Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2026-03-04
ECLI:NL:RBZWB:2026:2582
Civiel recht; Personen- en familierecht
Rekestprocedure
3,191 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBZWB:2026:2582 text/xml public 2026-04-10T15:24:32 2026-04-04 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-03-04 C/02/444913 / JE RK 26-232 Uitspraak Rekestprocedure NL Middelburg Civiel recht; Personen- en familierecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:2582 text/html public 2026-04-08T11:43:33 2026-04-10 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBZWB:2026:2582 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 04-03-2026 / C/02/444913 / JE RK 26-232 Verlenging OTS en UHP RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Familie- en Jeugdrecht Locatie Middelburg Zaaknummer: C/02/444913 / JE RK 26-232 Datum uitspraak: 4 maart 2026 Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing in de zaak van de gecertificeerde instelling WILLIAM SCHRIKKER STICHTING JEUGDBESCHERMING & JEUGDRECLASSERING , gevestigd te Amsterdam, hierna te noemen: de GI, over [minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2021 in [geboorteplaats] , hierna te noemen: [minderjarige] . De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan: [de moeder] , hierna te noemen: de moeder, wonende in [woonplaats] , [de vader] , hierna te noemen: de vader, wonende op een bij de rechtbank bekend adres. [pleegouder 1] en [pleegouder 2] , hierna te noemen: de pleegouders, wonende in [woonplaats] . Op grond van het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend: - de Raad voor de Kinderbescherming, regio Zuidwest Nederland, locatie Middelburg, hierna te noemen: de Raad, om de rechtbank over het verzoek te adviseren. 1 Het verloop van de procedure 1.1. De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling: het verzoekschrift met bijlagen van 4 februari 2026; het bericht van de GI van 24 februari 2026 met bijlage. 1.2. De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 4 maart 2026. Daarbij waren aanwezig: de moeder; de vader; de pleegouders; - een vertegenwoordiger van de Raad; - twee vertegenwoordigsters van de GI. 2 De feiten 2.1. De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] . 2.2. Bij beschikking van 20 september 2022 is [minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 20 september 2022 en tot 20 maart 2023. De ondertoezichtstelling is daarna steeds verlengd, voor het laatst bij beschikking van 4 maart 2025 met ingang van 20 maart 2025 en tot 20 maart 2026. 2.3. Bij beschikking van 18 oktober 2022 is een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg voor de duur van twee weken afgegeven, met ingang van 18 oktober 2022 en tot 1 november 2022. De machtiging tot uithuisplaatsing is daarna steeds verlengd, voor het laatst bij beschikking van 4 maart 2025 met ingang van 20 maart 2025 en tot 20 maart 2026. 2.4. [minderjarige] verblijft in een perspectief biedend pleeggezin. 3 Het verzoek 3.1. De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen voor de duur van een jaar. Ook verzoekt de GI de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg te verlengen voor de duur van een jaar. De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. 4 De standpunten 4.1. De GI handhaaft het verzoek. Het gaat over het algemeen goed met [minderjarige] . Hij is gevoelig en sensitief, heeft behoefte aan structuur, aan duidelijke kaders en aan voorspelbaarheid. [minderjarige] is gestart op de basisschool. De ene dag gaat het goed, de andere dag kan hij pittig gedrag vertonen, zoals het zoeken van nabijheid van de juf, het irriteren van andere kinderen en grenzeloos zijn. Tijdens kringmomenten is er ook bewegingsonrust te zien. De pleegmoeder ziet echter wel dat de structuur van school hem goed doet. De moeder heeft in de afgelopen periode therapie gevolgd, waar ze veel aan heeft gehad. Momenteel gaat ze verder met PMT. In maart 2025 is de vader