Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2026-03-12
ECLI:NL:RBZWB:2026:2918
Civiel recht
Voorlopige voorziening
11,128 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBZWB:2026:2918 text/xml public 2026-04-17T15:38:21 2026-04-13 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-03-12 C/02/444426 / FA RK 26-443 Uitspraak Voorlopige voorziening NL Breda Civiel recht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:2918 text/html public 2026-04-17T12:27:21 2026-04-17 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBZWB:2026:2918 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 12-03-2026 / C/02/444426 / FA RK 26-443 Voorlopige voorziening: verzoek toevertrouwing mj (afgewezen), kinderalimentatie en partneralimentatie berekend. RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Team Familie- en Jeugdrecht Breda Zaaknummer: C/02/444426 / FA RK 26-443 Datum uitspraak: 12 maart 2026 beschikking betreffende voorlopige voorzieningen in de zaak van [de vrouw] , wonende te [woonplaats] , hierna te noemen de vrouw, advocaat mr. F.C.M. Maat-Oldenhof te ’s-Heer Arendskerke, en [de man] , wonende te [woonplaats] , hierna te noemen de man, advocaat mr. W.H.A. de Koning te Schijndel. 1. Het procesverloop 1.1. Dit blijkt uit de volgende stukken: - het op 27 januari 2026 ontvangen verzoekschrift met bijlagen; - het op 20 februari 2026 ontvangen verweerschrift, tevens houdende zelfstandige verzoeken, met bijlagen; - de brief met bijlagen van 24 februari 2026 van mr. Maat-Oldenhof. 1.2. De zaak is behandeld op zitting van 26 februari 2026. Bij die gelegenheid zijn partijen, bijgestaan door hun advocaat, verschenen. 2 De verzoeken 2.1. De vrouw verzoekt, na wijziging ter zitting, samengevat: - vaststelling van een door de man te betalen onderhoudsbijdrage ten behoeve van de minderjarigen van € 389,= per kind per maand; - vaststelling van een door de man te betalen onderhoudsbijdrage voor haar van € 638,= per maand. 2.2. De man verzoekt zelfstandig, samengevat: - de minderjarige [minderjarige 1] aan de vrouw toe te vertrouwen en de minderjarige [minderjarige 2] aan hem; - vaststelling van een door hem aan de vrouw te betalen onderhoudsbijdrage ten behoeve van [minderjarige 1] van € 196,= per maand; - vaststelling van een door de vrouw aan hem te betalen onderhoudsbijdrage ten behoeve van [minderjarige 2] van € 49,= per maand. 3 De beoordeling Toevertrouwing van de minderjarigen 3.1. De man verzoekt de minderjarige [minderjarige 1] aan de vrouw toe te vertrouwen en de minderjarige [minderjarige 2] aan hem. Ter onderbouwing hiervan voert de man aan dat partijen nog geen overeenstemming hebben over het hoofdverblijf, zodat hij een uitspraak wil over de toevertrouwing van de kinderen. Partijen zijn het wel eens over een zorgregeling: een week-op-week-af regeling. Deze regeling verloopt goed. De man acht het redelijk dat één van de kinderen aan hem wordt toevertrouwd, nu dat recht doet aan de situatie. 3.2. Ter zitting heeft de vrouw verweer gevoerd. Volgens de vrouw kan dit verzoek niet worden toegewezen gelet op vaste rechtspraak, nu sprake is van co-ouderschap. Daar komt bij dat er tussen de ouders regelmatig gedoe is, zodat het niet in het belang van de kinderen is om op verschillende adressen ingeschreven te staan. Het lukt de man niet om de vrouw duurzaam te informeren/op de hoogte te houden over de kinderen. Tot slot wordt meer kindgebonden budget ontvangen als de kinderen op haar adres ingeschreven blijven staan. 3.3. De rechtbank stelt voorop dat de beslissing over de toevertrouwing van de minderjarigen geen verandering brengt in de feitelijke situatie. Er is sprake van een gelijke verdeling van de zorgtaken tussen de ouders in de vorm van een co-ouderschap. Uitgangspunt is dat een minderjarige kan worden toevertrouwd aan de ouder die als hoofdverzorger kan worden beschouwd. De rechtbank overweegt daarbij dat het bij de toevertrouwing van de minderjarigen gaat om de feitelijke en dagelijkse verzorging en opvoeding van het kind. Partijen dragen zoals gezegd afwisselend voor een gelijk deel de zorg voor de kinderen, zodat de rechtbank van oordeel is dat geen sprake is van een situatie waarin de feitelijke en dagelijkse verzorging aan één ouder zou moeten worden toevertrouwd. De gelijkwaardig uitgevoerde verantwoordelijkheid van beide ouders voor de minderjarigen verdraagt zich in redelijkheid niet met het verzoek om toevertrouwing van de minderjarigen. De rechtbank wijst gelet hierop het verzoek van de man af. Kinderalimentatie 3.4. De vrouw verzoekt na vermeerdering ter zitting een door de man te betalen kinderalimentatie van € 389,= per kind per maand, dan wel een door de rechtbank vast te stellen bedrag, bij vooruitbetaling te voldoen, met ingang van 9 september 2025, danwel een door de rechtbank te bepalen datum. De man heeft tot op heden geen enkele bijdrage voor de kinderen betaald. 3.5. De man voert hiertegen verweer en verzoekt zelfstandig, naar de rechtbank begrijpt bij toewijzing van zijn verzoek ten aanzien van de toevertrouwing van de minderjarigen, een door hem ten behoeve van [minderjarige 1] aan de vrouw te betalen kinderalimentatie van € 196,= per maand. Daarnaast verzoekt hij een door de vrouw ten behoeve van [minderjarige 2] aan de man te betalen kinderalimentatie van € 49,= per maand. De man betwist dat hij nog geen bijdrage in de kosten van de kinderen geleverd. Hij heeft kleding gekocht, de telefoonrekening van [minderjarige 2] voldaan en de contributie voor het sporten. 