Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2026-04-09
ECLI:NL:RBZWB:2026:2788
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,957 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBZWB:2026:2788 text/xml public 2026-04-16T09:00:21 2026-04-10 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-04-09 BRE 26/1217 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Breda Bestuursrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:2788 text/html public 2026-04-15T16:49:28 2026-04-16 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBZWB:2026:2788 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 09-04-2026 / BRE 26/1217 NTB RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Bestuursrecht zaaknummer: BRE 26/1217 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 april 2026 in de zaak tussen [eiser] , uit [woonplaats] , eiser (gemachtigde: mr. C.J.M.M. Verwijmeren), en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen , het UWV. Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep dat eiser heeft ingesteld, omdat het UWV volgens hem niet op tijd heeft beslist op het bezwaar tegen het besluit van 12 juli 2024 over de toekenning van de aanvraag van een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). 1.1. Omdat het beroep kennelijk gegrond is doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. Beoordeling door de rechtbank 2. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift, kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na die twee weken nog steeds geen besluit is, dan kan de betrokkene beroep instellen. Is het beroep ontvankelijk en kennelijk gegrond? 3. Het beroep is ontvankelijk en kennelijk gegrond. Niet in geschil is dat er sprake is van een overschrijding van de beslistermijn. Eiser heeft het UWV op 18 februari 2025 in gebreke gesteld. Op 23 februari 2026 heeft eiser beroep ingesteld bij de rechtbank. Op 16 oktober 2025 heeft het UWV eiser een brief verstuurd over de overdracht van zijn dossier. Dit is voor de rechtbank het laatst kenbare contact tussen eiser en het UWV met betrekking tot de behandeling van het bezwaar. Hiermee is het beroep niet onredelijk laat. Welke beslistermijn wordt aan het UWV opgelegd? 4. Omdat het UWV nog geen besluit heeft genomen, bepaalt de rechtbank dat het UWV dit alsnog moet doen. 4.1. Op grond van artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb moet het UWV dit doen binnen twee weken na het verzenden van deze uitspraak. In bijzondere gevallen of als dit vanwege een wettelijk voorschrift nodig is, kan de rechtbank op grond van het derde lid een andere termijn geven of een andere voorziening treffen. 4.2. Het UWV heeft in het verweerschrift van 17 maart 2026 aangegeven dat de reden van het overschrijden van de beslistermijn het tekort aan verzekeringsartsen is. Tevens geeft het UWV aan dat het momenteel nog onduidelijk is wanneer er een besluit afgegeven kan worden. 4.3. Naar het oordeel van de rechtbank moet een termijn recht doen aan de reële mogelijkheden om op het bezwaar te beslissen, maar ook aan het belang om binnen afzienbare tijd een beslissing te ontvangen. Een langere termijn dan twee weken acht de rechtbank in dit geval aangewezen vanwege het belang van een zorgvuldige besluitvorming. In dit geval acht de rechtbank het redelijk dat het UWV vier maanden de tijd krijgt om alsnog te beslissen op het bezwaar. De rechtbank gaat dus niet mee in het verzoek van het UWV om een langere beslistermijn op te leggen. Evenmin honoreert zij het verzoek van eiser om een beslistermijn van acht weken op te leggen . Welke dwangsom wordt aan het UWV opgelegd? 5. De rechtbank bepaalt dat het UWV een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de beslistermijn nu nog wordt overschreden door het UWV. Daarbij geldt wel een maximum van € 15.000,-. Conclusie en gevolgen 6. Het beroep is kennelijk gegrond. Dat betekent dat eiser gelijk krijgt, het UWV de onder 4.3. genoemde termijn krijgt om alsnog een besluit te nemen en aan het UWV de onder 5. genoemde dwangsom wordt opgelegd. 6.1. Omdat het beroep gegrond is moet het UWV het griffierecht aan eiser vergoeden en krijgt eiser ook een vergoeding voor zijn proceskosten. Het UWV moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 467,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en de zaak alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden. Beslissing De rechtbank: verklaart het beroep gegrond; vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit; draagt het UWV op binnen vier maanden na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een besluit op bezwaar bekend te maken; - bepaalt dat het UWV aan eiser een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee het UWV de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,- ; bepaalt dat het UWV het griffierecht van € 54,- aan eiser moet vergoeden; veroordeelt het UWV tot betaling van € 467,- aan proceskosten aan eiser. Deze uitspraak is gedaan door mr. R.P. Broeders, rechter, in aanwezigheid van I. Ambachtsheer, griffier, op 9 april 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over verzet Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden. Dit staat (onder andere) in artikel 6:12 van de Awb.
