Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2026-03-05
ECLI:NL:RBZWB:2026:2822
Civiel recht; Personen- en familierecht
Rekestprocedure
4,029 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBZWB:2026:2822 text/xml public 2026-04-15T15:26:34 2026-04-10 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-03-05 C-02-437352 - FA RK 25-3474 Uitspraak Rekestprocedure NL Middelburg Civiel recht; Personen- en familierecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:2822 text/html public 2026-04-15T14:53:37 2026-04-15 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBZWB:2026:2822 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 05-03-2026 / C-02-437352 - FA RK 25-3474 . RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Team Familie- en Jeugdrecht Middelburg Zaaknummer: C/02/437352 / FA RK 25-3474 beschikking d.d. 5 maart 2026 in de zaak van [de vrouw] , wonende op een bij de rechtbank bekend adres, hierna te noemen: de vrouw, advocaat: mr. Ç. Bayrak, kantoorhoudende te Bergen op Zoom, en [de man] , wonende te [woonplaats] , hierna te noemen: de man, advocaat: mr. W.H.A. de Koning te Schijndel. 1 Het procesverloop 1.1. Dit blijkt uit de volgende stukken: - het op 1 juni 2025 ontvangen verzoekschrift tot echtscheiding met nevenvoorzieningen, met bijlagen; - het op 2 september 2025 ontvangen verweerschrift tevens zelfstandige verzoeken, met bijlagen; - de brief d.d. 19 januari 2026 van mr. De Koning, houdende een aanvulling van het verzoek; - het F-formulier d.d. 19 januari 2026 van mr. Bayrak, met bijlage; - de op 5 februari 2026 door mr. De Koning overgelegde producties behorend bij de brief d.d. 19 januari 2026. 1.2. De zaak is behandeld op de mondelinge behandeling van 5 februari 2026. Bij die gelegenheid zijn verschenen partijen, bijgestaan door hun advocaten. 2 De feiten 2.1. Partijen, Nederlanders, zijn op 18 mei 2021 te [woonplaats] een geregistreerd partnerschap aangegaan. 2.2. Partijen hebben geen minderjarige kinderen. 2.3. Tussen partijen zijn voorlopige voorzieningen getroffen. Bij beschikking van 19 augustus 2025 is bepaald dat dat de vrouw per 2 september 2025 bij uitsluiting van de man gerechtigd is tot het gebruik van de woning, daarbij inbegrepen de inboedelgoederen, gelegen aan de [adres] , [woonplaats] en de man bevolen die woning uiterlijk voor die datum te verlaten en niet meer te betreden. 3 De verzoeken 3.1. De vrouw verzoekt, voor zover mogelijk uitvoer bij voorraad, te bepalen dat: I. Het geregistreerd partnerschap tussen partijen d.d. 18 mei 2021 te [woonplaats] te beëindigen; II. Te bepalen dat de vrouw tegenover de man het recht heeft om in de woning aan de [adres] te [woonplaats] te blijven wonen en de tot de inboedel daarvan behorende zaken te blijven gebruiken tot uiterlijk zes maanden na de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand, althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen periode; De vrouw voert verweer tegen het zelfstandig verzoek van de man betreffende de inboedelgoederen. 3.2. De man voert verweer en verzoekt de verzoeken van de vrouw af te wijzen, behoudens het verzoek tot ontbinding van het geregistreerd partnerschap. Bij wege van zelfstandig verzoek verzoekt de man – na aanvulling van zijn verzoeken – om, voor zover als mogelijk uitvoerbaar bij voorraad: - de ontbinding van het geregistreerd partnerschap uit te spreken; - het huurrecht van de huurwoning staande en gelegen te [woonplaats] aan de [adres] aan de man toe te bedelen; - de in de woning aanwezige inboedelgoederen aan de man toe te bedelen, alsmede de navolgende inboedelgoederen: Rolgordijnen begane grond + eerste verdieping; Gordijnen begane grond + eerste verdieping; Tweezitsbank; Keukenapparatuur, waaronder oven; Lampen/plafondlampen; Schemerlampen 4 stuks; Klok; Stofzuiger; Beeld hond; Keukenrekje; Planken uit het toilet; Pokemonkaarten; Planken waar apen op stonden. 3.3. Op de standpunten van partijen wordt, voor zover van belang voor de beoordeling van de verzoeken, hierna ingegaan. 4 De beoordeling Ontbinding partnerschap 4.1. Beide partijen verzoeken het geregistreerd partnerschap uit te spreken. Zij hebben gesteld dat het partnerschap duurzaam is ontwricht. 