Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2026-01-21
ECLI:NL:RBZWB:2026:276
Civiel recht
Beschikking
2,045 tokens
=== VOLLEDIG ===
ECLI:NL:RBZWB:2026:276 text/xml public 2026-02-13T12:15:39 2026-01-22 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-01-21 11789917 \ OV VERZ 25-3287 (E) Uitspraak Beschikking NL Middelburg Civiel recht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:276 text/html public 2026-02-12T15:17:15 2026-02-13 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBZWB:2026:276 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 21-01-2026 / 11789917 \ OV VERZ 25-3287 (E) Erfrecht. Verzoek tot ontslag van executeur wordt afgewezen, omdat geen sprake is van gewichtige redenen die het ontslag rechtvaardigen. RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Civiel recht Kantonrechter Zittingsplaats Middelburg Zaaknummer / rekestnummer: 11789917 \ OV VERZ 25-3287 Beschikking van 21 januari 2026 in de zaak van [verzoekster] , te [plaats 1] , verzoekende partij, hierna te noemen: [verzoekster] , gemachtigde: mr. B.J. van de Wijnckel, tegen [verweerder] , te [plaats 2] , verwerende partij, hierna te noemen: [verweerder] , gemachtigde: mr. M.J.M. Jansen-van Beek, Belanghebbenden zijn: 1 [belanghebbende 1] , te [plaats 3] , 2. [belanghebbende 2] , te [plaats 4] , belanghebbende partijen, hierna samen te noemen: belanghebbenden. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - het verzoekschrift met producties 1 t/m 9, ontvangen op 10 juli 2025, - het herziene verzoekschrift met productie 10, ontvangen op 26 augustus 2025, - het verweerschrift van [verweerder] met producties 1 t/m 11, - de aanvullende productie 11 van [verzoekster] , - de aanvullende producties 12 en 13 van [verweerder] , - de mondelinge behandeling van 30 oktober 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt, en de door mr. Jansen-van Beek overgelegde spreekaantekeningen. 1.2. Na de mondelinge behandeling is de zaak op verzoek van partijen aangehouden. Mr. Van de Wijnckel heeft met de brief van 25 november 2025 de kantonrechter verzocht uitspraak te doen. De beschikking is bepaald op vandaag. 2 De feiten 2.1. Op [datum 1] 2025 is overleden [erflaatster] (geboren te [plaats 1] op [datum 2] 1931, hierna te noemen: erflaatster). [verzoekster] is een dochter van erflaatster. [verweerder] is een kleinzoon van erflaatster (een zoon van een vooroverleden dochter van erflaatster). 2.2. Bij testament van 29 november 2021 heeft erflaatster beschikt over haar nalatenschap. [verzoekster] , [verweerder] en belanghebbenden zijn alle vier erfgenaam. Erflaatster heeft [verweerder] benoemd tot executeur en afwikkelingsbewindvoerder. [verweerder] heeft de benoeming aanvaard. 3 De verzoeken en het verweer 3.1. [verzoekster] heeft – samengevat en na intrekking van de verzochte voorlopige voorzieningen – verzocht om, uitvoerbaar bij voorraad, [verweerder] te ontslaan als executeur en afwikkelingsbewindvoerder in de nalatenschap van erflaatster, een opvolgend executeur en afwikkelingsbewindvoerder te benoemen, met bepaling dat [verweerder] rekening en verantwoording dient af te leggen aan de opvolgend executeur, op straffe van een dwangsom en met veroordeling van [verweerder] in de proceskosten. 3.2. Aan de verzoeken heeft [verzoekster] het volgende ten grondslag gelegd. Bij leven heeft erflaatster een schuur met bijbehorend perceel aan een besloten vennootschap verkocht, van welke vennootschap [verweerder] bestuurder is. Na taxatie is gebleken dat de schuur en het perceel een hogere marktwaarde hadden. [verweerder] is door de aankoop verrijkt en de nalatenschap verarmd. [verweerder] heeft onrechtmatig dan wel paulianeus gehandeld. Tot de nalatenschap behoort onder meer de woning aan [adres] (hierna: de woning). [verweerder] is voornemens de woning te verkopen voor een prijs die ver onder de marktwaarde ligt. In de woning staat een kluis, welke door [verweerder] is leeggehaald. Ondanks herhaaldelijk verzoek verstrekt [verweerder] geen informatie aan de erfgenamen. [verzoekster] heeft geen vertrouwen meer in [verweerder] als executeur en afwikkelingsbewindvoerder. 