Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2026-04-09
ECLI:NL:RBZWB:2026:2906
Bestuursrecht
Mondelinge uitspraak
2,477 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBZWB:2026:2906 text/xml public 2026-04-17T08:35:59 2026-04-13 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-04-09 26/965 Uitspraak Mondelinge uitspraak Proces-verbaal Voorlopige voorziening NL Breda Bestuursrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:2906 text/html public 2026-04-17T08:32:57 2026-04-17 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBZWB:2026:2906 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 09-04-2026 / 26/965 voorlopige voorziening | spoedeisend belang | belangenafweging | mondelinge uitspraak RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Zittingsplaats Breda Bestuursrecht zaaknummer: BRE 26/965 proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van 9 april 2026 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen [verzoekster] B.V., uit [plaats] , verzoekster (gemachtigde: mr. P.J. van der Woerd), en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Bergen op Zoom , het college (gemachtigde: mr. P.C. la Croix Kaiser). Als derde-partijen nemen aan de zaak deel, allen uit Halsteren: [naam 1] , [stichting] , [naam 2] , [naam 3] , [naam 4] , [naam 5] , [naam 6] , [naam 7] , [naam 8] , [naam 9] , [naam 10] , [naam 11] , drs. [naam 12] , [naam 13] , [naam 14] , [naam 15] , [naam 16] , [naam 17] en [naam 18] . Inleiding 1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekster tegen de weigering van de door verzoekster aangevraagde omgevingsvergunning voor het verbouwen en uitbreiden van een hotel aan [adres]. 1.1. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 9 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van verzoekster met [naam 19] en [naam 20] , de gemachtigde van het college en derde-partijen [naam 6] en [naam 21] . 1.2. Na afloop van de zitting heeft de voorzieningenrechter onmiddellijk uitspraak gedaan. Beoordeling door de voorzieningenrechter 2. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af. Hierna legt zij uit waarom het verzoek wordt afgewezen. Spoedeisend belang 3. Op grond van de wet treft de voorzieningenrechter alleen een voorlopige voorziening als ‘onverwijlde spoed’ dat eist. Daarvan is onder andere sprake als zonder het treffen van een voorlopige voorziening sprake is van onomkeerbare gevolgen waardoor de uitkomst van de beroepsprocedure niet kan worden afgewacht. Daar is geen sprake van: het gaat om een weigering van een omgevingsvergunning. Genoemd door eiseres is een financieel belang. In principe is dat geen reden om een voorlopige voorziening te treffen. Het moet gaan om een financiële noodsituatie én dat moet onderbouwd worden met objectieve en verifieerbare gegevens. Dat is hier niet het geval. Bovendien is aangegeven dat een deel van de mogelijke schade al is ontstaan, onder andere door het overstappen naar modulair bouwen. Daarvoor geldt dat eventuele schade kan worden verhaald als achteraf blijkt dat de beslissing op bezwaar onrechtmatig is. Tot slot is ook niet gebleken, zoals besproken op zitting, dat de huidige tijdelijke opvang van Oekraïners niet meer door kan gaan of dat het hotel op instorten staat. Daarin is dus ook geen spoedeisend belang gelegen. Belangenafweging 4. De gevraagde voorlopige voorziening is verstrekkend. De omgevingsvergunning zou herleven, zonder dat de voorzieningenrechter of het college inhoudelijk heeft geoordeeld over de omgevingsvergunning. De omgevingsvergunning is namelijk alleen herroepen omdat het medegebruik – opvang van vluchtelingen voor een periode van 10 jaar – niet is gemeld in de aanvraag om de omgevingsvergunning. Er is niet inhoudelijk geoordeeld op alle andere bezwaren die zijn aangevoerd door de derde-partijen. Toewijzen van de voorlopige voorziening zou daardoor een doorkruising kunnen zijn van de rechtsmogelijkheden die bezwaarmakers hebben, waardoor zij geschaad kunnen worden in hun belangen. Conclusie en gevolgen 5. Het ontbreken van spoedeisend belang in combinatie met de belangenafweging leidt ertoe dat de voorzieningenrechter het verzoek afwijst. 5.1. Nu het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen, krijgt eiseres geen vergoeding van haar proceskosten en ook krijgt zij haar griffierecht niet terug. 5.2. Partijen zijn erop gewezen dat tegen deze mondelinge uitspraak geen hoger beroep of verzet openstaat. Beslissing De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af. Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 9 april 2026 door mr. A.M.L.E. Ides Peeters, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van drs. A. Lemaire, griffier. griffier voorzieningenrechter Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op: Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open. Artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 27 februari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:798.
