Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2026-02-26
ECLI:NL:RBZWB:2026:2560
Civiel recht; Personen- en familierecht
Rekestprocedure
4,040 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBZWB:2026:2560 text/xml public 2026-04-09T10:21:49 2026-04-03 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-02-26 C-02-445174 - JE RK 26-279 & C-02-445170 - JE RK 26-277 Uitspraak Rekestprocedure NL Breda Civiel recht; Personen- en familierecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:2560 text/html public 2026-04-03T12:21:31 2026-04-09 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBZWB:2026:2560 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 26-02-2026 / C-02-445174 - JE RK 26-279 & C-02-445170 - JE RK 26-277 Nadere beschikking over een (spoed)machtiging gesloten jeugdhulp RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Familie- en Jeugdrecht Locatie Breda Zaaknummers: C/02/445174 / JE RK 26-279 & C/02/445170 / JE RK 26-277 (regulier) Datum uitspraak: 26 februari 2026 Nadere beschikking van de kinderrechter over een (spoed)machtiging gesloten jeugdhulp in de zaak van de gecertificeerde instelling STICHTING JEUGDBESCHERMING BRABANT, gevestigd te Tilburg, hierna te noemen: de GI, over [minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2011 in [geboorteplaats] , hierna te noemen: [minderjarige] , advocaat mr. R.T.A.G. Keller uit Tilburg. De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan: [minderjarige] , voornoemd, [de moeder] , hierna te noemen: de moeder, wonende in [woonplaats] , [de vader] , hierna te noemen: de vader, wonende in [woonplaats] . 1 Het verdere verloop van de procedure 1.1. De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling: - de beschikking van de kinderrechter van 18 februari 2026 en de daarin genoemde stukken; - de instemmende verklaring van de gedragswetenschapper van 24 februari 2026. 1.2. Op 26 februari 2026 heeft de kinderrechter de zitting met gesloten deuren voortgezet. Daarbij waren aanwezig: [minderjarige] , met zijn advocaat; de vader; - de moeder; - een vertegenwoordiger van de GI. 1.3. De kinderrechter heeft [minderjarige] naar zijn mening gevraagd. [minderjarige] heeft hierover voorafgaand aan de zitting een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren. 2 De feiten 2.1. De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] . 2.2. De kinderrechter in deze rechtbank heeft [minderjarige] bij beschikking van 22 juli 2025 onder toezicht van de GI gesteld van 22 juli 2025 tot 22 juli 2026. 2.3. [minderjarige] woonde tot voor kort bij zijn ouders. Bij beschikking van 18 februari 2026 is een spoedmachtiging verleend om [minderjarige] in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp op te nemen en hem daar te laten verblijven voor de duur van twee weken, namelijk tot 4 maart 2026. Deze spoedmachtiging is afgegeven zonder voorafgaand verhoor van de belanghebbenden. Onder aanhouding van iedere verdere beslissing is bepaald dat de GI, [minderjarige] , zijn advocaat en de ouders op de zitting van 26 februari 2026 worden gehoord. 2.4. [minderjarige] verblijft op grond van de spoedmachtiging sinds 20 februari 2026 bij [accommodatie] in [plaats] . 3 De verzoeken C/02/445174 / JE RK 26-279 (spoed) 3.1. De GI heeft op grond van artikel 6.1.3, eerste lid van de Jeugdwet om een spoedmachtiging verzocht om [minderjarige] in een gesloten accommodatie te doen opnemen en te doen verblijven voor de duur van vier weken. Dit verzoek is op 18 februari 2026 toegewezen voor de duur van twee weken en voor de resterende twee weken aangehouden tot de zitting van 26 februari 2026. C/02/445170 / JE RK 26-277 (regulier) 3.2. De GI verzoekt daarnaast op grond van artikel 6.1.2, eerste lid van de Jeugdwet om een aansluitende machtiging gesloten jeugdhulp voor [minderjarige] te verlenen voor de duur van zes maanden. 