3.3. [verweerder] verzet zich tegen toewijzing van de verzoeken. [verweerder] betwist dat er gronden zijn voor zijn ontslag als executeur en afwikkelingsbewindvoerder. Hij heeft informatie verstrekt aan de erfgenamen. Hij heeft na het overlijden van erflaatster een voorlopige boedelbeschrijving gemaakt en deze naar de erfgenamen gezonden. De erfgenamen hebben verklaard de woning niet over te willen nemen. Voor het taxeren van de woning heeft [verweerder] drie makelaars benaderd. De woning staat nog niet te koop. [verweerder] betwist dat sprake is van benadeling van de nalatenschap bij de verkoop van de schuur dan wel de woning. Ook betwist hij dat hij de kluis in de woning heeft leeggehaald, het is juist [verzoekster] die zaken uit de woning heeft gehaald. 4 De beoordeling 4.1. De taak van een executeur of afwikkelingsbewindvoerder eindigt onder andere door ontslag dat de kantonrechter hem met ingang van een bepaalde dag verleent. Het ontslag wordt hem verleend, hetzij op eigen verzoek, hetzij om gewichtige redenen. Omdat een mede-erfgenaam om het ontslag van [verweerder] als executeur en bewindvoerder heeft verzocht, dient te worden beoordeeld of sprake is van gewichtige redenen die het ontslag rechtvaardigen. Van gewichtige redenen kan sprake zijn, als de executeur of afwikkelingsbewindvoerder in ernstige mate tekortschiet in de nakoming van zijn wettelijke of testamentaire verplichtingen. 4.2. De executeur moet aan een erfgenaam alle door deze gewenste inlichtingen omtrent de uitoefening van zijn taak geven. Uit de door [verweerder] overgelegde stukken blijkt dat hij de erfgenamen heeft geïnformeerd over de voortgang van de afwikkeling van de nalatenschap. Dit vormt dan ook geen gewichtige reden voor het ontslag van [verweerder] . 4.3. De door [verzoekster] aangevoerde omstandigheid dat [verweerder] geen bankafschriften zou hebben verstrekt, waarvan [verweerder] betwist dat [verzoekster] hem dat heeft verzocht, kan evenmin een grond vormen voor het ontslag van [verweerder] . Uit het verzoekschrift blijkt namelijk dat [verzoekster] , voor zover zij dit daadwerkelijk heeft gedaan, alleen vóór het overlijden van erflaatster hierom zou hebben verzocht. Op dat moment was [verweerder] nog geen executeur/bewindvoerder. 4.4. Voor wat betreft de verkoop van de schuur met het perceel geldt dat deze transactie bij leven van erflaatster heeft plaatsgevonden. Dit kan dus niet aan [verweerder] in de hoedanigheid van executeur of bewindvoerder worden tegengeworpen. 4.5. Op grond van het testament is [verweerder] bevoegd om tot verkoop van de woning over te gaan. Hij dient daarbij de belangen van alle betrokkenen in acht te nemen, temeer nu het testamentaire bewind is ingesteld in een gemeenschappelijk belang. Niet is gebleken dat de woning al te koop staat. Het staat dan ook niet vast dat [verweerder] de woning voor een (te) lage verkoopprijs laat aanbieden. Verder hebben zowel [verzoekster] als [verweerder] taxaties van de waarde van de woning overgelegd. Deze taxaties lopen behoorlijk uiteen. Partijen hebben daarom tijdens de mondelinge behandeling van deze zaak afgesproken dat zij gezamenlijk een makelaar zouden aanzoeken voor het laten uitbrengen van een bindend verkoopadvies. Op deze manier zou aan het wantrouwen van [verzoekster] in [verweerder] tegemoet worden gekomen. Uit de e-mail van 27 november 2025 van mr. Jansen-Van Beek blijkt dat het bindend verkoopadvies is ontvangen. Niet duidelijk is waarom [verzoekster] hier niet mee heeft ingestemd. [verweerder] is echter voldoende tegemoet gekomen aan de zorg van [verzoekster] . De verkoop van de woning kan dan ook geen gewichtige reden vormen voor het ontslag van [verweerder] als executeur en/of bewindvoerder. Op de zitting is duidelijk geworden dat de woning aan een derde wordt verkocht voor de hoogst mogelijk prijs. Uit niets blijkt dat [verweerder] de belangen van de erfgenamen niet in acht heeft genomen. 4.6. Het door [verzoekster] genoemde wantrouwen in [verweerder] als executeur en bewindvoerder komt de kantonrechter gelet op het voornoemde ongegrond voor. Verder heeft [verzoekster] geen andere gewichtige redenen aangevoerd die het ontslag van [verweerder] rechtvaardigen.