Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2026-02-24
ECLI:NL:RBZWB:2026:2707
Civiel recht; Personen- en familierecht
Rekestprocedure
7,346 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBZWB:2026:2707 text/xml public 2026-04-17T14:31:50 2026-04-09 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-02-24 C/02/444674 / JE RK 26-204 Uitspraak Rekestprocedure NL Middelburg Civiel recht; Personen- en familierecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:2707 text/html public 2026-04-15T14:11:40 2026-04-17 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBZWB:2026:2707 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 24-02-2026 / C/02/444674 / JE RK 26-204 Verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Familie- en Jeugdrecht Locatie Middelburg Zaaknummer: C/02/444674 / JE RK 26-204 Datum uitspraak: 24 februari 2026 Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing in de zaak van STICHTING JEUGDBESCHERMING WEST ZEELAND , hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (de GI), gevestigd te Middelburg, over [minderjarige 1] , geboren op [geboortedag 1] 2014 te [geboorteplaats 1] , hierna te noemen: [minderjarige 1] . [minderjarige 2] , geboren op [geboortedag 2] 2016 te [geboorteplaats 2] , hierna te noemen: [minderjarige 2] , [minderjarige 3] , geboren op [geboortedag 3] 2020 te [geboorteplaats 3] , hierna te noemen: [minderjarige 3] , [minderjarige 4] , geboren op [geboortedag 4] 2022 te [geboorteplaats 3] , hierna te noemen: [minderjarige 4] , [minderjarige 5] , geboren op [geboortedag 5] 2025 te [geboorteplaats 3] , hierna te noemen: [minderjarige 5] . De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan: [de moeder] , hierna te noemen: de moeder, wonende op een bij de rechtbank bekend adres, [de vader] , hierna te noemen: de vader, wonende te [woonplaats] . 1 Het verloop van de procedure 1.1. De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling: - het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 30 januari 2026. 1.2. De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 24 februari 2026. Daarbij waren twee vertegenwoordigsters van de GI aanwezig. 1.3. Hoewel behoorlijk opgeroepen, zijn de ouders niet verschenen. 1.4. De kinderrechter heeft [minderjarige 1] en [minderjarige 2] naar hun mening gevraagd. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben hierover in het bijzijn van een vertrouwenspersoon van [zorgorganisatie] een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren. 2 De feiten 2.1. De vader heeft [minderjarige 1] , [minderjarige 2] , [minderjarige 3] , [minderjarige 4] erkend. De ouders zijn, omdat zij zijn getrouwd, gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] , [minderjarige 2] , [minderjarige 3] , [minderjarige 4] en [minderjarige 5] . 2.2. Bij beschikking van 14 maart 2024 zijn [minderjarige 1] , [minderjarige 2] , [minderjarige 3] en [minderjarige 4] onder toezicht gesteld van de GI. Bij beschikking van 30 april 2025 is ook [minderjarige 5] onder toezicht gesteld van de GI. De ondertoezichtstelling is hierna steeds verlengd, voor het laatste bij beschikking van 12 september 2025 voor de periode van 14 september 2025 en tot 14 maart 2026. 2.3. Bij beschikking van 12 december 2025 is een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] , [minderjarige 3] , [minderjarige 4] en [minderjarige 5] in een voorziening voor pleegzorg verleend met ingang van 12 december 2025 en tot 26 december 2025. Deze machtiging is bij beschikking van 24 december verlengd met ingang van 26 december 2025 en tot 1 februari 2026. 2.4. Bij beschikking van 16 januari 2026 is een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een gezinsgerichte voorziening verleend met ingang van 16 januari 2026 en tot 30 januari 2026. 2.5. Bij beschikking van 28 januari 2026 is de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 5] , [minderjarige 4] en [minderjarige 3] in een voorziening voor pleegzorg verlengd met ingang van 1 februari 2026 en tot 14 maart 2026. Tevens is bij deze beschikking de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een gezinsgerichte voorziening verlengd met ingang van 30 januari 2026 en tot 14 maart 2026. 2.6. Op basis van voornoemde machtigingen verblijven [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een gezinshuis. [minderjarige 3] , [minderjarige 4] en [minderjarige 5] verblijven in twee verschillende pleeggezinnen. 3 Het verzoek 3.1. De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] , [minderjarige 3] , [minderjarige 4] en [minderjarige 5] te verlengen voor de duur van een jaar. 3.2. Daarnaast verzoekt de GI de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 3] , [minderjarige 4] en [minderjarige 5] in een voorziening voor pleegzorg te verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling. Ook verzoekt de GI de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een gezinsgerichte voorziening te verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling. 3.3. De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. 