3.6. Nu het verzoek van de man tot toevertrouwing van [minderjarige 2] aan hem en [minderjarige 1] aan de vrouw wordt afgewezen, zal de rechtbank het verzoek van man tot een door de vrouw ten behoeve van [minderjarige 2] te betalen kinderalimentatie afwijzen. De overige verzoeken met betrekking tot de kinderalimentatie worden hieronder beoordeeld. 3.7. Bij het bepalen van de behoefte aan een onderhoudsbijdrage en de financiële draagkracht om die te voldoen hanteert de rechtbank de uitgangspunten, zoals deze zijn neergelegd in de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie. Behoefte van de kinderen 3.8. Voor de vaststelling van de behoefte van de minderjarigen is in beginsel het netto besteedbaar gezinsinkomen ten tijde van de samenleving van partijen het uitgangspunt. De rechtbank gaat voor de bepaling van dat gezinsinkomen uit van de inkomens van partijen in 2024, nu partijen het daarover eens zijn. 3.9. Tussen partijen is niet in geschil dat het netto besteedbaar gezinsinkomen € 8.118,= per maand bedroeg. Partijen verschillen van mening over het al dan niet maximeren van dit bedrag. Volgens de vrouw dient dit netto besteedbaar gezinsinkomen niet te worden gemaximeerd, maar volgens de man wel. 3.10. De rechtbank overweegt dat door de vrouw niet is gesteld of gebleken waarom het netto besteedbaar gezinsinkomen niet gemaximeerd zou moeten worden conform eerdergenoemde aanbevelingen. De rechtbank volgt daarom de door de man als productie 2 ingediende berekening, waaruit een behoefte van de minderjarigen volgt van in totaal € 1.470,= per maand in 2024. Geïndexeerd naar 2026 is de behoefte in totaal € 1.638,= per maand, aldus € 819,= per kind per maand. 3.11. Vervolgens dient beoordeeld te worden in welke verhouding de behoefte van de minderjarigen tussen de onderhoudsplichtigen zal worden verdeeld. De rechtbank volgt ook in dit opzicht de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie, inhoudende dat de behoefte van kinderen tussen de onderhoudsplichtigen wordt verdeeld naar rato van hun draagkracht. Daartoe dient eerst het netto besteedbaar inkomen van de onderhoudsplichtigen te worden bepaald. Het bedrag aan draagkracht wordt in 2026 bij inkomens vanaf € 2.200,= per maand vastgesteld aan de hand van de formule 70% x [NBI – (0,3 x NBI + € 1.365,=)]. Draagkracht van de vrouw 3.12. De vrouw is van mening dat voor de berekening van haar draagkracht uit moet worden gegaan van een bruto jaarloon van € 36.982,=, zoals dat volgt uit de door haar overgelegde loonstrook van december 2025. Daar voegt de vrouw aan toe dat zij geen grote bonus ontvangt, nu de targets ook zijn bijgesteld op haar nieuwe werklocatie. 3.13. De man stelt zich op het standpunt dat het salaris van de vrouw met ingang van januari 2026 een indexatie kent, zodat uit moet worden gegaan van een bruto maandloon van € 3.382,=.
Volledig
ECLI:NL:RBZWB:2026:2918 text/xml public 2026-04-17T15:38:21 2026-04-13 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-03-12 C/02/444426 / FA RK 26-443 Uitspraak Voorlopige voorziening NL Breda Civiel recht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:2918 text/html public 2026-04-17T12:27:21 2026-04-17 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBZWB:2026:2918 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 12-03-2026 / C/02/444426 / FA RK 26-443 Voorlopige voorziening: verzoek toevertrouwing mj (afgewezen), kinderalimentatie en partneralimentatie berekend. RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Team Familie- en Jeugdrecht Breda Zaaknummer: C/02/444426 / FA RK 26-443 Datum uitspraak: 12 maart 2026 beschikking betreffende voorlopige voorzieningen in de zaak van [de vrouw] , wonende te [woonplaats] , hierna te noemen de vrouw, advocaat mr. F.C.M. Maat-Oldenhof te ’s-Heer Arendskerke, en [de man] , wonende te [woonplaats] , hierna te noemen de man, advocaat mr. W.H.A. de Koning te Schijndel. 1. Het procesverloop 1.1. Dit blijkt uit de volgende stukken: - het op 27 januari 2026 ontvangen verzoekschrift met bijlagen; - het op 20 februari 2026 ontvangen verweerschrift, tevens houdende zelfstandige verzoeken, met bijlagen; - de brief met bijlagen van 24 februari 2026 van mr. Maat-Oldenhof. 1.2. De zaak is behandeld op zitting van 26 februari 2026. Bij die gelegenheid zijn partijen, bijgestaan door hun advocaat, verschenen. 2 De verzoeken 2.1. De vrouw verzoekt, na wijziging ter zitting, samengevat: - vaststelling van een door de man te betalen onderhoudsbijdrage ten behoeve van de minderjarigen van € 389,= per kind per maand; - vaststelling van een door de man te betalen onderhoudsbijdrage voor haar van € 638,= per maand. 2.2. De man verzoekt zelfstandig, samengevat: - de minderjarige [minderjarige 1] aan de vrouw toe te vertrouwen en de minderjarige [minderjarige 2] aan hem; - vaststelling van een door hem aan de vrouw te betalen onderhoudsbijdrage ten behoeve van [minderjarige 1] van € 196,= per maand; - vaststelling van een door de vrouw aan hem te betalen onderhoudsbijdrage ten behoeve van [minderjarige 2] van € 49,= per maand. 3 De beoordeling Toevertrouwing van de minderjarigen 3.1. De man verzoekt de minderjarige [minderjarige 1] aan de vrouw toe te vertrouwen en de minderjarige [minderjarige 2] aan hem. Ter onderbouwing hiervan voert de man aan dat partijen nog geen overeenstemming hebben over het hoofdverblijf, zodat hij een uitspraak wil over de toevertrouwing van de kinderen. Partijen zijn het wel eens over een zorgregeling: een week-op-week-af regeling. Deze regeling verloopt goed. De man acht het redelijk dat één van de kinderen aan hem wordt toevertrouwd, nu dat recht doet aan de situatie. 