4.2. Het verzoek tot ontbinding zal derhalve, als op de wet gegrond, worden toegewezen. Gebruik woning; 4.3. Beide partijen hebben aanvankelijk het huurrecht van de echtelijke woning verzocht. De vrouw heeft bij F-formulier van 19 januari 2026 van mr. Bayrak haar verzoek ten aanzien van het huurrecht ingetrokken omdat zij inmiddels een andere woonruimte heeft. De rechtbank zal dit verzoek daarom afwijzen. 4.4. De rechtbank zal het verzoek van de man met betrekking tot het huurrecht van de woning als niet weersproken en op de wet gegrond toewijzen. Inboedel 4.5. De man heeft verzocht om de in de woning aan de [adres] te [woonplaats] aanwezige inboedelgoederen aan hem toe te delen. De vrouw heeft tijdens de zitting opgemerkt hiertegen geen bezwaar te hebben. De rechtbank zal dit deel van het verzoek van de man dan ook toewijzen op de wijze als in het dictum opgenomen. 4.6. De man heeft voorts verzocht om ook de hiervoor in rechtsoverweging 3.2. genoemde zaken aan hem toe te delen. De man heeft zich daartoe aanvankelijk op het standpunt gesteld dat deze zaken hem in eigendom toebehoren. Tijdens de zitting heeft de man zijn standpunt gewijzigd door aan te voeren dat deze zaken deels gemeenschappelijk zijn en deels van hem. De vrouw heeft het standpunt van de man betwist door aan te voeren dat bedoelde zaken haar in eigendom toebehoren. De vrouw heeft daarom bij het verlaten van de woning deze zaken, met uitzondering van de ‘rolgordijnen begane grond + eerste verdieping’ en de ‘pokemonkaarten’ meegenomen. Volgens de vrouw is de inboedel hiermee op eerlijke wijze verdeeld. 4.7. De rechtbank overweegt als volgt. Partijen zijn op 18 mei 2021 een geregistreerd partnerschap aangegaan. Partijen hebben geen partnerschapsvoorwaarden gemaakt. Dat betekent dat voor hen de wettelijke beperkte gemeenschap van goederen geldt. Artikel 1:94 lid 8 jo 1:80b van het Burgerlijk Wetboek (BW) bepaalt dat indien tussen geregistreerd partners een geschil bestaat aan wie van hen beiden een goed toebehoort en geen van beiden zijn recht op dit goed kan bewijzen, een goed als gemeenschapsgoed wordt aangemerkt. Naar het oordeel van de rechtbank doet deze situatie zich hier voor. Zowel de man als de vrouw heeft tegenover de betwisting door de ander onvoldoende gemotiveerd en onderbouwd gesteld wanneer en op welke wijze hij/zij de gestelde eigendom van de onderhavige zaken heeft verkregen. De rechtbank overweegt daartoe als volgt. 4.8. De vrouw heeft ter onderbouwing van haar stellingen als productie 3 bij het F-formulier van mr. Bayrak van 19 januari 2026 enkel overgelegd een verklaring van [persoon 1] , de moeder van de man, waarin deze aangeeft “ Bij deze geef ik te kennen dat de gordijnen en bankstel van [persoon 2] zijn daar ze die zelf heeft betaald. Staan in [adres] . (…) ” De man heeft de juistheid van deze verklaring evenwel gemotiveerd bestreden door aan te voeren dat [persoon 1] niet aanwezig was toen de onderhavige gordijnen en het bankstel werden gekocht. Nu de vrouw tegenover deze betwisting haar standpunt niet nader heeft onderbouwd, terwijl uit de enkele (gestelde) betaling door de vrouw niet zonder meer volgt dat deze zaken haar in eigendom toebehoren, gaat de rechtbank hieraan voorbij. De vrouw heeft verder, eveneens bij voornoemde productie 3 bij het F-formulier van mr. Bayrak van 19 januari 2026, een, volgens haar stellingen, op 2 juni 2025 opgestelde lijst met “eigendommen [persoon 2] ” overgelegd, maar waar zij de relevantie van deze lijst niet nader heeft toegelicht, gaat de rechtbank ook hieraan voorbij. De man heeft als bijlage bij de brief van 19 januari 2026 van mr. De Koning nog overgelegd een factuur van een door hem gekochte bank, maar de vrouw heeft bestreden dat dit de bank is die zij heeft meegenomen, zodat de rechtbank ook hieraan voorbijgaat. Verder is als bijlage bij voornoemde brief van 19 januari 2026 van mr. De Koning een kassabon van de Karwei in het geding gebracht. Daar blijkt uit dat er voor een bedrag van € 170,98 aan planken (2 timmerpaneel vuren) is aangeschaft.