4 De standpunten 4.1. De GI handhaaft het verzoek. De GI heeft nog steeds veel zorgen over de ontwikkeling van de minderjarigen en is van mening dat een thuisplaatsing van de minderjarigen nog niet aan de orde is. Bij de moeder is namelijk nog steeds sprake van een alcoholverslaving waarvoor nog geen hulpverlening is gestart. Ook zijn er nog steeds zorgen over de relatie tussen de ouders, onder meer doordat is gebleken dat sprake is van fysieke en verbale agressie tussen de ouders waar de minderjarige in ieder geval oorgetuige van zijn geweest. Een nieuwe ontwikkeling hierin is dat de ouders zeer recent de beslissing hebben genomen om uit elkaar te gaan. 4.2. [minderjarige 1] heeft aan de kinderrechter verteld dat zij heel graag weer thuis wil wonen. Als [minderjarige 1] nog langer in het gezinshuis moet verblijven, is het voor haar belangrijk dat er beter naar haar wordt geluisterd en dat zij meer privacy en ruimte krijgt. 4.3. [minderjarige 2] heeft aan de kinderrechter verteld dat zij graag voor [datum] 2026 weer thuis wil wonen. Op die dag is [minderjarige 5] jarig en [minderjarige 2] vindt het belangrijk dat zij die verjaardag met haar familie kan vieren. 5 De beoordeling Het wettelijk kader 5.1. Ingevolge het bepaalde in artikel 1:255 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en: a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en; b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW, in staat zijn te dragen. 5.2. Op grond van artikel 1:260 BW kan de kinderrechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:255 lid 1 BW is voldaan, de duur van de ondertoezichtstelling telkens verlengen met ten hoogste een jaar. 5.3. Ingevolge artikel 1:265b lid 1 BW kan de kinderrechter de GI, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid. 5.4. Op grond van artikel 1:265c lid 2 BW kan de kinderrechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:265b lid 1 BW is voldaan, de duur van de machtiging uithuisplaatsing telkens verlengen met ten hoogste een jaar. De inhoudelijke beoordeling 5.5. De kinderrechter overweegt allereerst dat ter zitting door de jeugdbeschermer is aangegeven dat mr. van Steenberge wellicht betrokken wil zijn en dat mr.
Volledig
ECLI:NL:RBZWB:2026:2707 text/xml public 2026-04-17T14:31:50 2026-04-09 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-02-24 C/02/444674 / JE RK 26-204 Uitspraak Rekestprocedure NL Middelburg Civiel recht; Personen- en familierecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:2707 text/html public 2026-04-15T14:11:40 2026-04-17 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBZWB:2026:2707 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 24-02-2026 / C/02/444674 / JE RK 26-204 Verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Familie- en Jeugdrecht Locatie Middelburg Zaaknummer: C/02/444674 / JE RK 26-204 Datum uitspraak: 24 februari 2026 Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing in de zaak van STICHTING JEUGDBESCHERMING WEST ZEELAND , hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (de GI), gevestigd te Middelburg, over [minderjarige 1] , geboren op [geboortedag 1] 2014 te [geboorteplaats 1] , hierna te noemen: [minderjarige 1] . [minderjarige 2] , geboren op [geboortedag 2] 2016 te [geboorteplaats 2] , hierna te noemen: [minderjarige 2] , [minderjarige 3] , geboren op [geboortedag 3] 2020 te [geboorteplaats 3] , hierna te noemen: [minderjarige 3] , [minderjarige 4] , geboren op [geboortedag 4] 2022 te [geboorteplaats 3] , hierna te noemen: [minderjarige 4] , [minderjarige 5] , geboren op [geboortedag 5] 2025 te [geboorteplaats 3] , hierna te noemen: [minderjarige 5] . De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan: [de moeder] , hierna te noemen: de moeder, wonende op een bij de rechtbank bekend adres, [de vader] , hierna te noemen: de vader, wonende te [woonplaats] . 1 Het verloop van de procedure 1.1. De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling: - het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 30 januari 2026. 1.2. De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 24 februari 2026. Daarbij waren twee vertegenwoordigsters van de GI aanwezig. 1.3. Hoewel behoorlijk opgeroepen, zijn de ouders niet verschenen. 1.4. De kinderrechter heeft [minderjarige 1] en [minderjarige 2] naar hun mening gevraagd. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben hierover in het bijzijn van een vertrouwenspersoon van [zorgorganisatie] een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren. 2 De feiten 2.1. De vader heeft [minderjarige 1] , [minderjarige 2] , [minderjarige 3] , [minderjarige 4] erkend. De ouders zijn, omdat zij zijn getrouwd, gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] , [minderjarige 2] , [minderjarige 3] , [minderjarige 4] en [minderjarige 5] . 2.2. Bij beschikking van 14 maart 2024 zijn [minderjarige 1] , [minderjarige 2] , [minderjarige 3] en [minderjarige 4] onder toezicht gesteld van de GI. Bij beschikking van 30 april 2025 is ook [minderjarige 5] onder toezicht gesteld van de GI. De ondertoezichtstelling is hierna steeds verlengd, voor het laatste bij beschikking van 12 september 2025 voor de periode van 14 september 2025 en tot 14 maart 2026. 2.3. Bij beschikking van 12 december 2025 is een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] , [minderjarige 3] , [minderjarige 4] en [minderjarige 5] in een voorziening voor pleegzorg verleend met ingang van 12 december 2025 en tot 26 december 2025. Deze machtiging is bij beschikking van 24 december verlengd met ingang van 26 december 2025 en tot 1 februari 2026. 2.4. Bij beschikking van 16 januari 2026 is een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een gezinsgerichte voorziening verleend met ingang van 16 januari 2026 en tot 30 januari 2026. 2.5. Bij beschikking van 28 januari 2026 is de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 5] , [minderjarige 4] en [minderjarige 3] in een voorziening voor pleegzorg verlengd met ingang van 1 februari 2026 en tot 14 maart 2026. Tevens is bij deze beschikking de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een gezinsgerichte voorziening verlengd met ingang van 30 januari 2026 en tot 14 maart 2026. 2.6. Op basis van voornoemde machtigingen verblijven [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een gezinshuis. [minderjarige 3] , [minderjarige 4] en [minderjarige 5] verblijven in twee verschillende pleeggezinnen. 3 Het verzoek 3.1. De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] , [minderjarige 3] , [minderjarige 4] en [minderjarige 5] te verlengen voor de duur van een jaar. 3.2. Daarnaast verzoekt de GI de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 3] , [minderjarige 4] en [minderjarige 5] in een voorziening voor pleegzorg te verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling. Ook verzoekt de GI de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een gezinsgerichte voorziening te verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling. 3.3. De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. 4 De standpunten 4.1. De GI handhaaft het verzoek. De GI heeft nog steeds veel zorgen over de ontwikkeling van de minderjarigen en is van mening dat een thuisplaatsing van de minderjarigen nog niet aan de orde is. Bij de moeder is namelijk nog steeds sprake van een alcoholverslaving waarvoor nog geen hulpverlening is gestart. Ook zijn er nog steeds zorgen over de relatie tussen de ouders, onder meer doordat is gebleken dat sprake is van fysieke en verbale agressie tussen de ouders waar de minderjarige in ieder geval oorgetuige van zijn geweest. Een nieuwe ontwikkeling hierin is dat de ouders zeer recent de beslissing hebben genomen om uit elkaar te gaan. 4.2. [minderjarige 1] heeft aan de kinderrechter verteld dat zij heel graag weer thuis wil wonen. Als [minderjarige 1] nog langer in het gezinshuis moet verblijven, is het voor haar belangrijk dat er beter naar haar wordt geluisterd en dat zij meer privacy en ruimte krijgt. 4.3. [minderjarige 2] heeft aan de kinderrechter verteld dat zij graag voor [datum] 2026 weer thuis wil wonen. Op die dag is [minderjarige 5] jarig en [minderjarige 2] vindt het belangrijk dat zij die verjaardag met haar familie kan vieren. 5 De beoordeling Het wettelijk kader 5.1. Ingevolge het bepaalde in artikel 1:255 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en: a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en; b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW, in staat zijn te dragen. 5.2. Op grond van artikel 1:260 BW kan de kinderrechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:255 lid 1 BW is voldaan, de duur van de ondertoezichtstelling telkens verlengen met ten hoogste een jaar. 5.3. Ingevolge artikel 1:265b lid 1 BW kan de kinderrechter de GI, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid. 5.4. Op grond van artikel 1:265c lid 2 BW kan de kinderrechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:265b lid 1 BW is voldaan, de duur van de machtiging uithuisplaatsing telkens verlengen met ten hoogste een jaar. De inhoudelijke beoordeling 5.5. De kinderrechter overweegt allereerst dat ter zitting door de jeugdbeschermer is aangegeven dat mr. van Steenberge wellicht betrokken wil zijn en dat mr.