3.2. Ter zitting heeft de vrouw verweer gevoerd. Volgens de vrouw kan dit verzoek niet worden toegewezen gelet op vaste rechtspraak, nu sprake is van co-ouderschap. Daar komt bij dat er tussen de ouders regelmatig gedoe is, zodat het niet in het belang van de kinderen is om op verschillende adressen ingeschreven te staan. Het lukt de man niet om de vrouw duurzaam te informeren/op de hoogte te houden over de kinderen. Tot slot wordt meer kindgebonden budget ontvangen als de kinderen op haar adres ingeschreven blijven staan. 3.3. De rechtbank stelt voorop dat de beslissing over de toevertrouwing van de minderjarigen geen verandering brengt in de feitelijke situatie. Er is sprake van een gelijke verdeling van de zorgtaken tussen de ouders in de vorm van een co-ouderschap. Uitgangspunt is dat een minderjarige kan worden toevertrouwd aan de ouder die als hoofdverzorger kan worden beschouwd. De rechtbank overweegt daarbij dat het bij de toevertrouwing van de minderjarigen gaat om de feitelijke en dagelijkse verzorging en opvoeding van het kind. Partijen dragen zoals gezegd afwisselend voor een gelijk deel de zorg voor de kinderen, zodat de rechtbank van oordeel is dat geen sprake is van een situatie waarin de feitelijke en dagelijkse verzorging aan één ouder zou moeten worden toevertrouwd. De gelijkwaardig uitgevoerde verantwoordelijkheid van beide ouders voor de minderjarigen verdraagt zich in redelijkheid niet met het verzoek om toevertrouwing van de minderjarigen. De rechtbank wijst gelet hierop het verzoek van de man af. Kinderalimentatie 3.4. De vrouw verzoekt na vermeerdering ter zitting een door de man te betalen kinderalimentatie van € 389,= per kind per maand, dan wel een door de rechtbank vast te stellen bedrag, bij vooruitbetaling te voldoen, met ingang van 9 september 2025, danwel een door de rechtbank te bepalen datum. De man heeft tot op heden geen enkele bijdrage voor de kinderen betaald. 3.5. De man voert hiertegen verweer en verzoekt zelfstandig, naar de rechtbank begrijpt bij toewijzing van zijn verzoek ten aanzien van de toevertrouwing van de minderjarigen, een door hem ten behoeve van [minderjarige 1] aan de vrouw te betalen kinderalimentatie van € 196,= per maand. Daarnaast verzoekt hij een door de vrouw ten behoeve van [minderjarige 2] aan de man te betalen kinderalimentatie van € 49,= per maand. De man betwist dat hij nog geen bijdrage in de kosten van de kinderen geleverd. Hij heeft kleding gekocht, de telefoonrekening van [minderjarige 2] voldaan en de contributie voor het sporten. 3.6. Nu het verzoek van de man tot toevertrouwing van [minderjarige 2] aan hem en [minderjarige 1] aan de vrouw wordt afgewezen, zal de rechtbank het verzoek van man tot een door de vrouw ten behoeve van [minderjarige 2] te betalen kinderalimentatie afwijzen. De overige verzoeken met betrekking tot de kinderalimentatie worden hieronder beoordeeld. 3.7. Bij het bepalen van de behoefte aan een onderhoudsbijdrage en de financiële draagkracht om die te voldoen hanteert de rechtbank de uitgangspunten, zoals deze zijn neergelegd in de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie. Behoefte van de kinderen 3.8. Voor de vaststelling van de behoefte van de minderjarigen is in beginsel het netto besteedbaar gezinsinkomen ten tijde van de samenleving van partijen het uitgangspunt. De rechtbank gaat voor de bepaling van dat gezinsinkomen uit van de inkomens van partijen in 2024, nu partijen het daarover eens zijn. 3.9. Tussen partijen is niet in geschil dat het netto besteedbaar gezinsinkomen € 8.118,= per maand bedroeg. Partijen verschillen van mening over het al dan niet maximeren van dit bedrag. Volgens de vrouw dient dit netto besteedbaar gezinsinkomen niet te worden gemaximeerd, maar volgens de man wel. 3.10. De rechtbank overweegt dat door de vrouw niet is gesteld of gebleken waarom het netto besteedbaar gezinsinkomen niet gemaximeerd zou moeten worden conform eerdergenoemde aanbevelingen. De rechtbank volgt daarom de door de man als productie 2 ingediende berekening, waaruit een behoefte van de minderjarigen volgt van in totaal € 1.470,= per maand in 2024. Geïndexeerd naar 2026 is de behoefte in totaal € 1.638,= per maand, aldus € 819,= per kind per maand. 3.11. Vervolgens dient beoordeeld te worden in welke verhouding de behoefte van de minderjarigen tussen de onderhoudsplichtigen zal worden verdeeld. De rechtbank volgt ook in dit opzicht de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie, inhoudende dat de behoefte van kinderen tussen de onderhoudsplichtigen wordt verdeeld naar rato van hun draagkracht. Daartoe dient eerst het netto besteedbaar inkomen van de onderhoudsplichtigen te worden bepaald. Het bedrag aan draagkracht wordt in 2026 bij inkomens vanaf € 2.200,= per maand vastgesteld aan de hand van de formule 70% x [NBI – (0,3 x NBI + € 1.365,=)]. Draagkracht van de vrouw 3.12. De vrouw is van mening dat voor de berekening van haar draagkracht uit moet worden gegaan van een bruto jaarloon van € 36.982,=, zoals dat volgt uit de door haar overgelegde loonstrook van december 2025. Daar voegt de vrouw aan toe dat zij geen grote bonus ontvangt, nu de targets ook zijn bijgesteld op haar nieuwe werklocatie. 3.13. De man stelt zich op het standpunt dat het salaris van de vrouw met ingang van januari 2026 een indexatie kent, zodat uit moet worden gegaan van een bruto maandloon van € 3.382,=.
