Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2026-03-26
ECLI:NL:RBZWB:2026:2694
Bestuursrecht; Belastingrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,676 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBZWB:2026:2694 text/xml public 2026-04-14T15:34:41 2026-04-08 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-03-26 BRE - 24 _ 6708 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Breda Bestuursrecht; Belastingrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:2694 text/html public 2026-04-14T15:32:51 2026-04-14 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBZWB:2026:2694 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 26-03-2026 / BRE - 24 _ 6708 Mondeling uitspraak, NTB, dwangsom RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Zittingsplaats Breda Belastingrecht zaaknummer: BRE 24/6708 proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 maart 2026 in de zaak tussen [belanghebbende] , uit [plaats] , belanghebbende, (gemachtigde: mr. J.W. Vugts), en de heffingsambtenaar van de gemeente Waalwijk, de heffingsambtenaar. Inleiding 1. De heffingsambtenaar heeft de waarde van de onroerende zaak [adres] in [plaats] per waardepeildatum 1 januari 2022 vastgesteld op € 285.000. Tegelijk met deze waardevaststelling is aan belanghebbende (onder meer) de aanslag onroerendezaakbelasting voor het jaar 2023 opgelegd. 1.1. Belanghebbende heeft bij bezwaarschrift van 23 februari 2023 bezwaar gemaakt. 1.2. Belanghebbende is op 19 september 2024 bij de rechtbank in beroep gekomen tegen het niet-tijdig beslissen op bezwaar. 1.3. De heffingsambtenaar heeft op 28 oktober 2024 een uitspraak op bezwaar toegezonden. 1.4. De rechtbank heeft het beroep van belanghebbende op 26 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft namens de heffingsambtenaar deelgenomen mr. A.G. Hendriks. Belanghebbende en de gemachtigde zijn, met kennisgeving vooraf, niet verschenen. 1.5. Na afloop van zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan. Motivering Beroep tegen niet-tijdig beslissen 2. Voor zover wordt opgekomen tegen het niet-tijdig beslissen op bezwaar als zodanig, is het beroep kennelijk niet-ontvankelijk, aangezien de heffingsambtenaar inmiddels uitspraak op bezwaar heeft gedaan. Beroep tegen de uitspraak op bezwaar 3. Het beroep richt zich van rechtswege tegen de alsnog gedane uitspraak op bezwaar. Belanghebbende heeft geen inhoudelijke gronden aangevoerd tegen de uitspraak op bezwaar. De rechtbank verklaart het beroep in zoverre ongegrond. Dwangsom 4. De rechtbank heeft op zitting afgestemd dat de uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar kan worden opgevat als een hangende de beroepsprocedure genomen besluit om geen dwangsom toe te kennen. Dat betekent dat het beroep zich van rechtswege ook richt tegen het genomen dwangsombesluit. 4.1. De heffingsambtenaar stelt dat er geen dwangsom verschuldigd is omdat hij geen ingebrekestelling heeft ontvangen. De rechtbank is het daar niet mee eens. 4.2. Belanghebbende heeft in beroep een ingebrekestelling met dagtekening 15 februari 2024 overgelegd waarin de heffingsambtenaar wordt verzocht om alsnog binnen twee weken uitspraak op bezwaar te doen. Verder heeft belanghebbende een verzendbewijs overgelegd waarop is te zien dat op 16 februari 2024 een poststuk aangetekend naar het adres van de gemeente is verzonden. Ook heeft belanghebbende een uitdraai van de track&trace gegevens van PostNL overgelegd waarop is te zien dat het betreffende poststuk door de gemeente is ontvangen. 4.3. De heffingsambtenaar ontkent niet dat hij het poststuk waarop het verzendbewijs ziet heeft ontvangen. De heffingsambtenaar ontkent wel dat daarin een ingebrekestelling zat en stelt in wezen dat de ingebrekestelling achteraf is opgemaakt door de gemachtigde. Aanwijzingen daarvoor ontleent de heffingsambtenaar aan eerdere (negatieve) ervaringen met de gemachtigde, aan de omstandigheid dat de uitspraak op bezwaar al op 4 januari 2024 klaar stond in het systeem en er volgens de heffingsambtenaar dus geen enkele reden denkbaar is dat de uitspraak op bezwaar niet zou zijn verzonden als er daadwerkelijk een ingebrekestelling was ontvangen en aan de omstandigheid dat de ingebrekestelling niet ook per e-mail is verstuurd, zoals de gemachtigde met andere stukken wel pleegt te doen. 4.4. De rechtbank vindt dat te weinig. Er is geen concreet bewijs dat de ingebrekestelling niet in de envelop zat. Dat betekent dat de rechtbank aannemelijk acht dat de ingebrekestelling is verzonden en ervan uitgaat dat de heffingsambtenaar deze ook heeft ontvangen. 