Volledig
van Steenberge aan haar heeft gevraagd om aan de kinderrechter te vragen of de zaak kan worden aangehouden of voor een korte periode kan worden toegewezen onder aanhouding van het resterende deel van het verzoek, zodat de zaak op een later moment inhoudelijk kan worden behandeld. De kinderrechter heeft echter geen stelbrief ontvangen van mr. van Steenberge. Dat lijkt overeen te komen met wat de jeugdbeschermer van mr. van Steenberge heeft begrepen. Om die reden kan het verzoek van mr. van Steenberge om de zaak aan te houden tot een nader moment niet worden gehonoreerd. 5.6. De kinderrechter is van oordeel dat de ontwikkelingsbedreiging van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] , [minderjarige 3] , [minderjarige 4] en [minderjarige 5] nog niet is weggenomen. Gebleken is namelijk dat sprake is van een jarenlang patroon waarbij op verschillende vlakken ernstige zorgen spelen en er verschillende omstandigheden zijn waardoor de stabiliteit van de moeder in het geding is. De zorgen zien onder meer op de omstandigheid dat de verhouding tussen de draagkracht en de draaglast bij de moeder al langere tijd uit balans is. Ook is sprake van alcoholproblematiek bij de moeder en hoewel de moeder meermaals heeft aangegeven dat zij hiervoor hulpverlening wil gaan, heeft zij deze hulpverlening tot op heden nog niet aangegrepen. Ook zijn er ernstige zorgen over de situatie tussen de ouders, nu sprake is van verbale en fysieke agressie waar de minderjarigen in ieder geval oorgetuige van zijn geweest en er ook recent nog meldingen zijn geweest bij Veilig Thuis en de politie. Ook spelen er nog steeds zorgen over de gezondheid van de moeder anders dan haar alcoholproblematiek - waaronder epilepsie en een hersentumor - en over de woonsituatie van de ouders, nu zij op korte termijn uit hun woning worden gezet en er nog geen zicht is op een nieuwe woning. Voorts is ter zitting door de GI toegelicht dat het de ouders ontbreekt aan inzicht en overzicht en het hen tot op heden niet lukt om de benodigde hulpverlening daadwerkelijk aan te gaan, alsook dat de ouders, ondanks de recente start met ouderschapsbemiddeling, in de afgelopen week hebben besloten uit elkaar te gaan waardoor de situatie in de komende periode opnieuw zal veranderen. 5.7. Gelet op het voorgaande is de kinderrechter van oordeel is voldaan aan de hierboven genoemde wettelijke vereisten voor een verlenging van de ondertoezichtstelling en een verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] , [minderjarige 3] , [minderjarige 4] en [minderjarige 5] . Een thuisplaatsing van de minderjarigen is namelijk nog niet mogelijk en het is van belang dat de jeugdbeschermer ook in de komende periode betrokken blijft. Gezien de ernst van voornoemde zorgen en de behoefte van de minderjarigen aan duidelijkheid over waar zij de komende periode zullen verblijven, zal de kinderrechter beide verzoeken toewijzen voor de verzochte duur. Dit betekent dat zowel de ondertoezichtstelling als de machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarigen – ten aanzien van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een gezinsgerichte voorziening en ten aanzien van [minderjarige 3] , [minderjarige 4] en [minderjarige 5] in een voorziening voor pleegzorg – worden verlengd voor de verzochte duur van een jaar. 5.8. In het komende jaar dient aan de navolgende doelen te worden gewerkt: - Er is balans in de draagkracht-draaglast van de moeder als hoofdopvoeder van de minderjarigen. - De minderjarigen krijgen hulpverlening, gericht op het verwerken van ingrijpende levensgebeurtenissen. - Er is zicht op het medisch en mentaal welzijn van de ouders. - De minderjarigen zijn geen getuige van conflicten tussen de ouders onderling en tussen de ouders met buurtbewoners. 5.9. De kinderrechter verwacht verder dat de GI stevig regie blijft voeren en de belangen van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] , [minderjarige 3] , [minderjarige 4] en [minderjarige 5] blijft bewaken. De kinderrechter vindt het van groot belang dat de moeder op korte termijn zal starten met de benodigde behandeling voor haar alcoholverslaving. Ook is het van belang dat wordt onderzocht welke vorm van individuele hulpverlening noodzakelijk is voor de minderjarigen en dat duidelijk wordt op welke termijn en onder welke voorwaarden er gewerkt kan worden aan de terug-thuisplaatsing van de minderjarigen. 5.10. Tot slot overweegt de kinderrechter dat [minderjarige 2] tijdens het kindgesprek aan haar heeft verteld dat zij graag wil dat de vertrouwenspersoon van [zorgorganisatie] onderstaande beslissing aan haar uitlegt. Om die reden verzoekt de kinderrechter de GI om deze beslissing door te geven aan de vertrouwenspersoon van [zorgorganisatie] , zodat hij deze beslissing aan [minderjarige 2] kan uitleggen. [minderjarige 1] heeft aan de kinderrechter verteld dat zij deze beslissing graag van de moeder wil horen. De kinderrechter verzoekt de moeder dan ook om onderstaande beslissing aan [minderjarige 1] uit te leggen, op een bij haar leeftijd en ontwikkeling passende wijze. Uitvoerbaar bij voorraad 5.11. De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat. 6 De beslissing De kinderrechter: 6.1. verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] , [minderjarige 3] , [minderjarige 4] en [minderjarige 5] met ingang van 14 maart 2026 en tot 14 maart 2027; 6.2. verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 3] , [minderjarige 4] en [minderjarige 5] in een voorziening voor pleegzorg met ingang van 14 maart 2026 en tot 14 maart 2027; 6.3. verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een gezinsgerichte voorziening met ingang van 14 maart 2026 en tot 14 maart 2027; 6.4. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad. Deze beschikking is gegeven door mr. Voorn, kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. Van der Meer, griffier, in het openbaar uitgesproken op 10 maart 2026. Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen: degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak; andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.
Volledig
van Steenberge aan haar heeft gevraagd om aan de kinderrechter te vragen of de zaak kan worden aangehouden of voor een korte periode kan worden toegewezen onder aanhouding van het resterende deel van het verzoek, zodat de zaak op een later moment inhoudelijk kan worden behandeld. De kinderrechter heeft echter geen stelbrief ontvangen van mr. van Steenberge. Dat lijkt overeen te komen met wat de jeugdbeschermer van mr. van Steenberge heeft begrepen. Om die reden kan het verzoek van mr. van Steenberge om de zaak aan te houden tot een nader moment niet worden gehonoreerd. 5.6. De kinderrechter is van oordeel dat de ontwikkelingsbedreiging van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] , [minderjarige 3] , [minderjarige 4] en [minderjarige 5] nog niet is weggenomen. Gebleken is namelijk dat sprake is van een jarenlang patroon waarbij op verschillende vlakken ernstige zorgen spelen en er verschillende omstandigheden zijn waardoor de stabiliteit van de moeder in het geding is. De zorgen zien onder meer op de omstandigheid dat de verhouding tussen de draagkracht en de draaglast bij de moeder al langere tijd uit balans is. Ook is sprake van alcoholproblematiek bij de moeder en hoewel de moeder meermaals heeft aangegeven dat zij hiervoor hulpverlening wil gaan, heeft zij deze hulpverlening tot op heden nog niet aangegrepen. Ook zijn er ernstige zorgen over de situatie tussen de ouders, nu sprake is van verbale en fysieke agressie waar de minderjarigen in ieder geval oorgetuige van zijn geweest en er ook recent nog meldingen zijn geweest bij Veilig Thuis en de politie. Ook spelen er nog steeds zorgen over de gezondheid van de moeder anders dan haar alcoholproblematiek - waaronder epilepsie en een hersentumor - en over de woonsituatie van de ouders, nu zij op korte termijn uit hun woning worden gezet en er nog geen zicht is op een nieuwe woning. Voorts is ter zitting door de GI toegelicht dat het de ouders ontbreekt aan inzicht en overzicht en het hen tot op heden niet lukt om de benodigde hulpverlening daadwerkelijk aan te gaan, alsook dat de ouders, ondanks de recente start met ouderschapsbemiddeling, in de afgelopen week hebben besloten uit elkaar te gaan waardoor de situatie in de komende periode opnieuw zal veranderen. 