Volledig
Dit bedrag moet worden verhoogd met de gemiddelde ontvangen bonus in de maanden november en december (€ 361,13 en € 120,38). 3.14. Nu de vrouw ter zitting heeft aangegeven dat het kan kloppen dat haar salaris is geïndexeerd, zal de rechtbank uitgaan van een bruto maandloon van € 3.382,=, te vermeerderen met de gebruikelijke vakantietoeslag. Ten aanzien van de bonus zal in het kader van deze procedure, die beoogt een spoedvoorziening te treffen, de rechtbank uitgaan van de door de vrouw ter zitting gestelde bonus van € 1.000,= per jaar. De discussie over de hoogte en frequentie van de door haar te ontvangen bonus kan in de bodemprocedure verder gevoerd worden. Daarnaast houdt de rechtbank rekening met de van toepassing zijnde premies en heffingskortingen (algemene heffingskorting, arbeidskorting, inkomensafhankelijke combinatiekorting). Daarnaast komt de vrouw met dit inkomen in aanmerking voor een kindgebonden budget en de daarvan deel uitmakende alleenstaande ouderkop van € 8.153,= per jaar (ervan uitgaande dat beide kinderen bij haar staan ingeschreven, hetgeen partijen ter zitting hebben bevestigd). Aan de hand van deze uitgangspunten becijfert de rechtbank het huidige netto besteedbaar inkomen van de vrouw op een bedrag van € 3.975,= per maand. De draagkracht van de vrouw voor kinderalimentatie is dan volgens de formule € 993,= per maand. De rechtbank verwijst naar de aangehechte berekening. Draagkracht man 3.15. De vrouw is van mening dat voor de berekening van de draagkracht van de man uit moet worden gegaan van een bruto jaarloon van € 105.000,=. Dit verdiende hij bij zijn vorige werkgever. De man is vrijwillig van baan gewisseld, zodat geen rekening moet worden gehouden met een inkomensdaling. Er moet geen rekening worden gehouden met een aflossing op gezamenlijke schulden. Partijen zijn het erover eens dat de schulden bij helfte moeten worden gedragen en de vrouw zal haar deel voldoen bij overname van de echtelijke woning door de man. 3.16. De man stelt zich op het standpunt dat uit moet worden gegaan van een bruto maandloon van € 6.500,=, zoals volgt uit de door hem overgelegde loonstrook van januari 2026. Bij zijn vorige werkgever was sprake van een verschil van inzicht, waardoor zijn dienstverband is geëindigd middels een vaststellingsovereenkomst. Daarnaast moet volgens de man rekening worden gehouden met € 288,= aan aflossing op gezamenlijke schulden. 3.17. Gelet op het karakter van deze procedure gaat de rechtbank voor de berekening van de draagkracht van de man uit van zijn huidige inkomen. De discussie over de hoogte van het huidige inkomen van de man/verdiencapaciteit kan in de bodemprocedure verder gevoerd worden. Uit de door de man als productie 3 overgelegde loonstrook van januari 2026 volgt een bruto maandloon van € 6.500,=, zodat de rechtbank daarvan uitgaat. Daarnaast houdt de man in zijn berekening rekening met de ingehouden pensioenpremie van € 112,= per maand en netto werknemerspremie van € 14,= per maand. Dit is door de vrouw niet betwist, zodat de rechtbank hier ook van uit zal gaan. Daarnaast houdt de rechtbank rekening met een aflossing van € 288,= per maand op gezamenlijke schulden. Niet ter discussie staat dat er gezamenlijke schulden zijn. De rechtbank overweegt dat er nog geen definitieve afspraken zijn gemaakt over deze schulden. Naar het oordeel van de rechtbank is niet komen vast te staan dat deze schulden vermijdbaar en/of verwijtbaar zijn; uit de stellingen van partijen volgt immers dat deze voor gezamenlijke doeleinden zijn aangegaan en onvoldoende is gebleken dat de man zich daarvan op dit moment kan bevrijden. Het is aan partijen om, zo nodig, over dit onderwerp in het kader van de afwikkeling van de huwelijksgemeenschap nadere afspraken te maken. Tot slot houdt de rechtbank rekening met de van toepassing zijnde premies en heffingskortingen (algemene heffingskorting, arbeidskorting, inkomensafhankelijke combinatiekorting gelet op het co-ouderschap). De rechtbank houdt geen rekening met kindgebonden budget, nu de kinderen zijn ingeschreven bij de vrouw. Aan de hand van deze uitgangspunten becijfert de rechtbank het huidige netto besteedbaar inkomen van de man op een bedrag van € 4.838,= per maand. De draagkracht van de man voor kinderalimentatie is dan volgens de formule € 1.214,= per maand. De rechtbank verwijst naar de aangehechte berekening. De draagkrachtvergelijking 3.18. De totale draagkracht van partijen bedraagt € 2.207,= per maand (€ 993 + € 1.214), zodat hun draagkracht de behoefte van de kinderen van in totaal € 1.638,= per maand in 2026 overstijgt. 3.19. De verdeling van de kosten van de kinderen wordt dan berekend volgens de formule: ieders draagkracht gedeeld door de totale draagkracht vermenigvuldigd met de behoefte, oftewel: het aandeel van de vrouw bedraagt: € 993 / € 2.207 x € 1.638 = € 737,=; het aandeel van de man bedraagt: € 1.214 / € 2.207 x € 1.638 = € 901,=. Zorgkorting 3.20. Ten slotte kan de ouder die kinderalimentatie moet betalen (de man in dit geval) een korting op de door hem te betalen bijdrage ontvangen. Deze ouder neemt al een deel van de kosten van een kind voor zijn rekening op het moment dat het kind bij hem verblijft. Dit wordt ook wel de ‘zorgkorting’ genoemd. 