4.5. Nu de heffingsambtenaar niet aannemelijk heeft gemaakt dat de uitspraak op bezwaar eerder dan 28 oktober 2024 bekend is gemaakt, betekent dit dat de maximale dwangsom van € 1.442,- door de heffingsambtenaar is verbeurd. 4.6. Het beroep betreffende de dwangsom is dus gegrond. 4.7. Omdat het beroep gegrond is, krijgt belanghebbende een proceskostenvergoeding. De rechtbank stelt de proceskostenvergoeding op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 46,70 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 934,-, een wegingsfactor van 0,5 en een vermenigvuldigingsfactor 0,1 ). De zaak is van licht gewicht, in aanmerking genomen dat deze slechts gaat over de vraag of niet tijdig is beslist en, samenhangend daarmee, een dwangsom is verschuldigd. Verder krijgt belanghebbende het griffierecht vergoed. Beslissing De rechtbank: verklaart het beroep tegen het niet-tijdig beslissen op bezwaar niet-ontvankelijk; verklaart het beroep tegen de uitspraak op bezwaar ongegrond; verklaart het beroep tegen de dwangsombeschikking gegrond; stelt vast dat de heffingsambtenaar, als gevolg van het niet-tijdig beslissen op bezwaar, een dwangsom heeft verbeurd van € 1.442,-; veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende van € 46,70; draagt de heffingsambtenaar op het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 51,- aan hem te vergoeden. Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Breeman, rechter, in aanwezigheid van mr. F.E.M. Houben, griffier, op 26 maart 2026 en gepubliceerd op www.rechtspraak.nl. De griffier is verhinderd om deze uitspraak te ondertekenen. rechter Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op de datum vermeld in de brief waarmee dit proces-verbaal aan partijen ter beschikking is gesteld. Aan deze uitspraak hoeft eerst uitvoering te worden gegeven als de uitspraak onherroepelijk is geworden. De uitspraak is onherroepelijk als niet binnen zes weken na verzending van de uitspraak een rechtsmiddel is aangewend of onherroepelijk op het aangewende rechtsmiddel is beslist. Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop dit proces-verbaal is bekendgemaakt. Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch. Artikel 6:20, derde lid, van de Awb. Artikel 30a, tweede lid, onderdeel b, van de Wet waardering onroerende zaken. Rechtbank Zeeland-West-Brabant 7 augustus 2024, ECLI:NL:GHSHE:2024:2524. Artikel 27h, derde lid en artikel 28, zevende lid AWR.
Volledig
ECLI:NL:RBZWB:2026:2694 text/xml public 2026-04-14T15:34:41 2026-04-08 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-03-26 BRE - 24 _ 6708 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Breda Bestuursrecht; Belastingrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:2694 text/html public 2026-04-14T15:32:51 2026-04-14 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBZWB:2026:2694 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 26-03-2026 / BRE - 24 _ 6708 Mondeling uitspraak, NTB, dwangsom RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Zittingsplaats Breda Belastingrecht zaaknummer: BRE 24/6708 proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 maart 2026 in de zaak tussen [belanghebbende] , uit [plaats] , belanghebbende, (gemachtigde: mr. J.W. Vugts), en de heffingsambtenaar van de gemeente Waalwijk, de heffingsambtenaar. Inleiding 1. De heffingsambtenaar heeft de waarde van de onroerende zaak [adres] in [plaats] per waardepeildatum 1 januari 2022 vastgesteld op € 285.000. Tegelijk met deze waardevaststelling is aan belanghebbende (onder meer) de aanslag onroerendezaakbelasting voor het jaar 2023 opgelegd. 1.1. Belanghebbende heeft bij bezwaarschrift van 23 februari 2023 bezwaar gemaakt. 1.2. Belanghebbende is op 19 september 2024 bij de rechtbank in beroep gekomen tegen het niet-tijdig beslissen op bezwaar. 1.3. De heffingsambtenaar heeft op 28 oktober 2024 een uitspraak op bezwaar toegezonden. 1.4. De rechtbank heeft het beroep van belanghebbende op 26 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft namens de heffingsambtenaar deelgenomen mr. A.G. Hendriks. Belanghebbende en de gemachtigde zijn, met kennisgeving vooraf, niet verschenen. 1.5. Na afloop van zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan. Motivering Beroep tegen niet-tijdig beslissen 2. Voor zover wordt opgekomen tegen het niet-tijdig beslissen op bezwaar als zodanig, is het beroep kennelijk niet-ontvankelijk, aangezien de heffingsambtenaar inmiddels uitspraak op bezwaar heeft gedaan. Beroep tegen de uitspraak op bezwaar 3. Het beroep richt zich van rechtswege tegen de alsnog gedane uitspraak op bezwaar. Belanghebbende heeft geen inhoudelijke gronden aangevoerd tegen de uitspraak op bezwaar. De rechtbank verklaart het beroep in zoverre ongegrond. Dwangsom 4. De rechtbank heeft op zitting afgestemd dat de uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar kan worden opgevat als een hangende de beroepsprocedure genomen besluit om geen dwangsom toe te kennen. Dat betekent dat het beroep zich van rechtswege ook richt tegen het genomen dwangsombesluit. 4.1. De heffingsambtenaar stelt dat er geen dwangsom verschuldigd is omdat hij geen ingebrekestelling heeft ontvangen. De rechtbank is het daar niet mee eens. 4.2. Belanghebbende heeft in beroep een ingebrekestelling met dagtekening 15 februari 2024 overgelegd waarin de heffingsambtenaar wordt verzocht om alsnog binnen twee weken uitspraak op bezwaar te doen. Verder heeft belanghebbende een verzendbewijs overgelegd waarop is te zien dat op 16 februari 2024 een poststuk aangetekend naar het adres van de gemeente is verzonden. Ook heeft belanghebbende een uitdraai van de track&trace gegevens van PostNL overgelegd waarop is te zien dat het betreffende poststuk door de gemeente is ontvangen. 4.3. De heffingsambtenaar ontkent niet dat hij het poststuk waarop het verzendbewijs ziet heeft ontvangen. De heffingsambtenaar ontkent wel dat daarin een ingebrekestelling zat en stelt in wezen dat de ingebrekestelling achteraf is opgemaakt door de gemachtigde. Aanwijzingen daarvoor ontleent de heffingsambtenaar aan eerdere (negatieve) ervaringen met de gemachtigde, aan de omstandigheid dat de uitspraak op bezwaar al op 4 januari 2024 klaar stond in het systeem en er volgens de heffingsambtenaar dus geen enkele reden denkbaar is dat de uitspraak op bezwaar niet zou zijn verzonden als er daadwerkelijk een ingebrekestelling was ontvangen en aan de omstandigheid dat de ingebrekestelling niet ook per e-mail is verstuurd, zoals de gemachtigde met andere stukken wel pleegt te doen. 4.4. De rechtbank vindt dat te weinig. Er is geen concreet bewijs dat de ingebrekestelling niet in de envelop zat. Dat betekent dat de rechtbank aannemelijk acht dat de ingebrekestelling is verzonden en ervan uitgaat dat de heffingsambtenaar deze ook heeft ontvangen. 4.5. Nu de heffingsambtenaar niet aannemelijk heeft gemaakt dat de uitspraak op bezwaar eerder dan 28 oktober 2024 bekend is gemaakt, betekent dit dat de maximale dwangsom van € 1.442,- door de heffingsambtenaar is verbeurd. 4.6. Het beroep betreffende de dwangsom is dus gegrond. 4.7. Omdat het beroep gegrond is, krijgt belanghebbende een proceskostenvergoeding. De rechtbank stelt de proceskostenvergoeding op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 46,70 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 934,-, een wegingsfactor van 0,5 en een vermenigvuldigingsfactor 0,1 ). De zaak is van licht gewicht, in aanmerking genomen dat deze slechts gaat over de vraag of niet tijdig is beslist en, samenhangend daarmee, een dwangsom is verschuldigd. Verder krijgt belanghebbende het griffierecht vergoed. Beslissing De rechtbank: verklaart het beroep tegen het niet-tijdig beslissen op bezwaar niet-ontvankelijk; verklaart het beroep tegen de uitspraak op bezwaar ongegrond; verklaart het beroep tegen de dwangsombeschikking gegrond; stelt vast dat de heffingsambtenaar, als gevolg van het niet-tijdig beslissen op bezwaar, een dwangsom heeft verbeurd van € 1.442,-; veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende van € 46,70; draagt de heffingsambtenaar op het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 51,- aan hem te vergoeden. Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Breeman, rechter, in aanwezigheid van mr. F.E.M. Houben, griffier, op 26 maart 2026 en gepubliceerd op www.rechtspraak.nl. De griffier is verhinderd om deze uitspraak te ondertekenen. rechter Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op de datum vermeld in de brief waarmee dit proces-verbaal aan partijen ter beschikking is gesteld. Aan deze uitspraak hoeft eerst uitvoering te worden gegeven als de uitspraak onherroepelijk is geworden. De uitspraak is onherroepelijk als niet binnen zes weken na verzending van de uitspraak een rechtsmiddel is aangewend of onherroepelijk op het aangewende rechtsmiddel is beslist. Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop dit proces-verbaal is bekendgemaakt. Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch. Artikel 6:20, derde lid, van de Awb. Artikel 30a, tweede lid, onderdeel b, van de Wet waardering onroerende zaken. Rechtbank Zeeland-West-Brabant 7 augustus 2024, ECLI:NL:GHSHE:2024:2524. Artikel 27h, derde lid en artikel 28, zevende lid AWR.