Volledig
ECLI:NL:RBZWB:2026:2788 text/xml public 2026-04-16T09:00:21 2026-04-10 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-04-09 BRE 26/1217 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Breda Bestuursrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:2788 text/html public 2026-04-15T16:49:28 2026-04-16 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBZWB:2026:2788 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 09-04-2026 / BRE 26/1217 NTB RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Bestuursrecht zaaknummer: BRE 26/1217 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 april 2026 in de zaak tussen [eiser] , uit [woonplaats] , eiser (gemachtigde: mr. C.J.M.M. Verwijmeren), en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen , het UWV. Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep dat eiser heeft ingesteld, omdat het UWV volgens hem niet op tijd heeft beslist op het bezwaar tegen het besluit van 12 juli 2024 over de toekenning van de aanvraag van een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). 1.1. Omdat het beroep kennelijk gegrond is doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. Beoordeling door de rechtbank 2. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift, kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na die twee weken nog steeds geen besluit is, dan kan de betrokkene beroep instellen. Is het beroep ontvankelijk en kennelijk gegrond? 3. Het beroep is ontvankelijk en kennelijk gegrond. Niet in geschil is dat er sprake is van een overschrijding van de beslistermijn. Eiser heeft het UWV op 18 februari 2025 in gebreke gesteld. Op 23 februari 2026 heeft eiser beroep ingesteld bij de rechtbank. Op 16 oktober 2025 heeft het UWV eiser een brief verstuurd over de overdracht van zijn dossier. Dit is voor de rechtbank het laatst kenbare contact tussen eiser en het UWV met betrekking tot de behandeling van het bezwaar. Hiermee is het beroep niet onredelijk laat. Welke beslistermijn wordt aan het UWV opgelegd? 4. Omdat het UWV nog geen besluit heeft genomen, bepaalt de rechtbank dat het UWV dit alsnog moet doen. 4.1. Op grond van artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb moet het UWV dit doen binnen twee weken na het verzenden van deze uitspraak. In bijzondere gevallen of als dit vanwege een wettelijk voorschrift nodig is, kan de rechtbank op grond van het derde lid een andere termijn geven of een andere voorziening treffen. 4.2. Het UWV heeft in het verweerschrift van 17 maart 2026 aangegeven dat de reden van het overschrijden van de beslistermijn het tekort aan verzekeringsartsen is. Tevens geeft het UWV aan dat het momenteel nog onduidelijk is wanneer er een besluit afgegeven kan worden. 4.3. Naar het oordeel van de rechtbank moet een termijn recht doen aan de reële mogelijkheden om op het bezwaar te beslissen, maar ook aan het belang om binnen afzienbare tijd een beslissing te ontvangen. Een langere termijn dan twee weken acht de rechtbank in dit geval aangewezen vanwege het belang van een zorgvuldige besluitvorming. In dit geval acht de rechtbank het redelijk dat het UWV vier maanden de tijd krijgt om alsnog te beslissen op het bezwaar. De rechtbank gaat dus niet mee in het verzoek van het UWV om een langere beslistermijn op te leggen. Evenmin honoreert zij het verzoek van eiser om een beslistermijn van acht weken op te leggen . Welke dwangsom wordt aan het UWV opgelegd? 5. De rechtbank bepaalt dat het UWV een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de beslistermijn nu nog wordt overschreden door het UWV. Daarbij geldt wel een maximum van € 15.000,-. Conclusie en gevolgen 6. Het beroep is kennelijk gegrond. Dat betekent dat eiser gelijk krijgt, het UWV de onder 4.3. genoemde termijn krijgt om alsnog een besluit te nemen en aan het UWV de onder 5. genoemde dwangsom wordt opgelegd. 6.1. Omdat het beroep gegrond is moet het UWV het griffierecht aan eiser vergoeden en krijgt eiser ook een vergoeding voor zijn proceskosten. Het UWV moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 467,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en de zaak alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden. Beslissing De rechtbank: verklaart het beroep gegrond; vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit; draagt het UWV op binnen vier maanden na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een besluit op bezwaar bekend te maken; - bepaalt dat het UWV aan eiser een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee het UWV de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,- ; bepaalt dat het UWV het griffierecht van € 54,- aan eiser moet vergoeden; veroordeelt het UWV tot betaling van € 467,- aan proceskosten aan eiser. Deze uitspraak is gedaan door mr. R.P. Broeders, rechter, in aanwezigheid van I. Ambachtsheer, griffier, op 9 april 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over verzet Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden. Dit staat (onder andere) in artikel 6:12 van de Awb.