3.21. Partijen zijn het erover eens dat een zorgkorting van 35% moet worden toegepast. De rechtbank zal hiervan uitgaan. De zorgkorting bedraagt dan een bedrag van € 287,= per kind per maand (35% van € 819), aldus € 574,= in totaal. Het aandeel van de man wordt verminderd met dit bedrag, zodat de man als kinderalimentatie een bedrag van in totaal € 327,= per maand dient te betalen, aldus afgerond € 164,= per kind per maand. Ingangsdatum 3.22. De vrouw verzoekt als ingangsdatum 9 september 2025, zijnde de datum waarop het echtscheidingsverzoek (waarin ook om kinderalimentatie is verzocht) is ingediend. Partijen waren toen al enkele maanden uit elkaar en er was al over de kinderalimentatie gesproken. De door de man gedane uitgaven moeten geacht worden te zijn voldaan uit zijn vrije ruimte en het waren geen noodzakelijke kosten. De vrouw betwist dat sprake is van financiële nood aan de zijde van de man als kinderalimentatie met terugwerkende kracht wordt vastgelegd. 3.23. Volgens de man dient de ingangsdatum niet te worden bepaald op een datum vóór de beschikkingsdatum. De rechtbank moet behoedzaam gebruik maken van de mogelijkheid om de kinderalimentatie met terugwerkende kracht vast te stellen. Als de kinderalimentatie met terugwerkende kracht wordt bepaald, is sprake van financiële nood. Daar komt bij dat de man de afgelopen maanden wel heeft bijgedragen in de kosten van de kinderen. 3.24. Op grond van artikel 1:402 van het Burgerlijk Wetboek (BW) heeft de rechter een grote mate van vrijheid bij het vaststellen van de ingangsdatum van een alimentatieverplichting. Volgens vaste jurisprudentie geldt echter als uitgangspunt dat de rechter behoedzaam gebruik dient te maken van deze bevoegdheid tot vaststelling van een bijdrage over een periode in het verleden, tenzij er omstandigheden zijn die aanleiding geven anders te beslissen. De rechtbank overweegt dat weliswaar is gebleken dat de man wat kosten voor de kinderen heeft voldaan, maar is van oordeel dat deze kosten niet zodanig zijn dat kan worden geoordeeld dat hij de afgelopen maanden feitelijk heeft bijgedragen in het levensonderhoud van de kinderen. Gelet hierop zal de ingangsdatum worden bepaald op de datum van indiening van het verzoekschrift, zijnde 27 januari 2026. Vanaf dat moment kon de man er rekening mee houden dat een voorlopige kinderalimentatie zou worden vastgesteld. Conclusie 3.25. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank de door de man te betalen kinderalimentatie met ingang van 27 januari 2026 bepalen op een bedrag van € 164,= per kind per maand, voor de toekomst bij vooruitbetaling te voldoen. Het meer of anders verzochte wordt afgewezen. Aanhechten berekeningen 3.26. De rechtbank heeft berekeningen gemaakt van de draagkracht van partijen. Gescande exemplaren van deze berekeningen zijn als bijlage aan deze beschikking toegevoegd en maken daarvan deel uit. Partneralimentatie 3.27.
Volledig
Dit bedrag moet worden verhoogd met de gemiddelde ontvangen bonus in de maanden november en december (€ 361,13 en € 120,38). 3.14. Nu de vrouw ter zitting heeft aangegeven dat het kan kloppen dat haar salaris is geïndexeerd, zal de rechtbank uitgaan van een bruto maandloon van € 3.382,=, te vermeerderen met de gebruikelijke vakantietoeslag. Ten aanzien van de bonus zal in het kader van deze procedure, die beoogt een spoedvoorziening te treffen, de rechtbank uitgaan van de door de vrouw ter zitting gestelde bonus van € 1.000,= per jaar. De discussie over de hoogte en frequentie van de door haar te ontvangen bonus kan in de bodemprocedure verder gevoerd worden. Daarnaast houdt de rechtbank rekening met de van toepassing zijnde premies en heffingskortingen (algemene heffingskorting, arbeidskorting, inkomensafhankelijke combinatiekorting). Daarnaast komt de vrouw met dit inkomen in aanmerking voor een kindgebonden budget en de daarvan deel uitmakende alleenstaande ouderkop van € 8.153,= per jaar (ervan uitgaande dat beide kinderen bij haar staan ingeschreven, hetgeen partijen ter zitting hebben bevestigd). Aan de hand van deze uitgangspunten becijfert de rechtbank het huidige netto besteedbaar inkomen van de vrouw op een bedrag van € 3.975,= per maand. De draagkracht van de vrouw voor kinderalimentatie is dan volgens de formule € 993,= per maand. De rechtbank verwijst naar de aangehechte berekening. Draagkracht man 3.15. De vrouw is van mening dat voor de berekening van de draagkracht van de man uit moet worden gegaan van een bruto jaarloon van € 105.000,=. Dit verdiende hij bij zijn vorige werkgever. De man is vrijwillig van baan gewisseld, zodat geen rekening moet worden gehouden met een inkomensdaling. Er moet geen rekening worden gehouden met een aflossing op gezamenlijke schulden. Partijen zijn het erover eens dat de schulden bij helfte moeten worden gedragen en de vrouw zal haar deel voldoen bij overname van de echtelijke woning door de man. 3.16. De man stelt zich op het standpunt dat uit moet worden gegaan van een bruto maandloon van € 6.500,=, zoals volgt uit de door hem overgelegde loonstrook van januari 2026. Bij zijn vorige werkgever was sprake van een verschil van inzicht, waardoor zijn dienstverband is geëindigd middels een vaststellingsovereenkomst. Daarnaast moet volgens de man rekening worden gehouden met € 288,= aan aflossing op gezamenlijke schulden. 