Volledig
ECLI:NL:RBZWB:2026:2822 text/xml public 2026-04-15T15:26:34 2026-04-10 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-03-05 C-02-437352 - FA RK 25-3474 Uitspraak Rekestprocedure NL Middelburg Civiel recht; Personen- en familierecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:2822 text/html public 2026-04-15T14:53:37 2026-04-15 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBZWB:2026:2822 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 05-03-2026 / C-02-437352 - FA RK 25-3474 . RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Team Familie- en Jeugdrecht Middelburg Zaaknummer: C/02/437352 / FA RK 25-3474 beschikking d.d. 5 maart 2026 in de zaak van [de vrouw] , wonende op een bij de rechtbank bekend adres, hierna te noemen: de vrouw, advocaat: mr. Ç. Bayrak, kantoorhoudende te Bergen op Zoom, en [de man] , wonende te [woonplaats] , hierna te noemen: de man, advocaat: mr. W.H.A. de Koning te Schijndel. 1 Het procesverloop 1.1. Dit blijkt uit de volgende stukken: - het op 1 juni 2025 ontvangen verzoekschrift tot echtscheiding met nevenvoorzieningen, met bijlagen; - het op 2 september 2025 ontvangen verweerschrift tevens zelfstandige verzoeken, met bijlagen; - de brief d.d. 19 januari 2026 van mr. De Koning, houdende een aanvulling van het verzoek; - het F-formulier d.d. 19 januari 2026 van mr. Bayrak, met bijlage; - de op 5 februari 2026 door mr. De Koning overgelegde producties behorend bij de brief d.d. 19 januari 2026. 1.2. De zaak is behandeld op de mondelinge behandeling van 5 februari 2026. Bij die gelegenheid zijn verschenen partijen, bijgestaan door hun advocaten. 2 De feiten 2.1. Partijen, Nederlanders, zijn op 18 mei 2021 te [woonplaats] een geregistreerd partnerschap aangegaan. 2.2. Partijen hebben geen minderjarige kinderen. 2.3. Tussen partijen zijn voorlopige voorzieningen getroffen. Bij beschikking van 19 augustus 2025 is bepaald dat dat de vrouw per 2 september 2025 bij uitsluiting van de man gerechtigd is tot het gebruik van de woning, daarbij inbegrepen de inboedelgoederen, gelegen aan de [adres] , [woonplaats] en de man bevolen die woning uiterlijk voor die datum te verlaten en niet meer te betreden. 3 De verzoeken 3.1. De vrouw verzoekt, voor zover mogelijk uitvoer bij voorraad, te bepalen dat: I. Het geregistreerd partnerschap tussen partijen d.d. 18 mei 2021 te [woonplaats] te beëindigen; II. Te bepalen dat de vrouw tegenover de man het recht heeft om in de woning aan de [adres] te [woonplaats] te blijven wonen en de tot de inboedel daarvan behorende zaken te blijven gebruiken tot uiterlijk zes maanden na de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand, althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen periode; De vrouw voert verweer tegen het zelfstandig verzoek van de man betreffende de inboedelgoederen. 3.2. De man voert verweer en verzoekt de verzoeken van de vrouw af te wijzen, behoudens het verzoek tot ontbinding van het geregistreerd partnerschap. Bij wege van zelfstandig verzoek verzoekt de man – na aanvulling van zijn verzoeken – om, voor zover als mogelijk uitvoerbaar bij voorraad: - de ontbinding van het geregistreerd partnerschap uit te spreken; - het huurrecht van de huurwoning staande en gelegen te [woonplaats] aan de [adres] aan de man toe te bedelen; - de in de woning aanwezige inboedelgoederen aan de man toe te bedelen, alsmede de navolgende inboedelgoederen: Rolgordijnen begane grond + eerste verdieping; Gordijnen begane grond + eerste verdieping; Tweezitsbank; Keukenapparatuur, waaronder oven; Lampen/plafondlampen; Schemerlampen 4 stuks; Klok; Stofzuiger; Beeld hond; Keukenrekje; Planken uit het toilet; Pokemonkaarten; Planken waar apen op stonden. 3.3. Op de standpunten van partijen wordt, voor zover van belang voor de beoordeling van de verzoeken, hierna ingegaan. 4 De beoordeling Ontbinding partnerschap 4.1. Beide partijen verzoeken het geregistreerd partnerschap uit te spreken. Zij hebben gesteld dat het partnerschap duurzaam is ontwricht. 