5.7. Gelet op het voorgaande is de kinderrechter van oordeel is voldaan aan de hierboven genoemde wettelijke vereisten voor een verlenging van de ondertoezichtstelling en een verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] , [minderjarige 3] , [minderjarige 4] en [minderjarige 5] . Een thuisplaatsing van de minderjarigen is namelijk nog niet mogelijk en het is van belang dat de jeugdbeschermer ook in de komende periode betrokken blijft. Gezien de ernst van voornoemde zorgen en de behoefte van de minderjarigen aan duidelijkheid over waar zij de komende periode zullen verblijven, zal de kinderrechter beide verzoeken toewijzen voor de verzochte duur. Dit betekent dat zowel de ondertoezichtstelling als de machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarigen – ten aanzien van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een gezinsgerichte voorziening en ten aanzien van [minderjarige 3] , [minderjarige 4] en [minderjarige 5] in een voorziening voor pleegzorg – worden verlengd voor de verzochte duur van een jaar. 5.8. In het komende jaar dient aan de navolgende doelen te worden gewerkt: - Er is balans in de draagkracht-draaglast van de moeder als hoofdopvoeder van de minderjarigen. - De minderjarigen krijgen hulpverlening, gericht op het verwerken van ingrijpende levensgebeurtenissen. - Er is zicht op het medisch en mentaal welzijn van de ouders. - De minderjarigen zijn geen getuige van conflicten tussen de ouders onderling en tussen de ouders met buurtbewoners. 5.9. De kinderrechter verwacht verder dat de GI stevig regie blijft voeren en de belangen van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] , [minderjarige 3] , [minderjarige 4] en [minderjarige 5] blijft bewaken. De kinderrechter vindt het van groot belang dat de moeder op korte termijn zal starten met de benodigde behandeling voor haar alcoholverslaving. Ook is het van belang dat wordt onderzocht welke vorm van individuele hulpverlening noodzakelijk is voor de minderjarigen en dat duidelijk wordt op welke termijn en onder welke voorwaarden er gewerkt kan worden aan de terug-thuisplaatsing van de minderjarigen. 5.10. Tot slot overweegt de kinderrechter dat [minderjarige 2] tijdens het kindgesprek aan haar heeft verteld dat zij graag wil dat de vertrouwenspersoon van [zorgorganisatie] onderstaande beslissing aan haar uitlegt. Om die reden verzoekt de kinderrechter de GI om deze beslissing door te geven aan de vertrouwenspersoon van [zorgorganisatie] , zodat hij deze beslissing aan [minderjarige 2] kan uitleggen. [minderjarige 1] heeft aan de kinderrechter verteld dat zij deze beslissing graag van de moeder wil horen. De kinderrechter verzoekt de moeder dan ook om onderstaande beslissing aan [minderjarige 1] uit te leggen, op een bij haar leeftijd en ontwikkeling passende wijze. Uitvoerbaar bij voorraad 5.11. De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat. 6 De beslissing De kinderrechter: 6.1. verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] , [minderjarige 3] , [minderjarige 4] en [minderjarige 5] met ingang van 14 maart 2026 en tot 14 maart 2027; 6.2. verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 3] , [minderjarige 4] en [minderjarige 5] in een voorziening voor pleegzorg met ingang van 14 maart 2026 en tot 14 maart 2027; 6.3. verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een gezinsgerichte voorziening met ingang van 14 maart 2026 en tot 14 maart 2027; 6.4. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad. Deze beschikking is gegeven door mr. Voorn, kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. Van der Meer, griffier, in het openbaar uitgesproken op 10 maart 2026. Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen: degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak; andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.