3.17. Gelet op het karakter van deze procedure gaat de rechtbank voor de berekening van de draagkracht van de man uit van zijn huidige inkomen. De discussie over de hoogte van het huidige inkomen van de man/verdiencapaciteit kan in de bodemprocedure verder gevoerd worden. Uit de door de man als productie 3 overgelegde loonstrook van januari 2026 volgt een bruto maandloon van € 6.500,=, zodat de rechtbank daarvan uitgaat. Daarnaast houdt de man in zijn berekening rekening met de ingehouden pensioenpremie van € 112,= per maand en netto werknemerspremie van € 14,= per maand. Dit is door de vrouw niet betwist, zodat de rechtbank hier ook van uit zal gaan. Daarnaast houdt de rechtbank rekening met een aflossing van € 288,= per maand op gezamenlijke schulden. Niet ter discussie staat dat er gezamenlijke schulden zijn. De rechtbank overweegt dat er nog geen definitieve afspraken zijn gemaakt over deze schulden. Naar het oordeel van de rechtbank is niet komen vast te staan dat deze schulden vermijdbaar en/of verwijtbaar zijn; uit de stellingen van partijen volgt immers dat deze voor gezamenlijke doeleinden zijn aangegaan en onvoldoende is gebleken dat de man zich daarvan op dit moment kan bevrijden. Het is aan partijen om, zo nodig, over dit onderwerp in het kader van de afwikkeling van de huwelijksgemeenschap nadere afspraken te maken. Tot slot houdt de rechtbank rekening met de van toepassing zijnde premies en heffingskortingen (algemene heffingskorting, arbeidskorting, inkomensafhankelijke combinatiekorting gelet op het co-ouderschap). De rechtbank houdt geen rekening met kindgebonden budget, nu de kinderen zijn ingeschreven bij de vrouw. Aan de hand van deze uitgangspunten becijfert de rechtbank het huidige netto besteedbaar inkomen van de man op een bedrag van € 4.838,= per maand. De draagkracht van de man voor kinderalimentatie is dan volgens de formule € 1.214,= per maand. De rechtbank verwijst naar de aangehechte berekening. De draagkrachtvergelijking 3.18. De totale draagkracht van partijen bedraagt € 2.207,= per maand (€ 993 + € 1.214), zodat hun draagkracht de behoefte van de kinderen van in totaal € 1.638,= per maand in 2026 overstijgt. 3.19. De verdeling van de kosten van de kinderen wordt dan berekend volgens de formule: ieders draagkracht gedeeld door de totale draagkracht vermenigvuldigd met de behoefte, oftewel: het aandeel van de vrouw bedraagt: € 993 / € 2.207 x € 1.638 = € 737,=; het aandeel van de man bedraagt: € 1.214 / € 2.207 x € 1.638 = € 901,=. Zorgkorting 3.20. Ten slotte kan de ouder die kinderalimentatie moet betalen (de man in dit geval) een korting op de door hem te betalen bijdrage ontvangen. Deze ouder neemt al een deel van de kosten van een kind voor zijn rekening op het moment dat het kind bij hem verblijft. Dit wordt ook wel de ‘zorgkorting’ genoemd. 3.21. Partijen zijn het erover eens dat een zorgkorting van 35% moet worden toegepast. De rechtbank zal hiervan uitgaan. De zorgkorting bedraagt dan een bedrag van € 287,= per kind per maand (35% van € 819), aldus € 574,= in totaal. Het aandeel van de man wordt verminderd met dit bedrag, zodat de man als kinderalimentatie een bedrag van in totaal € 327,= per maand dient te betalen, aldus afgerond € 164,= per kind per maand. Ingangsdatum 3.22. De vrouw verzoekt als ingangsdatum 9 september 2025, zijnde de datum waarop het echtscheidingsverzoek (waarin ook om kinderalimentatie is verzocht) is ingediend. Partijen waren toen al enkele maanden uit elkaar en er was al over de kinderalimentatie gesproken. De door de man gedane uitgaven moeten geacht worden te zijn voldaan uit zijn vrije ruimte en het waren geen noodzakelijke kosten. De vrouw betwist dat sprake is van financiële nood aan de zijde van de man als kinderalimentatie met terugwerkende kracht wordt vastgelegd. 3.23. Volgens de man dient de ingangsdatum niet te worden bepaald op een datum vóór de beschikkingsdatum. De rechtbank moet behoedzaam gebruik maken van de mogelijkheid om de kinderalimentatie met terugwerkende kracht vast te stellen. Als de kinderalimentatie met terugwerkende kracht wordt bepaald, is sprake van financiële nood. Daar komt bij dat de man de afgelopen maanden wel heeft bijgedragen in de kosten van de kinderen. 3.24. Op grond van artikel 1:402 van het Burgerlijk Wetboek (BW) heeft de rechter een grote mate van vrijheid bij het vaststellen van de ingangsdatum van een alimentatieverplichting. Volgens vaste jurisprudentie geldt echter als uitgangspunt dat de rechter behoedzaam gebruik dient te maken van deze bevoegdheid tot vaststelling van een bijdrage over een periode in het verleden, tenzij er omstandigheden zijn die aanleiding geven anders te beslissen. De rechtbank overweegt dat weliswaar is gebleken dat de man wat kosten voor de kinderen heeft voldaan, maar is van oordeel dat deze kosten niet zodanig zijn dat kan worden geoordeeld dat hij de afgelopen maanden feitelijk heeft bijgedragen in het levensonderhoud van de kinderen. Gelet hierop zal de ingangsdatum worden bepaald op de datum van indiening van het verzoekschrift, zijnde 27 januari 2026. Vanaf dat moment kon de man er rekening mee houden dat een voorlopige kinderalimentatie zou worden vastgesteld. Conclusie 3.25. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank de door de man te betalen kinderalimentatie met ingang van 27 januari 2026 bepalen op een bedrag van € 164,= per kind per maand, voor de toekomst bij vooruitbetaling te voldoen. Het meer of anders verzochte wordt afgewezen. Aanhechten berekeningen 3.26. De rechtbank heeft berekeningen gemaakt van de draagkracht van partijen. Gescande exemplaren van deze berekeningen zijn als bijlage aan deze beschikking toegevoegd en maken daarvan deel uit. Partneralimentatie 3.27.