4.2. Het verzoek tot ontbinding zal derhalve, als op de wet gegrond, worden toegewezen. Gebruik woning; 4.3. Beide partijen hebben aanvankelijk het huurrecht van de echtelijke woning verzocht. De vrouw heeft bij F-formulier van 19 januari 2026 van mr. Bayrak haar verzoek ten aanzien van het huurrecht ingetrokken omdat zij inmiddels een andere woonruimte heeft. De rechtbank zal dit verzoek daarom afwijzen. 4.4. De rechtbank zal het verzoek van de man met betrekking tot het huurrecht van de woning als niet weersproken en op de wet gegrond toewijzen. Inboedel 4.5. De man heeft verzocht om de in de woning aan de [adres] te [woonplaats] aanwezige inboedelgoederen aan hem toe te delen. De vrouw heeft tijdens de zitting opgemerkt hiertegen geen bezwaar te hebben. De rechtbank zal dit deel van het verzoek van de man dan ook toewijzen op de wijze als in het dictum opgenomen. 4.6. De man heeft voorts verzocht om ook de hiervoor in rechtsoverweging 3.2. genoemde zaken aan hem toe te delen. De man heeft zich daartoe aanvankelijk op het standpunt gesteld dat deze zaken hem in eigendom toebehoren. Tijdens de zitting heeft de man zijn standpunt gewijzigd door aan te voeren dat deze zaken deels gemeenschappelijk zijn en deels van hem. De vrouw heeft het standpunt van de man betwist door aan te voeren dat bedoelde zaken haar in eigendom toebehoren. De vrouw heeft daarom bij het verlaten van de woning deze zaken, met uitzondering van de ‘rolgordijnen begane grond + eerste verdieping’ en de ‘pokemonkaarten’ meegenomen. Volgens de vrouw is de inboedel hiermee op eerlijke wijze verdeeld. 4.7. De rechtbank overweegt als volgt. Partijen zijn op 18 mei 2021 een geregistreerd partnerschap aangegaan. Partijen hebben geen partnerschapsvoorwaarden gemaakt. Dat betekent dat voor hen de wettelijke beperkte gemeenschap van goederen geldt. Artikel 1:94 lid 8 jo 1:80b van het Burgerlijk Wetboek (BW) bepaalt dat indien tussen geregistreerd partners een geschil bestaat aan wie van hen beiden een goed toebehoort en geen van beiden zijn recht op dit goed kan bewijzen, een goed als gemeenschapsgoed wordt aangemerkt. Naar het oordeel van de rechtbank doet deze situatie zich hier voor. Zowel de man als de vrouw heeft tegenover de betwisting door de ander onvoldoende gemotiveerd en onderbouwd gesteld wanneer en op welke wijze hij/zij de gestelde eigendom van de onderhavige zaken heeft verkregen. De rechtbank overweegt daartoe als volgt. 4.8. De vrouw heeft ter onderbouwing van haar stellingen als productie 3 bij het F-formulier van mr. Bayrak van 19 januari 2026 enkel overgelegd een verklaring van [persoon 1] , de moeder van de man, waarin deze aangeeft “ Bij deze geef ik te kennen dat de gordijnen en bankstel van [persoon 2] zijn daar ze die zelf heeft betaald. Staan in [adres] . (…) ” De man heeft de juistheid van deze verklaring evenwel gemotiveerd bestreden door aan te voeren dat [persoon 1] niet aanwezig was toen de onderhavige gordijnen en het bankstel werden gekocht. Nu de vrouw tegenover deze betwisting haar standpunt niet nader heeft onderbouwd, terwijl uit de enkele (gestelde) betaling door de vrouw niet zonder meer volgt dat deze zaken haar in eigendom toebehoren, gaat de rechtbank hieraan voorbij. De vrouw heeft verder, eveneens bij voornoemde productie 3 bij het F-formulier van mr. Bayrak van 19 januari 2026, een, volgens haar stellingen, op 2 juni 2025 opgestelde lijst met “eigendommen [persoon 2] ” overgelegd, maar waar zij de relevantie van deze lijst niet nader heeft toegelicht, gaat de rechtbank ook hieraan voorbij. De man heeft als bijlage bij de brief van 19 januari 2026 van mr. De Koning nog overgelegd een factuur van een door hem gekochte bank, maar de vrouw heeft bestreden dat dit de bank is die zij heeft meegenomen, zodat de rechtbank ook hieraan voorbijgaat. Verder is als bijlage bij voornoemde brief van 19 januari 2026 van mr. De Koning een kassabon van de Karwei in het geding gebracht. Daar blijkt uit dat er voor een bedrag van € 170,98 aan planken (2 timmerpaneel vuren) is aangeschaft.