, is verantwoordelijk voor de handhaving en beschikt over een app waarmee bezoekersstromen kunnen worden gevolgd. De rechtbank volgt daarom de hogere inschatting van [deskundige 1] en gaat bij de schadebegroting uit van gemiddeld 5.350 bezoekers per dag. Aantal bezoekers die iets kopen 2.13. [deskundige 1] schat dat 42 tot 48% van de bezoekers iets koopt. De rechtbank acht dit uitgangspunt aannemelijk en sluit aan bij de hogere schatting van 48%. Daarbij weegt mee dat gedurende de relevante periode sprake was van goed en warm weer. Gelet op de drukte en de parkeerkosten ligt het ook niet voor de hand dat bezoekers het terrein tussentijds verlaten om elders eten of drinken te halen. Dergelijke voorzieningen zijn in de nabije omgeving ook niet voorhanden. Een bezoek aan de [locatie] vergt voor bezoekers een zekere reisafstand waardoor zij doorgaans langer blijven en eerder geneigd zijn ter plaatse iets te kopen. Zelfs wanneer bezoekers eigen eten meenemen, acht de rechtbank het aannemelijk dat zij aanvullend een koud drankje of ijsje kopen, juist omdat deze producten laaggeprijsd en direct verfrissend zijn. Dit betekent dat de rechtbank ervan uit gaat dat van de 5.350 bezoekers per dag 48% een aankoop doet, hetgeen neerkomt op in totaal 2.568 klanten per dag. 2.14. [deskundige 1] sluit vervolgens in haar berekening aan bij het eerste rapport, dat uitging van de veronderstelling dat deze kopers (te weten de volledige 42-48%) iets bij Indo Fusion zouden kopen, aangenomen dat zij de enige frietkraam was. De rechtbank gaat echter uit van een ander uitgangspunt. Indo Fusion mocht namelijk uitsluitend snoep, ijs, frisdrank en aanverwante artikelen verkopen en daarin had zij concurrentie van andere kramen. Het is dan nog steeds wel aannemelijk dat 48% van de bezoekers iets koopt, maar deze aankopen zullen zich uiteraard verdelen over meerdere kramen. Er zouden in de hypothetische situatie op de [locatie] drie kramen hebben gestaan (één op parking 1, één op parking 3 en één op parking 4) met een deels overlappend aanbod, waarbij ten minste één andere kraam (Lera) eveneens ijs en drankjes verkocht. De vraag is hoeveel van de 2.568 bezoekers iets bij Indo Fusion zouden hebben gekocht. De rechtbank is het met [deskundige 1] eens dat, in de hypothetische situatie dat geen frituur werd verkocht, er méér ijsjes en andere snacks zouden worden verkocht. De rechtbank acht het reëel en redelijk om uit te gaan van een derde van de kopers die iets bij Indo Fusion zouden hebben gekocht. Dit betekent dat dagelijks circa 856 klanten iets bij Indo Fusion zouden hebben afgenomen. Dat ligt ook in lijn met het uit het Excel-bestand blijkende aantal van 768 klanten per dag bij Lera. 2.15. Onder verwijzing naar het rapport van [deskundige 2] heeft de Gemeente nog aangevoerd dat het niet realistisch is dat Indo Fusion eenzelfde aantal klanten als Lera zou hebben gehad omdat Lera schepijs verkocht dat gewilder is dan de voorverpakte ijsjes die Indo Fusion verkocht zou hebben. [deskundige 2] stelt dat een klantenaantal van 384 per dag voor Indo Fusion daarom aannemelijker is. De rechtbank volgt dit standpunt niet. Daarbij is van belang dat uit het rapport van [deskundige 2] niet blijkt of is meegewogen dat de kramen op enige afstand van elkaar stonden, op andere parkeerterreinen. Voor een bezoeker van het ene strand is niet (goed) zichtbaar wat er ter hoogte van het andere strand wordt aangeboden. Zonder nadere toelichting acht de rechtbank het niet voor de hand