4 De standpunten 4.1. Namens de GI is ter toelichting op de verzoeken, samengevat, het volgende aangevoerd. Bij [minderjarige] is de diagnose oppositioneel-opstandige gedragsstoornis (ODD) gesteld. De ouders zijn de grip op hem verloren. [minderjarige] onttrekt zich aan het gezag van de ouders, accepteert geen regels of grenzen en toont zelfbepalend gedrag. In de thuissituatie hebben meerdere escalaties plaatsgevonden. De ouders ervaren in toenemende mate een gevoel van uitputting en escalatie van de gedragsproblematiek. De ouders lopen op hun tenen en doen er alles aan om escalaties thuis te voorkomen. De ouders worden nu ondersteund door [hulpverlening 1] . Eerdere hulpverlening, zoals multisysteemtherapie is voortijdig afgebroken. De tot nu toe ingezette hulpverlening heeft onvoldoende effect gehad op [minderjarige] ’s gedrag en de draagkracht van de ouders. Daar komt bij dat [minderjarige] sinds februari 2024 niet meer naar school gaat en inmiddels ook niet meer verschijnt op de dagbesteding van [hulpverlening 2] . Hij vult zijn dagen met op bed liggen en gamen; of hij hangt buiten rond op straat met jongeren die hem op een negatieve manier beïnvloeden. In november 2025 heeft een broer van [minderjarige] zelfmoord gepleegd. [minderjarige] is hierdoor kwetsbaar. De ouders vrezen voor een depressie bij hem. Recent, op 22 januari 2026, is [minderjarige] voor meerdere strafbare feiten veroordeeld tot een jeugddetentie van 47 dagen met aftrek van voorarrest, waarvan 30 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en bijzondere voorwaarden. Tot voor kort droeg [minderjarige] een enkelband. Sinds enkele weken heeft hij deze niet meer. Gezien wordt dat hij sindsdien terugvalt in gedrag, met het risico op criminele activiteiten en agressie, waarbij de bedreiging van andere personen zeer reëel is. Ook wordt gezien dat [minderjarige] zich niet houdt aan de bijzondere voorwaarden die hem door de meervoudige strafkamer in het vonnis van 22 januari 2026 zijn opgelegd. [minderjarige] onttrekt zich aan elke verplichting. [minderjarige] is op 13 februari 2026 weggelopen van huis. Er was daardoor geen enkel zicht op [minderjarige] , op wat hij doet en met wie hij is. Deze situatie leidde tot nog meer spanningen en onrust voor de ouders. De situatie thuis is onhoudbaar. Gezien de huidige ontwikkelingen is een uithuisplaatsing onvermijdelijk. [minderjarige] kan niet eerst in een open setting geplaatst worden, omdat hij dan binnen een dag zal weglopen en onderduiken in zijn (criminele) netwerk. [minderjarige] wil niet naar de [afdeling] en werkt ook niet mee aan hulpverlening. Iedereen is de grip op [minderjarige] kwijt. Hij trekt zijn eigen plan en kan de consequenties van zijn handelen niet overzien of is niet gevoelig voor de gevolgen. De GI is van mening dat [minderjarige] gesloten geplaatst moet worden, zodat hij gedwongen wordt zich aan de gestelde regels te houden, weer een normaal dag- en nachtritme krijgt en onderwijs volgt. Verder kan [minderjarige] in een gesloten setting een behandeling aangeboden krijgen en kan een nieuw persoonlijkheidsonderzoek worden afgenomen. [minderjarige] werkt daar nu niet aan mee. In een gesloten plaatsing voor een kortere duur van drie maanden of korter ziet de GI niets, omdat de tijd dan te kort is om iets te bereiken met [minderjarige] . 4.2. [minderjarige] heeft op de zitting verteld dat hij zo snel mogelijk naar huis wil en boos is over het verzoek van de GI. Hij vindt het niet leuk op de groep bij [accommodatie] . Hij doet daar de hele dag niks. [minderjarige] wil graag weer naar school of aan het werk. [minderjarige] maakt zich ook zorgen over zijn verblijf bij [accommodatie] in verband met de situatie rondom zijn broer. Die is in het verleden gesloten geplaatst geweest en heeft uiteindelijk zelfmoord gepleegd. Als [minderjarige] geplaatst wordt in een open instelling zal hij niet weglopen, want hij is niet dom. Hij was ook niet thuis weggelopen. Zijn ouders wisten gewoon waar hij was, omdat zij zijn locatie konden zien. Verder heeft [minderjarige] verteld dat het klopt dat hij zich niet houdt aan de bijzondere voorwaarden die hem in het vonnis van 22 januari 2026 zijn opgelegd. Hij heeft zich al een jaar aan voorwaarden gehouden en vindt het niet nodig dat er nu nog voor twee jaar voorwaarden zijn opgelegd. 4.3.