Volledig
ECLI:NL:RBZWB:2026:2906 text/xml public 2026-04-17T08:35:59 2026-04-13 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-04-09 26/965 Uitspraak Mondelinge uitspraak Proces-verbaal Voorlopige voorziening NL Breda Bestuursrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:2906 text/html public 2026-04-17T08:32:57 2026-04-17 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBZWB:2026:2906 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 09-04-2026 / 26/965 voorlopige voorziening | spoedeisend belang | belangenafweging | mondelinge uitspraak RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Zittingsplaats Breda Bestuursrecht zaaknummer: BRE 26/965 proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van 9 april 2026 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen [verzoekster] B.V., uit [plaats] , verzoekster (gemachtigde: mr. P.J. van der Woerd), en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Bergen op Zoom , het college (gemachtigde: mr. P.C. la Croix Kaiser). Als derde-partijen nemen aan de zaak deel, allen uit Halsteren: [naam 1] , [stichting] , [naam 2] , [naam 3] , [naam 4] , [naam 5] , [naam 6] , [naam 7] , [naam 8] , [naam 9] , [naam 10] , [naam 11] , drs. [naam 12] , [naam 13] , [naam 14] , [naam 15] , [naam 16] , [naam 17] en [naam 18] . Inleiding 1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekster tegen de weigering van de door verzoekster aangevraagde omgevingsvergunning voor het verbouwen en uitbreiden van een hotel aan [adres]. 1.1. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 9 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van verzoekster met [naam 19] en [naam 20] , de gemachtigde van het college en derde-partijen [naam 6] en [naam 21] . 1.2. Na afloop van de zitting heeft de voorzieningenrechter onmiddellijk uitspraak gedaan. Beoordeling door de voorzieningenrechter 2. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af. Hierna legt zij uit waarom het verzoek wordt afgewezen. Spoedeisend belang 3. Op grond van de wet treft de voorzieningenrechter alleen een voorlopige voorziening als ‘onverwijlde spoed’ dat eist. Daarvan is onder andere sprake als zonder het treffen van een voorlopige voorziening sprake is van onomkeerbare gevolgen waardoor de uitkomst van de beroepsprocedure niet kan worden afgewacht. Daar is geen sprake van: het gaat om een weigering van een omgevingsvergunning. Genoemd door eiseres is een financieel belang. In principe is dat geen reden om een voorlopige voorziening te treffen. Het moet gaan om een financiële noodsituatie én dat moet onderbouwd worden met objectieve en verifieerbare gegevens. Dat is hier niet het geval. Bovendien is aangegeven dat een deel van de mogelijke schade al is ontstaan, onder andere door het overstappen naar modulair bouwen. Daarvoor geldt dat eventuele schade kan worden verhaald als achteraf blijkt dat de beslissing op bezwaar onrechtmatig is. Tot slot is ook niet gebleken, zoals besproken op zitting, dat de huidige tijdelijke opvang van Oekraïners niet meer door kan gaan of dat het hotel op instorten staat. Daarin is dus ook geen spoedeisend belang gelegen. Belangenafweging 4. De gevraagde voorlopige voorziening is verstrekkend. De omgevingsvergunning zou herleven, zonder dat de voorzieningenrechter of het college inhoudelijk heeft geoordeeld over de omgevingsvergunning. De omgevingsvergunning is namelijk alleen herroepen omdat het medegebruik – opvang van vluchtelingen voor een periode van 10 jaar – niet is gemeld in de aanvraag om de omgevingsvergunning. Er is niet inhoudelijk geoordeeld op alle andere bezwaren die zijn aangevoerd door de derde-partijen. Toewijzen van de voorlopige voorziening zou daardoor een doorkruising kunnen zijn van de rechtsmogelijkheden die bezwaarmakers hebben, waardoor zij geschaad kunnen worden in hun belangen. Conclusie en gevolgen 5. Het ontbreken van spoedeisend belang in combinatie met de belangenafweging leidt ertoe dat de voorzieningenrechter het verzoek afwijst. 5.1. Nu het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen, krijgt eiseres geen vergoeding van haar proceskosten en ook krijgt zij haar griffierecht niet terug. 5.2. Partijen zijn erop gewezen dat tegen deze mondelinge uitspraak geen hoger beroep of verzet openstaat. Beslissing De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af. Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 9 april 2026 door mr. A.M.L.E. Ides Peeters, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van drs. A. Lemaire, griffier. griffier voorzieningenrechter Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op: Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open. Artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 27 februari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:798.