liggend of aannemelijk dat bezoekers een vergelijkend warenonderzoek zouden doen en bewust zouden hebben gekozen voor schepijs bij Lera, waarvoor een aanzienlijk eind gelopen moest worden, in plaats van de beschikbare ijsjes, snoep of snacks bij Indo Fusion te kopen. Daarbij komt nog dat niet nader is onderbouwd waarom een sterke voorkeur voor schepijs, zoals [deskundige 2] het omschrijft, zou bestaan. Gemiddelde besteding per klant 2.16. Uit het door Indo Fusion overgelegde Excel-bestand kan - zoals ook [deskundige 2] onderschrijft - worden opgemaakt dat bij Lera gemiddeld € 3,50 per klant besteed is. Een bedrag dat ook de rechtbank reëel voorkomt. Dat was echter wel in de werkelijke situatie waarbij Lera te maken had met concurrentie van de frietkraam van [bedrijf ] . In de hypothetische situatie zou deze concurrentie niet aanwezig zijn geweest. Zoals hiervoor reeds overwogen, is het aannemelijk dat er in dat geval meer ijsjes en andere beschikbare snacks zouden zijn verkocht. De rechtbank acht het daarom redelijk om als uitgangspunt een bedrag van € 4,00 per klant voor Indo Fusion te hanteren. Geschatte schade aan winstderving 2.17. Berekend over 856 klanten per dag gedurende 42 dagen, zou dit een totale omzet van € 143.808,00 voor Indo Fusion betekenen. [deskundige 1] gaat in haar berekening zonder nadere onderbouwing uit van een bruto winstmarge van 83,2%. [deskundige 2] hanteert 70% op basis van ‘branchegegevens en ervaringscijfers’, maar ook dit is niet nader onderbouwd. De rechtbank zal daarom uitgaan van een gemiddelde van 76,6% als bruto winstmarge. Toegepast op de hiervoor berekende omzet leidt dit tot een geschatte bruto winstprognose van afgerond € 110.156,00. Hiervan dient nog een besparing op vaste kosten in de hypothetische situatie in mindering te worden gebracht die volgens [deskundige 1] € 23.682,00 bedraagt. [deskundige 2] gaat bij een klantenaantal van 768 eveneens uit van dit besparingsbedrag, zodat de rechtbank dit uitgangspunt bij een klantenaantal van 856 eveneens volgt. Hiermee komt de gederfde winst schattenderwijs uit op (110.156,00 – 23.682,00=) € 86.474,00 . Wettelijke rente en buitengerechtelijke incassokosten 2.18. Over het door de rechtbank toegewezen bedrag van € 86.474,00 is de Gemeente vanaf het moment dat de schade feitelijk is geleden wettelijke rente verschuldigd, conform de artikelen 6:119 en 6:83 BW.
Volledig
De vergunning is verleend voor de periode van 1 april 2022 tot en met 30 september 2022. Indo Fusion heeft haar verkoopwerkzaamheden echter pas op 16 juli 2022 aangevangen. [deskundige 1] heeft de schadeperiode in haar berekening verder beperkt tot de zes weken van de schoolvakantie in de regio Zuid, te weten van 23 juli 2022 tot en met 2 september 2022 (42 dagen in totaal). De rechtbank acht deze benadering realistisch en zelfs aan de voorzichtige kant. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat de vergunning Indo Fusion verplichtte de standplaats tot en met 30 september zeven dagen per week in te nemen. De rechtbank zal de door [deskundige 1] gehanteerde schadeperiode daarom volgen. Aantal bezoekers 2.10. Bij de [locatie] zijn 1.300 parkeerplaatsen beschikbaar. [deskundige 1] gaat uit van gemiddeld drie personen per auto, hetgeen volgens haar betekent dat er gelijktijdig 4.500 autobezoekers aanwezig kunnen zijn. Daarnaast is het gebied bereikbaar per fiets en openbaar vervoer en vindt gedurende de dag gedeeltelijke doorstroming van bezoekers plaats. Sommige bezoekers