vrijgekomen en in april 2025 heeft hij een ernstig motorongeluk gehad. De vader nam medicatie voor de pijn, maar nam geen medicatie op de dag van bezoek met [minderjarige] , omdat hij dan moest autorijden. Echter is tijdens de bezoekmomenten te zien dat de ouders weinig initiatief nemen. Er is geen positieve ontwikkeling te zien in de omgang met [minderjarige] , maar er vindt ook geen verslechtering plaats. Op het moment dat de bezoeken druk en onvoorspelbaar verlopen, kan er sprake zijn van reactief gedrag bij [minderjarige] , wat zich kan uiten in driftigheid, het zoeken van nabijheid bij de pleegouders, vermoeidheid en af en toe broekplassen. Ook is er geen verbetering in het contact tussen de moeder en de pleegouders. Het zou goed zijn als er een appgroep wordt aangemaakt waarin zowel de moeder, de vader, de pleegouders als de jeugdbeschermer zit. Hiernaast is gebleken dat de moeder [minderjarige] met volwassenzaken belast en blijft uitdragen dat hij weer thuis mag wonen zodra ze beter is. Het lukt de vader en de moeder echter beide onvoldoende om hun leven op een manier in te richten die positief is en niet beladen is voor hun kinderen. Een gezag beëindigende maatregel is passend, omdat het de ouders onvoldoende lukt om stappen te zetten richting het ontwikkelen van pedagogische vaardigheden. 4.2. Door de moeder is gesteld dat het haar een goed idee lijkt wanneer er een appgroep aangemaakt wordt. Dan kan er makkelijker informatie over en weer worden gedeeld. Deze pleegouders zijn open en dat vindt de moeder fijn; zo kan ze leuke dingen over [minderjarige] horen. De moeder beseft dat ze [minderjarige] niet moet belasten met volwassenzaken en dit doet ze dan ook niet. Ze vindt het ook goed dat hij de pleegouders ‘papa’ en ‘mama’ noemt. De moeder is het eens met het verzoek van de GI. 4.3. Door de vader is gesteld dat ook hem de groepsapp een goed idee lijkt, omdat de ouders en pleegouders elkaar nu bijna niet spreken. Hij staat achter het verzoek van de GI. 4.4. Door de pleegmoeder is gesteld dat het goed gaat met [minderjarige] . Hij ontwikkelt zich goed en hij gaat sinds juni naar school. Op school zijn de aandachtspunten met name dat hij in de kring blijft zitten. Momenteel mag hij na het kringmoment even rondrennen in de gymzaal, zodat hij erna weer zijn focus heeft. Wanneer hij druk is in zijn hoofd kan hij zelfbepalend en onbegrensd gedrag laten zien. Dit kan ook komen door overprikkeling. Hij zoekt vaak nabijheid van de juf en heeft behoefte aan voorspelbaarheid en aan duidelijke grenzen. Hij doet het goed op gewone dagen en kan goed spelen en navertellen wat de juf heeft voorgelezen. Wanneer [minderjarige] thuis speelt, speelt hij altijd bij de pleegouders in de buurt. Als zijn hoofd vol zit is hij sneller bang dat de pleegouders weggaan en niet meer terugkomen. [minderjarige] is een echte gangmaker, houdt van fietsen met de pleegvader en slaapt goed. Echter wordt hij steeds iets kieskeuriger met eten. Alle afspraken met de hulpverlening verlopen soepel. [minderjarige] komt vaak enthousiast terug van de bezoeken met de ouders. Alleen in december was alles een beetje te veel voor hem, omdat dit een drukke maand is en zijn hoofd vol zat. Ook de pleegmoeder vindt het een goed idee als er een groepsapp aan wordt gemaakt. 4.5. De pleegvader sluit zich aan bij wat de pleegmoeder heeft gesteld. 4.6. Door de Raad is gesteld dat ze het onderzoek naar een gezag beëindigende maatregel gaan uitvoeren. Er is een wachtlijst, dus het zal nog zes maanden duren voordat de Raad dit onderzoek kan starten. De plaatsing van [minderjarige] bij de pleegouders moet gewaarborgd blijven. De Raad stemt dan ook in met het verzoek van de GI. Hierbij vindt de Raad het belangrijk dat het contact tussen de ouders en de pleegouders wordt verbeterd. 5 De beoordeling Wettelijk kader verlenging ondertoezichtstelling 5.1. Ingevolge het bepaalde in artikel 1:255 lid 1 BW kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en: a.
