Rechtspraak Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-03-09
ECLI:NL:RBZWB:2026:2713
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Familie- en Jeugdrecht Locatie Breda Zaaknummer: C/02/444981 / FA RK 26-755 Datum uitspraak: 9 maart 2026 Beschikking rechterlijke machtiging op het verzoek van het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) voor [betrokkene] , geboren op [geboortedag] 1955 in [geboorteplaats] , hierna te noemen betrokkene, wonend in [plaats 1] , advocaat mr. G.H.M. van Laarhoven uit Tilburg. 1 Het verloop van de procedure 1.1. De rechtbank neemt de volgende stukken mee in de beoordeling: - het verzoekschrift met bijlagen, binnengekomen bij de rechtbank op 11 februari 2026. 1.2. De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 9 maart 2026. Daarbij zijn gehoord: betrokkene, bijgestaan door zijn advocaat; mevrouw [persoon 1] , mentor van betrokkene; mevrouw [persoon 2] , psycholoog; [persoon 3] , verzorgende. 2 Wat vaststaat 2.1. De rechtbank heeft een rechterlijke machtiging verleend tot en met 15 maart 2026. Betrokkene verblijft met deze machtiging in de accommodatie van [accommodatie] te [plaats 2] . 2.2. Voor betrokkene is mentorschap ingesteld. 3 Het verzoek 3.1. Het CIZ verzoekt de rechtbank een rechterlijke machtiging tot opname en verblijf te verlenen voor de duur van vijf jaren. 4 De standpunten 4.1. Betrokkene brengt, samengevat, naar voren hij graag naar huis zou willen. Betrokkene geeft aan dat ze goed voor hem zorgen maar dat hij liever thuis voor zijn broer wil zorgen. In het begin zal het even wennen zijn maar betrokkene geeft aan dat hij heel lang heeft samengewoond met zijn broer en hij niet goed zonder hem kan. 4.2. De mentor van betrokkene verklaart dat de broer van betrokkene uitgeput is van de zorg voor zijn broer. Betrokkene begrijpt niet dat hij degene was die zorg ontving van zijn broer en dat zijn broer dat niet meer aankan. Op dit moment wil de broer van betrokkene nog niet op bezoek komen bij betrokkene. Er is sprake van een vertrouwensbreuk en die moet eerst hersteld worden voordat de broer weer op bezoek wil gaan. Voorts is de mentor van mening dat er professionele mantelzorg ingezet kan worden bij de broer van betrokkene, maar er moet eerst een financiële balans worden opgemaakt tussen betrokkene en zijn broer. Bewindvoering is daar op dit moment nog mee bezig. 4.3. De psychiater voert, samengevat, aan dat het wisselend op de afdeling gaat met betrokkene. Wanneer betrokkene genoeg dingen kan doen dan gaat het goed, maar wanneer andere bewoners hem prikkelen dat komt er frictie met als gevolg verbale en fysieke uitingen richting medebewoners. 4.4. De verzorgende geeft aan dat het op en af gaat met betrokkene, maar dat ze hem zo goed mogelijk proberen te begeleiden. 4.5. De advocaat verklaart dat er niet is voldaan aan het wettelijk vereiste van artikel 25 lid 3 Wzd. Daarnaast is het de advocaat opgevallen dat de ondertekening niet gelijk is aan de persoon van de mentor. De advocaat bepleit dan ook afwijzing van het verzoek. Betrokkene wenst hier niet langer te verblijven omdat hij van mening is dat hij hier niet thuishoort. Betrokkene ziet mogelijkheden om thuis te kunnen wonen met behulp van zorg. 5 De beoordeling 5.1. De rechtbank verleent de gevraagde machtiging voor de duur van zes maanden. Zij legt hierna uit waarom zij deze beslissing neemt. 5.2. Uit de overgelegde stukken en hetgeen is besproken tijdens de zitting is gebleken dat betrokkene lijdt aan een psychogeriatrische aandoening samen met een psychische stoornis, te weten vasculaire dementie. 5.3. Het gedrag dat voortvloeit uit deze aandoening en stoornis leidt tot ernstig nadeel. Dit nadeel bestaat uit levensgevaar, ernstig lichamelijk letsel, ernstige psychische schade, ernstige materiële schade en ernstige financiële schade. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat betrokkene zijn broer een keer met een mes bedreigd heeft. Gezien de dagelijkse (ook fysieke) agressieve uitbarstingen bij afwezig ziektebesef en -inzicht is het niet ondenkbaar dat betrokkene bij stress en frustratie handelt naar zijn dreigementen. Daarna