vertrekken in de loop van de middag, terwijl anderen juist later op de dag arriveren. Op basis hiervan stelt [deskundige 1] het maximaal aantal bezoekers op 7.500 per dag. Deze inschatting sluit aan bij mediaberichten, waarin wordt gesproken van 5.000 tot 10.000 bezoekers op warme zomerdagen. Daarbij maakten de media in de zomer van 2022 meermaals melding van afsluiting van het [locatie] -gebied omdat het “vol” was. 2.11. In de zomer van 2022 was bovendien sprake van bovengemiddeld warm en droog zomerweer, met in juli en augustus dagelijkse temperaturen van niet lager dan 20 graden. [deskundige 1] neemt daarom tot uitgangspunt dat op alle dagen van de week minimaal de helft van het maximale bezoekersaantal de [locatie] heeft bezocht, hetgeen gemiddeld neerkomt op circa 4.800 tot 5.350 bezoekers per dag. 2.12. De rechtbank acht, gelet op de hiervoor genoemde (weers)omstandigheden, aannemelijk dat er gemiddeld 5.350 bezoekers per dag aanwezig waren. De Gemeente heeft dit onvoldoende gemotiveerd betwist, terwijl dat gelet op haar positie wel op haar weg had gelegen. Zij int immers de parkeergelden, is verantwoordelijk voor de handhaving en beschikt over een app waarmee bezoekersstromen kunnen worden gevolgd. De rechtbank volgt daarom de hogere inschatting van [deskundige 1] en gaat bij de schadebegroting uit van gemiddeld 5.350 bezoekers per dag. Aantal bezoekers die iets kopen 2.13. [deskundige 1] schat dat 42 tot 48% van de bezoekers iets koopt. De rechtbank acht dit uitgangspunt aannemelijk en sluit aan bij de hogere schatting van 48%. Daarbij weegt mee dat gedurende de relevante periode sprake was van goed en warm weer. Gelet op de drukte en de parkeerkosten ligt het ook niet voor de hand dat bezoekers het terrein tussentijds verlaten om elders eten of drinken te halen. Dergelijke voorzieningen zijn in de nabije omgeving ook niet voorhanden. Een bezoek aan de [locatie] vergt voor bezoekers een zekere reisafstand waardoor zij doorgaans langer blijven en eerder geneigd zijn ter plaatse iets te kopen. Zelfs wanneer bezoekers eigen eten meenemen, acht de rechtbank het aannemelijk dat zij aanvullend een koud drankje of ijsje kopen, juist omdat deze producten laaggeprijsd en direct verfrissend zijn. Dit betekent dat de rechtbank ervan uit gaat dat van de 5.350 bezoekers per dag 48% een aankoop doet, hetgeen neerkomt op in totaal 2.568 klanten per dag. 2.14. [deskundige 1] sluit vervolgens in haar berekening aan bij het eerste rapport, dat uitging van de veronderstelling dat deze kopers (te weten de volledige 42-48%) iets bij Indo Fusion zouden kopen, aangenomen dat zij de enige frietkraam was. De rechtbank gaat echter uit van een ander uitgangspunt. Indo Fusion mocht namelijk uitsluitend snoep, ijs, frisdrank en aanverwante artikelen verkopen en daarin had zij concurrentie van andere kramen. Het is dan nog steeds wel aannemelijk dat 48% van de bezoekers iets koopt, maar deze aankopen zullen zich uiteraard verdelen over meerdere kramen. Er zouden in de hypothetische situatie op de [locatie] drie kramen hebben gestaan (één op parking 1, één op parking 3 en één op parking 4) met een deels overlappend aanbod, waarbij ten minste één andere kraam (Lera) eveneens ijs en drankjes verkocht. De vraag is hoeveel van de 2.568 bezoekers iets bij Indo Fusion zouden hebben gekocht. De rechtbank is het met [deskundige 1] eens dat, in de hypothetische situatie dat geen frituur werd verkocht, er méér ijsjes en andere snacks zouden worden verkocht. De