Volledig
De advocaat van [minderjarige] heeft aangevoerd dat de crisisplaatsing van [minderjarige] bij [accommodatie] voor een schokeffect heeft gezorgd. Aan de wettelijke vereisten voor afgifte van de spoedmachtiging is voldaan en deze kan ook voor de overige twee weken worden verleend. Namens [minderjarige] wordt verzocht om het reguliere verzoek voor de machtiging gesloten jeugdhulp voor de duur van zes maanden af te wijzen. [minderjarige] wil aan de slag met zichzelf en wil weer naar school, maar wel vanuit de thuissituatie. Een gesloten plaatsing werkt alleen maar belemmerend. Mogelijk zal bepaald gedrag in een gesloten groep juist verharden of verergeren. ODD is lastig behandelbaar, waardoor het de vraag is of er wat dat betreft winst kan worden behaald. [minderjarige] betwist ook dat sprake is van wegloopgedrag. Op de dag dat hij gesloten werd geplaatst, was hij gewoon thuis. Plaatsing op een open groep behoort tot de mogelijkheden en die stap is overgeslagen. Mocht de kinderrechter overwegen om een machtiging voor een reguliere gesloten plaatsing af te geven, dan wordt namens [minderjarige] verzocht dat maximaal voor de duur van drie maanden te doen, eventueel met aanhouding van de beslissing op het verzoek voor het overige deel. 4.4. De ouders geven aan dat zij zich in de steek gelaten voelen door de Nederlandse overheid. Sinds [minderjarige] in groep 5 zat, roepen de ouders al dat er onderzoek of behandeling nodig is, maar dat is niet gebeurd. [minderjarige] kon niet meer naar school en kreeg toen een vorm van dagbesteding waar geen enkele stimulans van uitgaat. Nu is het zover gekomen dat de GI verzoekt om [minderjarige] gesloten te plaatsen. De ouders zijn boos over de manier waarop [minderjarige] op 20 februari 2026 bij hen thuis is opgehaald. Aan de andere kant vinden zij wel dat er gelet op de huidige situatie iets moet gebeuren. Het klopt dat [minderjarige] een aantal dagen niet thuis is geweest. Zij staan niet negatief tegenover een gesloten plaatsing van [minderjarige] , maar benadrukken dat het dan wel belangrijk is dat gezocht wordt naar de oorzaak van het gedrag van [minderjarige] en dat hij daadwerkelijk hulpverlening krijgt. De ouders vinden een gesloten opname voor de duur van zes maanden te lang. Ook zij denken aan een machtiging voor de duur van drie maanden. 5 De beoordeling C/02/445174 / JE RK 26-279 (spoed) 5.1. De kinderrechter stelt allereerst vast dat uit de instemmende verklaring van de gedragswetenschapper van 24 februari 2026 blijkt dat deze instemt met het verlenen van een machtiging gesloten jeugdhulp voor de duur van zes maanden. In die verklaring is vermeld dat een dergelijke plaatsing [minderjarige] de mogelijkheid biedt verder te groeien in een passende omgeving waaruit hij zich niet kan onttrekken tot hij kan beginnen met de aanbevolen behandeling. Ook is vermeld dat er gezien het huidige gedragsbeeld geen minder ingrijpende alternatieven voorhanden zijn. Eerder al, bij verklaring van 18 februari 2026, had de gedragswetenschapper ingestemd met een plaatsing van [minderjarige] in de gesloten jeugdhulp, echter zonder dat hij [minderjarige] zelf had kunnen onderzoeken. 5.2. De GI, [minderjarige] , zijn advocaat en de ouders van [minderjarige] zijn op de zitting van 26 februari 2026 alsnog gehoord over de door de GI verzochte en door de kinderrechter op 18 februari 2026 verleende spoedmachtiging gesloten jeugdhulp. Zij hebben hun standpunt daarover kenbaar kunnen maken. Naar aanleiding daarvan is naar het oordeel van de kinderrechter niet gebleken dat sprake is van nieuwe feiten of omstandigheden waardoor de beslissing van 18 februari 2026 zou moeten worden herroepen. Deze beslissing zal daarom worden gehandhaafd. 5.3. Gelet op de beslissing hierna over het reguliere verzoek tot verlening van een machtiging gesloten jeugdhulp, zal de kinderrechter het resterende deel van het verzoek voor een spoedmachtiging afwijzen. C/02/445170 / JE RK 26-277 (regulier) 5.4. Gelet op het bepaalde in artikel 6.1.2, tweede lid, Jeugdwet kan een machtiging gesloten jeugdhulp slechts worden verleend indien naar het oordeel van de kinderrechter deze jeugdhulp noodzakelijk is in verband met ernstige opgroei- of opvoedingsproblemen die de ontwikkeling van de jeugdige naar volwassenheid ernstig belemmeren. Bovendien dienen de opneming en het verblijf noodzakelijk te zijn om te voorkomen dat de jeugdige zich aan deze jeugdhulp onttrekt of daaraan door anderen wordt onttrokken en er geen minder ingrijpende mogelijkheden zijn om de opgroei- en opvoedingsproblemen te behandelen. 5.5. Naar het oordeel van de kinderrechter is voldoende gebleken dat aan de wettelijke vereisten voor een machtiging gesloten jeugdhulp wordt voldaan. Bij [minderjarige] is sprake van ernstige opgroei- en gedragsproblemen die zijn ontwikkeling naar volwassenheid ernstig belemmeren. [minderjarige] gaat al geruime tijd niet naar school en staat daarmee stil in zijn verdere ontwikkeling. Hij is gediagnosticeerd met ODD. Hij accepteert geen gezag en gedraagt zich opstandig en agressief tegenover zijn ouders en andere personen, waaronder hulpverleners. Er is geen grip meer op [minderjarige] . Hij laat zich niet aansturen door zijn ouders en vertoont zelfbepalend gedrag. De ouders durven niet op te treden tegen [minderjarige] uit angst voor een confrontatie met hem. De thuissituatie is uitermate gespannen en onhoudbaar. Sinds [minderjarige] geen enkelband meer draagt, is zijn gedrag verder verslechterd. [minderjarige] gaat niet meer naar de dagbesteding, hangt veel rond op straat en was enkele dagen zoek. [minderjarige] is eind januari 2026 veroordeeld voor het plegen van ernstige strafbare feiten, waaronder ook geweldsdelicten. Hij trekt zich echter niets aan van de bijzondere voorwaarden die hem door de rechtbank zijn opgelegd. Hij heeft zich al een jaar aan voorwaarden gehouden en vindt het daarom niet nodig om dat nu nog twee jaar te doen. Er zijn grote zorgen dat [minderjarige] verder afglijdt richting criminaliteit. 5.6. De inhoud van de stukken en wat is besproken op de zitting bevestigt naar het oordeel van de kinderrechter de noodzaak van een voortzetting van de plaatsing in een gesloten accommodatie, te weten [accommodatie] te [plaats] . Het gedrag van [minderjarige] maakt acuut ingrijpen en behandeling noodzakelijk. Gelet op de bestaande zorgen over het gedrag en het gegeven dat [minderjarige] op dit moment niet open staat voor behandeling, kan niet worden volstaan met een andere beschermingsmaatregel dan gesloten jeugdhulp. Er zijn op dit moment geen minder ingrijpende alternatieven voorhanden. Binnen een gesloten setting kunnen aan [minderjarige] de juiste kaders en hulpverlening worden geboden, waarbij ook de veiligheid van [minderjarige] en zijn omgeving kan worden gewaarborgd. Verder kan in die setting onderzoek worden gedaan naar de gedragsproblemen van [minderjarige] , kan een passend behandeltraject worden ingezet en kunnen de mogelijkheden wat betreft school en/of andere vormen van een zinvolle dagbesteding worden onderzocht. Belangrijk is dat er binnen afzienbare tijd een concreet plan komt dat [minderjarige] richting geeft en dat hem de benodigde duidelijkheid biedt, met als uitgangspunt dat zal worden toegewerkt naar een terugkeer van [minderjarige] naar huis. Daarbij is [minderjarige] nadrukkelijk ook zelf aan zet. [minderjarige] heeft op de zitting verteld dat hij graag weer naar school wil. Het is aan [minderjarige] om tot een verandering van zijn gedrag te komen en te laten zien dat hij daadwerkelijk bereid is om aan zijn toekomst te werken. 5.7. De kinderrechter heeft zich er van vergewist dat de gedragswetenschapper instemt met een gesloten plaatsing. Met inachtneming van het hiervoor staande zal de kinderrechter een machtiging gesloten jeugdhulp verlenen die aansluit op de al afgegeven spoedmachtiging en voor de duur van de ondertoezichtstelling, te weten tot 22 juli 2026. Als de GI vindt dat eerder tot een (gedeeltelijke) thuisplaatsing kan worden overgegaan, hoeft zij de machtiging niet voor de volledige duur te gebruiken.