Volledig
De vrouw verzoekt een door de man te betalen partneralimentatie van € 638,= per maand, bij vooruitbetaling aan haar te voldoen, met ingang van 9 september 2025. 3.28. De man voert hiertegen verweer. De vrouw heeft haar verzoek onvoldoende onderbouwd. De man betwist verder dat de vrouw behoeftig is. De huwelijksgerelateerde behoefte 3.29. Voor de vaststelling van de huwelijksgerelateerde behoefte is in beginsel het netto besteedbaar gezinsinkomen ten tijde van de samenleving van partijen het uitgangspunt. De rechtbank gaat hiervoor uit van de inkomens van partijen in 2024. 3.30. De rechtbank gaat bij de berekening van de huwelijksgerelateerde behoefte in deze voorlopige voorzieningenprocedure (net als partijen) uit van de zogenoemde hofnorm. Daarbij wordt de behoefte van de vrouw berekend op 60% van het netto besteedbaar gezinsinkomen ten tijde van de samenleving. Zoals hierover is overwogen, was het netto besteedbaar gezinsinkomen in 2024 in totaal € 8.118,= per maand. 3.31. De huwelijksgerelateerde behoefte bedraagt dan 60% van € 8.118,=, verminderd met € 1.638,= (de kosten van de kinderen), afgerond € 3.888,= netto per maand. Aanvullende behoefte 3.32. Om te bepalen of, en zo ja, in welke mate de vrouw behoefte heeft aan een aanvullende bijdrage van de man, moet op deze huwelijksgerelateerde behoefte het netto besteedbaar inkomen van de vrouw in mindering worden gebracht. Zoals hiervoor in het kader van de kinderalimentatie is overwogen gaat de rechtbank voor het netto besteedbaar inkomen van de vrouw uit van een bruto maandloon van € 3.382,=, te vermeerderen met de gebruikelijke vakantietoeslag en een bonus van € 1.000,= per jaar. Hoewel de man van mening is dat de vrouw volledig in haar behoefte kan voorzien door meer te gaan werken, neemt de rechtbank geen verdiencapaciteit aan. Dit, gelet op het karakter van deze procedure en het feit dat zij al 36 uur per week werkt. 3.33. Uitgaande van deze inkomensgegevens, becijfert de rechtbank het netto besteedbaar inkomen van de vrouw in het kader van de partneralimentatie op € 3.296,= per maand. De rechtbank verwijst naar de aangehechte berekening, waarin het eerder berekende netto besteedbaar inkomen van de vrouw van € 3.975,= in het kader van de kinderalimentatie is gecorrigeerd met het kindgebonden budget, nu dit is bedoeld voor de kinderen. 3.34. De behoefte van de vrouw aan een aanvullende bijdrage bedraagt, gelet op haar netto besteedbaar inkomen van € 3.296,= per maand, aldus € 592,= netto per maand (€ 3.888 - € 3.296). Draagkracht van de man 3.35. Vervolgens moet worden beoordeeld in hoeverre de man draagkracht heeft om in de aanvullende behoefte van de vrouw te voorzien. 3.36. Voor wat betreft de draagkracht van de man verwijst de rechtbank naar de gegevens die volgen uit rechtsoverweging 3.17. De rechtbank gaat aldus uit van een bruto maandloon van € 6.500,=, ingehouden pensioenpremie van € 112,= per maand, netto werknemerspremie van € 14,= per maand en een aflossing van € 288,= per maand op gezamenlijke schulden. Daarnaast houdt de rechtbank rekening met het aandeel van de man in de kosten van de kinderen van in totaal € 901,= per maand. 3.37. Gelet op al het voorgaande heeft de man een ruimte beschikbaar voor partneralimentatie van € 139,= netto per maand, zijnde € 222,= bruto per maand. Ingangsdatum 3.38. Met verwijzing naar de motivering van de ingangsdatum van de kinderalimentatie, zal de ingangsdatum van de partneralimentatie ook worden bepaald op de datum van indiening van het verzoekschrift, zijnde 27 januari 2026. Conclusie 3.39. Gelet op dat wat hiervoor is overwogen, zal de rechtbank de door de man ten behoeve van de vrouw te betalen partneralimentatie met ingang van 27 januari 2026 vaststellen op € 222,= bruto per maand, voor de toekomst bij vooruitbetaling te voldoen. Aanhechten berekeningen 3.40. De rechtbank heeft berekeningen gemaakt. Gewaarmerkte exemplaren van deze berekeningen zijn aan deze beschikking gehecht en maken daarvan deel uit. Proceskosten 3.41. Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. Tot slot 3.42. Tegen deze beslissing staat geen gewoon rechtsmiddel open. Ingevolge artikel 824 lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering kan alleen cassatie in het belang der wet worden ingesteld. Hoger beroep is dus niet mogelijk. Dit betekent dat deze beslissing directe werking heeft. 4 De beslissing De rechtbank 4.1. bepaalt dat de door de man te betalen bijdrage voor de verzorging en opvoeding van de minderjarigen: - [minderjarige 1] , geboren te [woonplaats] op [geboortedag 1] 2013, en - [minderjarige 2] , geboren te [woonplaats] op [geboortedag 2] 2015; met ingang van 27 januari 2026 wordt vastgesteld op € 164,= (honderdvierenzestig euro) per kind per maand, aan de vrouw, voor de toekomst bij vooruitbetaling te voldoen; 4.2. bepaalt dat de door de man te betalen bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw met ingang van 27 januari 2026 wordt vastgesteld op € 222,= (tweehonderdtweeëntwintig euro) bruto per maand, aan de vrouw, voor de toekomst bij vooruitbetaling te voldoen; 4.3. compenseert de kosten van het geding aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt; 4.4. wijst af het meer of anders verzochte. Deze beschikking is gegeven door mr. Baggel, en, in tegenwoordigheid van mr. Van Egeraat, griffier, in het openbaar uitgesproken op 12 maart 2026. Mededeling van de griffier : Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld: door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak, door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden. Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch.