rechtbank acht het reëel en redelijk om uit te gaan van een derde van de kopers die iets bij Indo Fusion zouden hebben gekocht. Dit betekent dat dagelijks circa 856 klanten iets bij Indo Fusion zouden hebben afgenomen. Dat ligt ook in lijn met het uit het Excel-bestand blijkende aantal van 768 klanten per dag bij Lera. 2.15. Onder verwijzing naar het rapport van [deskundige 2] heeft de Gemeente nog aangevoerd dat het niet realistisch is dat Indo Fusion eenzelfde aantal klanten als Lera zou hebben gehad omdat Lera schepijs verkocht dat gewilder is dan de voorverpakte ijsjes die Indo Fusion verkocht zou hebben. [deskundige 2] stelt dat een klantenaantal van 384 per dag voor Indo Fusion daarom aannemelijker is. De rechtbank volgt dit standpunt niet. Daarbij is van belang dat uit het rapport van [deskundige 2] niet blijkt of is meegewogen dat de kramen op enige afstand van elkaar stonden, op andere parkeerterreinen. Voor een bezoeker van het ene strand is niet (goed) zichtbaar wat er ter hoogte van het andere strand wordt aangeboden. Zonder nadere toelichting acht de rechtbank het niet voor de hand liggend of aannemelijk dat bezoekers een vergelijkend warenonderzoek zouden doen en bewust zouden hebben gekozen voor schepijs bij Lera, waarvoor een aanzienlijk eind gelopen moest worden, in plaats van de beschikbare ijsjes, snoep of snacks bij Indo Fusion te kopen. Daarbij komt nog dat niet nader is onderbouwd waarom een sterke voorkeur voor schepijs, zoals [deskundige 2] het omschrijft, zou bestaan. Gemiddelde besteding per klant 2.16. Uit het door Indo Fusion overgelegde Excel-bestand kan - zoals ook [deskundige 2] onderschrijft - worden opgemaakt dat bij Lera gemiddeld € 3,50 per klant besteed is. Een bedrag dat ook de rechtbank reëel voorkomt. Dat was echter wel in de werkelijke situatie waarbij Lera te maken had met concurrentie van de frietkraam van [bedrijf ] . In de hypothetische situatie zou deze concurrentie niet aanwezig zijn geweest. Zoals hiervoor reeds overwogen, is het aannemelijk dat er in dat geval meer ijsjes en andere beschikbare snacks zouden zijn verkocht. De rechtbank acht het daarom redelijk om als uitgangspunt een bedrag van € 4,00 per klant voor Indo Fusion te hanteren. Geschatte schade aan winstderving 2.17. Berekend over 856 klanten per dag gedurende 42 dagen, zou dit een totale omzet van € 143.808,00 voor Indo Fusion betekenen. [deskundige 1] gaat in haar berekening zonder nadere onderbouwing uit van een bruto winstmarge van 83,2%. [deskundige 2] hanteert 70% op basis van ‘branchegegevens en ervaringscijfers’, maar ook dit is niet nader onderbouwd. De rechtbank zal daarom uitgaan van een gemiddelde van 76,6% als bruto winstmarge. Toegepast op de hiervoor berekende omzet leidt dit tot een geschatte bruto winstprognose van afgerond € 110.156,00. Hiervan dient nog een besparing op vaste kosten in de hypothetische situatie in mindering te worden gebracht die volgens [deskundige 1] € 23.682,00 bedraagt. [deskundige 2] gaat bij een klantenaantal van 768 eveneens uit van dit besparingsbedrag, zodat de rechtbank dit uitgangspunt bij een klantenaantal van 856 eveneens volgt. Hiermee komt de gederfde winst schattenderwijs uit op (110.156,00 – 23.682,00=) € 86.474,00 . Wettelijke rente en buitengerechtelijke incassokosten 2.18. Over het door de rechtbank toegewezen bedrag van € 86.474,00 is de Gemeente vanaf het moment dat de schade feitelijk is geleden wettelijke rente verschuldigd, conform de artikelen 6:119 en 6:83 BW.