Volledig
de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en; b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW, in staat zijn te dragen. 5.2. Op grond van artikel 1:260 van het Burgerlijk Wetboek (hierna te noemen: BW) kan de kinderrechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:255 lid 1 BW is voldaan, de duur van de ondertoezichtstelling telkens verlengen met ten hoogste een jaar. Wettelijk kader verlenging machtiging uithuisplaatsing 5.3. Ingevolge artikel 1:265b lid 1 BW kan de kinderrechter de GI, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid. 5.4. Op grond van artikel 1:265c lid 2 BW kan de kinderrechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:265b lid 1 BW is voldaan, de duur van de machtiging uithuisplaatsing telkens verlengen met ten hoogste een jaar. Inhoudelijke beoordeling 5.5. Uit de stukken en tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat het over het algemeen goed gaat met [minderjarige] bij de pleegouders. Hiernaast vindt de kinderrechter het goed van de moeder dat ze therapie aangaat en geeft haar hier dan ook een compliment voor. Echter zijn er ook nog wat zorgen omtrent de bezoekmomenten tussen de ouders en [minderjarige] . Gebleken is namelijk dat er geen ontwikkeling zit bij de ouders in de omgang met [minderjarige] en dat de ouders weinig initiatief nemen. Ook kan [minderjarige] reactief gedrag vertonen op het moment dat de bezoekmomenten onvoorspelbaar en druk verlopen. Er moet dan ook gemonitord blijven worden of het reactieve gedrag van [minderjarige] past bij zijn ontwikkeling of dat het een trigger is van zijn verleden. De kinderrechter vindt het hierbij tevens belangrijk dat de moeder [minderjarige] niet met volwassenzaken belast, omdat [minderjarige] hier last van heeft. Ze moet hem dus niet beloven dat hij weer thuis mag komen wonen als de moeder beter is. De kinderrechter vindt het jammer dat het contact tussen de ouders en de pleegouders niet is verbeterd in het afgelopen jaar. Hij vindt het dan ook belangrijk dat dit contact verbeterd wordt, omdat dit in het belang is van [minderjarige] . Het is dan ook goed dat er een groepsapp in wordt gesteld, waarin zowel de moeder, de vader, de pleegouders als de jeugdbeschermer zit. Op deze manier zijn de lijntjes kort en kan de band tussen de pleegouders en de moeder verbeteren. Dit alles ten behoeve van [minderjarige] . De kinderrechter vindt het gezien het bovenstaande belangrijk dat de situatie van [minderjarige] bij de pleegouders gewaarborgd blijft en hij zal dan ook het - onweersproken - verzoek van de GI toewijzen. De kinderrechter merkt hierbij ten overvloede op dat wat er uit het onderzoek van de Raad komt ten aanzien van de gezag beëindigende maatregel geen invloed heeft op het contact dat er tussen de ouders en [minderjarige] en de pleegouders en de ouders moet zijn. Uitvoerbaar bij voorraad 5.6. De kinderrechter zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren omdat het voor de ontwikkeling van [minderjarige] noodzakelijk is dat de beslissing ondanks een eventueel hoger beroep meteen uitgevoerd kan worden. 6 De beslissing De kinderrechter: 6.1. verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] met ingang van 20 maart 2026 en tot 20 maart 2027; 6.2. verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg met ingang van 20 maart 2026 en tot 20 maart 2027; 6.3. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad. Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 4 maart 2026 door mr. Duinhof, kinderrechter, in aanwezigheid van drs. Swint, griffier, en op schrift gesteld op 17 maart 2026. Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld: door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak; door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden. Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch.