Rechtspraak Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-04-07
ECLI:NL:RBZWB:2026:2666
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Bestuursrecht zaaknummer: BRE 25/3227 WAJONG uitspraak van 7 april 2026 van de meervoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , uit [woonplaats] (Spanje), eiser (gemachtigde: mr. S. Karkache), en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV), verweerder (gemachtigde: [gemachtigde] ). Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank eisers beroep tegen een besluit van het UWV over de schorsing van zijn uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheids-voorziening jonggehandicapten (Wajong) per 1 juni 2025. 1.1. Het UWV heeft in een besluit van 16 mei 2025 (primair besluit) eisers Wajong-uitkering geschorst per 1 juni 2025, omdat hij niet rechtmatig zou verblijven in Nederland. 1.2. Het UWV heeft in het bestreden besluit van 24 juni 2025 eisers bezwaren tegen het primaire besluit ongegrond verklaard. Eiser heeft beroep ingesteld tegen dit besluit. 1.3. De rechtbank heeft het beroep op 18 maart 2026 op zitting behandeld. Partijen werden vertegenwoordigd door hun gemachtigde. Overwegingen Relevante feiten en omstandigheden 2. Eiser is in Nederland geboren op [geboortedag] 1993. In een besluit van 2 mei 2005 is aan eiser een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd verleend, die voor het laatst is verlengd tot 17 december 2014. Het UWV heeft in een besluit van 30 mei 2013 een Wajong-uitkering aan eiser toegekend vanaf 26 juni 2013. Op 22 oktober 2013 is eisers verblijfsvergunning ingetrokken. Het UWV heeft in een besluit van 8 november 2013 eisers Wajong-uitkering met ingang van 29 oktober 2013 beëindigd, omdat eiser geen geldig verblijfsdocument had. 2.1. Eiser heeft op 15 november 2022 een aanvraag ingediend om een verblijfsdocument EU/EER. De (toenmalige) staatssecretaris van Justitie en Veiligheid heeft de ontvangst hiervan bevestigd in een besluit van 17 november 2022, en vastgesteld dat eiser daarom vanaf 15 november 2022 (procedureel) rechtmatig verblijft in Nederland op grond van artikel 8, onder e, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Eiser heeft op 6 december 2022 een verzoek ingediend bij het UWV tot hervatting van zijn Wajong- uitkering. Het UWV heeft in een besluit van 21 maart 2023 bepaald dat eiser vanaf 6 december 2022 weer een Wajong-uitkering krijgt, omdat hij vanaf 15 november 2022 weer rechtmatig in Nederland verblijft en het UWV op 6 december 2022 eisers verzoek tot heropening van de uitkering heeft ontvangen. 2.2. Eiser heeft op 15 november 2022 een aanvraag ingediend om een verblijfsdocument EU/EER bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND). De IND heeft deze aanvraag afgewezen in een besluit van 28 februari 2024. Eisers bezwaren tegen dit besluit zijn ongegrond verklaard in een besluit van 2 oktober 2024. Eiser heeft op 8 oktober 2024 (opnieuw) gevraagd om een verblijfsdocument EU/EER. Deze aanvraag heeft de IND afgewezen in een besluit van 22 april 2025. Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit. Het UWV is vervolgens overgegaan tot de besluitvorming die is weergegeven in de inleiding. Het standpunt van het UWV 3. Volgens het UWV is eisers Wajong-uitkering terecht met ingang van 1 juni 2025 geschorst, omdat hij niet rechtmatig in Nederland verblijft en dit een uitsluitingsgrond is voor het recht op een Wajong-uitkering. Het UWV stelt dat uit het besluit van de IND van 22 april 2025 blijkt dat de aanvraag van eiser om een verblijfsdocument EU/EER is afgewezen. In dat besluit is tevens vermeld dat eiser, indien hij bezwaar maakt, de beslissing op dat bezwaar niet in Nederland mag afwachten. Verder wijst het UWV erop dat aan eiser reeds bij besluit van 22 oktober 2013 een terugkeerbesluit is opgelegd, op grond waarvan hij Nederland binnen vier weken moest verlaten. Er is geen sprake van een geldige verblijfstitel. Eisers standpunt 4. Volgens eiser gaat het UWV uit van een onjuiste beoordeling van zijn verblijfsrechtelijke positie, en verwijst het ten onrechte naar het besluit van 22 oktober 2013. Eiser stelt dat hij de behandel Voor deze vorm van rechtmatig verblijf, die bestaat gedurende de behandeling van een procedure, geldt echter als hoofdregel dat zij geen recht geeft op een Wajong-uitkering, omdat daarbij geen sprake is van rechtmatig verblijf in de zin van artikel 8, onderdelen a tot en met e en l, van de Vw. Eisers procedurele verblijfsrecht doet daarom niet af aan de toepasselijkheid van de uitsluitingsgrond van artikel 2:11, eerste lid, aanhef en onder d, van de Wajong. 7.4. Indien en voor zover eiser met wat hij aanvoert tegen het bestreden besluit een beroep doet op het tweede lid van artikel 2:11 van de Wajong, overweegt de rechtbank dat in die bepaling is opgenomen dat bij algemene maatregel van bestuur (AMvB) kan worden bepaald dat de uitsluitingsgrond, bedoeld in het eerste lid, onderdeel d, niet geldt ten aanzien van vreemdelingen die, na rechtmatig verblijf te hebben gehouden in de zin van artikel 8, onderdeel a tot en met e en l, van de Vw, rechtmatig in Nederland verblijf hebben als bedoeld in artikel 8, onderdeel g of h, van de Vw. De rechtbank stelt vast dat een AMvB als bedoeld in het tweede lid van artikel 2:11 van de Wajong nog niet is getroffen, zodat eiser zich niet met succes kan beroepen op deze bepaling. 7.5. Artikel 3:45, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wajong bepaalt dat het UWV de betaling van de arbeidsongeschiktheidsuitkering opschort of de betaling schorst, indien het op grond van duidelijke aanwijzingen van oordeel is of het gegronde vermoeden heeft dat het recht op uitkering niet of niet meer bestaat. Gezien het voorgaande was het UWV op basis van deze imperatief geformuleerde bepaling gehouden om eisers Wajong-uitkering te schorsen, en bestond geen ruimte voor een belangenafweging. Eisers beroep op artikel 65 van de EMO 8. De rechtbank stelt voorop dat artikel 65 van de EMO, gelet op het arrest [naam] (HvJEU 13 juni 2006, C-336/05, ECLI: EU:C:2006:394), rechtstreekse werking heeft. Op grond van deze bepaling vallen werknemers van Marokkaanse nationaliteit en de bij hen woonachtige gezinsleden op het gebied van de sociale zekerheid onder een regeling die wordt gekenmerkt door het ontbreken van discriminatie op grond van nationaliteit ten opzichte van de onderdanen van de lidstaat waar zij werkzaam zijn. Uit dit arrest volgt dat de personele werkingssfeer van deze bepaling wordt bepaald door de vraag of betrokkene kan worden aangemerkt als 'werknemer' in de zin van die bepaling en of de betrokken regeling valt binnen het terrein van de sociale zekerheid. De rechtbank wijst in dit verband ook op de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 4 augustus 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:2615. Eiser stelt weliswaar dat hij arbeid heeft verricht en premies heeft betaald, maar hij heeft deze stelling op geen enkele manier onderbouwd. De rechtbank ziet in de dossierstukken ook geen aanknopingspunten die deze stelling ondersteunen. Reeds hierom kan eiser niet worden aangemerkt als werknemer in de zin van artikel 65 van de EMO, en slaagt zijn beroep op deze bepaling niet. Conclusie 9. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. I.M. Josten, voorzitter, en mr. R.J.H. van der Linden en mr. J.W. Ponds, leden, in aanwezigheid van mr. M.I.P. Buteijn, griffier, op 7 april 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. griffier voorzitter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Digitaal hoger beroep instellen kan via "Formulieren en inloggen" op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel oo