Volledig
De vrouw verzoekt een door de man te betalen partneralimentatie van € 638,= per maand, bij vooruitbetaling aan haar te voldoen, met ingang van 9 september 2025. 3.28. De man voert hiertegen verweer. De vrouw heeft haar verzoek onvoldoende onderbouwd. De man betwist verder dat de vrouw behoeftig is. De huwelijksgerelateerde behoefte 3.29. Voor de vaststelling van de huwelijksgerelateerde behoefte is in beginsel het netto besteedbaar gezinsinkomen ten tijde van de samenleving van partijen het uitgangspunt. De rechtbank gaat hiervoor uit van de inkomens van partijen in 2024. 3.30. De rechtbank gaat bij de berekening van de huwelijksgerelateerde behoefte in deze voorlopige voorzieningenprocedure (net als partijen) uit van de zogenoemde hofnorm. Daarbij wordt de behoefte van de vrouw berekend op 60% van het netto besteedbaar gezinsinkomen ten tijde van de samenleving. Zoals hierover is overwogen, was het netto besteedbaar gezinsinkomen in 2024 in totaal € 8.118,= per maand. 3.31. De huwelijksgerelateerde behoefte bedraagt dan 60% van € 8.118,=, verminderd met € 1.638,= (de kosten van de kinderen), afgerond € 3.888,= netto per maand. Aanvullende behoefte 3.32. Om te bepalen of, en zo ja, in welke mate de vrouw behoefte heeft aan een aanvullende bijdrage van de man, moet op deze huwelijksgerelateerde behoefte het netto besteedbaar inkomen van de vrouw in mindering worden gebracht. Zoals hiervoor in het kader van de kinderalimentatie is overwogen gaat de rechtbank voor het netto besteedbaar inkomen van de vrouw uit van een bruto maandloon van € 3.382,=, te vermeerderen met de gebruikelijke vakantietoeslag en een bonus van € 1.000,= per jaar. Hoewel de man van mening is dat de vrouw volledig in haar behoefte kan voorzien door meer te gaan werken, neemt de rechtbank geen verdiencapaciteit aan. Dit, gelet op het karakter van deze procedure en het feit dat zij al 36 uur per week werkt. 3.33. Uitgaande van deze inkomensgegevens, becijfert de rechtbank het netto besteedbaar inkomen van de vrouw in het kader van de partneralimentatie op € 3.296,= per maand. De rechtbank verwijst naar de aangehechte berekening, waarin het eerder berekende netto besteedbaar inkomen van de vrouw van € 3.975,= in het kader van de kinderalimentatie is gecorrigeerd met het kindgebonden budget, nu dit is bedoeld voor de kinderen. 3.34. De behoefte van de vrouw aan een aanvullende bijdrage bedraagt, gelet op haar netto besteedbaar inkomen van € 3.296,= per maand, aldus € 592,= netto per maand (€ 3.888 - € 3.296). Draagkracht van de man 3.35. Vervolgens moet worden beoordeeld in hoeverre de man draagkracht heeft om in de aanvullende behoefte van de vrouw te voorzien. 3.36. Voor wat betreft de draagkracht van de man verwijst de rechtbank naar de gegevens die volgen uit rechtsoverweging 3.17. De rechtbank gaat aldus uit van een bruto maandloon van € 6.500,=, ingehouden pensioenpremie van € 112,= per maand, netto werknemerspremie van € 14,= per maand en een aflossing van € 288,= per maand op gezamenlijke schulden. Daarnaast houdt de rechtbank rekening met het aandeel van de man in de kosten van de kinderen van in totaal € 901,= per maand. 3.37. Gelet op al het voorgaande heeft de man een ruimte beschikbaar voor partneralimentatie van € 139,= netto per maand, zijnde € 222,= bruto per maand. Ingangsdatum 3.38. Met verwijzing naar de motivering van de ingangsdatum van de kinderalimentatie, zal de ingangsdatum van de partneralimentatie ook worden bepaald op de datum van indiening van het verzoekschrift, zijnde 27 januari 2026. Conclusie 3.39. Gelet op dat wat hiervoor is overwogen, zal de rechtbank de door de man ten behoeve van de vrouw te betalen partneralimentatie met ingang van 27 januari 2026 vaststellen op € 222,= bruto per maand, voor de toekomst bij vooruitbetaling te voldoen. Aanhechten berekeningen 3.40. De rechtbank heeft berekeningen gemaakt. Gewaarmerkte exemplaren van deze berekeningen zijn aan deze beschikking gehecht en maken daarvan deel uit. Proceskosten 3.41. Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. Tot slot 3.42. Tegen deze beslissing staat geen gewoon rechtsmiddel open. Ingevolge artikel 824 lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering kan alleen cassatie in het belang der wet worden ingesteld. Hoger beroep is dus niet mogelijk. Dit betekent dat deze beslissing directe werking heeft. 4 De beslissing De rechtbank 4.1. bepaalt dat de door de man te betalen bijdrage voor de verzorging en opvoeding van de minderjarigen: - [minderjarige 1] , geboren te [woonplaats] op [geboortedag 1] 2013, en - [minderjarige 2] , geboren te [woonplaats] op [geboortedag 2] 2015; met ingang van 27 januari 2026 wordt vastgesteld op € 164,= (honderdvierenzestig euro) per kind per maand, aan de vrouw, voor de toekomst bij vooruitbetaling te voldoen; 4.2. bepaalt dat de door de man te betalen bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw met ingang van 27 januari 2026 wordt vastgesteld op € 222,= (tweehonderdtweeëntwintig euro) bruto per maand, aan de vrouw, voor de toekomst bij vooruitbetaling te voldoen; 4.3. compenseert de kosten van het geding aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt; 4.4. wijst af het meer of anders verzochte. Deze beschikking is gegeven door mr. Baggel, en, in tegenwoordigheid van mr. Van Egeraat, griffier, in het openbaar uitgesproken op 12 maart 2026. Mededeling van de griffier : Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld: door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak, door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden. Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch.