Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2026-02-25
ECLI:NL:RBZWB:2026:2558
Civiel recht; Personen- en familierecht
Rekestprocedure
3,995 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBZWB:2026:2558 text/xml public 2026-04-09T10:19:49 2026-04-03 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-02-25 C-02-441530 - FA RK 25-5657 Uitspraak Rekestprocedure NL Breda Civiel recht; Personen- en familierecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:2558 text/html public 2026-04-03T11:08:37 2026-04-09 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBZWB:2026:2558 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 25-02-2026 / C-02-441530 - FA RK 25-5657 wijziging van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Team Familie- en Jeugdrecht Zittingsplaats: Breda Zaaknummer: C/02/441530 / FA RK 25-5657 datum uitspraak: 25 februari 2026 beschikking betreffende een wijziging van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken in de zaak van [de man] , hierna te noemen: de man, wonende te [woonplaats 1] , advocaat: mr. N.J.R.M. Elings te Molenschot, tegen [de vrouw] , hierna te noemen: de vrouw , wonende te [woonplaats 2] , advocaat: mr. E.M.G. van Nuenen te Hilvarenbeek, over de minderjarigen: - [minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 2010, hierna te noemen: [minderjarige 1] ; - [minderjarige 2] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 2] 2012, hierna te noemen: [minderjarige 2] . Op grond van artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering heeft de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, hierna te noemen: de Raad, de rechtbank over de verzoeken geadviseerd. 1 Het procesverloop 1.1. De rechtbank oordeelt op grond van de navolgende stukken: het op 31 oktober 2025 ontvangen verzoekschrift van de man, met twee producties; het op 5 november 2025 ontvangen F9-formulier van mr. Elings, met bijlagen; het op 10 november 2025 ontvangen F9-formulier van mr. Elings, met bijlagen; het op 8 december 2025 ontvangen F9-formulier van mr. Elings, met bijlagen; het op 19 januari 2026 ontvangen verweerschrift van de vrouw; de op 23 januari 2026 ontvangen brief van mr. Elings, met drie producties. 1.2. De zaak is mondeling behandeld op de zitting van 28 januari 2026. Bij die gelegenheid zijn verschenen partijen, bijgestaan door hun advocaten. Tevens was aanwezig een medewerker namens de Raad. 1.3. De kinderrechter heeft [minderjarige 1] en [minderjarige 2] naar hun mening gevraagd. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren. 2 De feiten 2.1. Partijen hebben een affectieve relatie gehad, uit welke relatie de navolgende thans nog minderjarige kinderen zijn geboren: - [minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 2010; - [minderjarige 2] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 2] 2012. De man heeft de kinderen erkend. 2.2. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben hun hoofdverblijf bij de vrouw. 2.3. Partijen zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . 2.4. Bij beschikking van 15 april 2014 van deze rechtbank is onder meer bepaald dat de onderlinge regelingen uit het aangehechte ouderschapsplan van 4 oktober 2012 deel uitmaken van de beschikking, met uitzondering van de in artikel 2 en bijlage 1 opgenomen zorgregeling en vakantieregeling. Er is een deskundigenonderzoek gelast waarbij mr. L. Stam is benoemd als deskundige. In afwachting van de uitkomst van het deskundigenonderzoek is de beslissing over de dagelijkse verdeling van de zorg- en opvoedingstaken en de vakantieregeling aangehouden. 2.5. Bij beschikking van 20 maart 2015 van deze rechtbank is vervolgens bepaald dat de onderlinge regelingen uit de aangehechte en door de griffier gewaarmerkte vaststellingsovereenkomst van 13 oktober 2014 deel uitmaken van de beschikking. Daarin is de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken als volgt vastgesteld: - in de oneven weekenden zijn de kinderen van donderdag 15.00 uur tot en met zondagavond 17.00 uur bij de man, waarna de vrouw de kinderen ophaalt; - in de andere week zijn de kinderen vanaf donderdag 15.00 uur tot en met vrijdag 17.00 uur bij de man, waarna de man de kinderen terugbrengt naar de vrouw. 3 De verzoeken 3.1. De man verzoekt bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken te wijzigen in die zin dat in de even weken de man de zorgtaken over de kinderen uitoefent van woensdagmiddag uit school tot en met vrijdagochtend naar school en in de oneven weken de man de zorgtaken over de kinderen uitoefent van woensdagmiddag uit school tot maandagochtend naar school. 3.2. De vrouw voert verweer tegen het verzoek van de man en verzoekt dit verzoek niet-ontvankelijk te verklaren dan wel af te wijzen. 4 De standpunten 4.1. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben in het gesprek met de kinderrechter verteld dat zij graag langer bij hun vader willen zijn, namelijk de ene week van woensdag na school tot maandagochtend voor school en de andere week van woensdag na school tot vrijdagochtend voor school. Ook hebben zij behoefte aan meer flexibiliteit in de regeling en willen zij met het openbaar vervoer kunnen reizen. 4.2. De Raad adviseert de rechtbank om de zorgregeling vast te leggen zoals die door de man is verzocht. De wens van de kinderen is duidelijk en de raadsmedewerker vindt dat daar naar geluisterd moet worden. 4.3. Partijen hebben tijdens de zitting verklaard dat zij overeenstemming hebben bereikt over een wijziging van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken, op de wijze zoals hierna is vermeld. 5 De beoordeling Wettelijk kader 5.1. Op grond van artikel 1:253a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kunnen in geval van gezamenlijke uitoefening van gezag geschillen hierover op verzoek van de ouders of een van hen aan de rechtbank worden voorgelegd. De rechtbank neemt een zodanige beslissing als haar in het belang van het kind wenselijk voorkomt. Op basis van het van overeenkomstige toepassing zijnde artikel 1:377e BW kan de rechtbank een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken wijzigen als de omstandigheden zijn veranderd of als de rechtbank die regeling heeft vastgesteld op grond van onjuiste of onvolledige gegevens. 5.2. Op grond van artikel 1:253a lid 5 BW zal de rechtbank, voordat zij een beslissing neemt over het verzoek tot wijziging van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken, nagaan of de ouders samen overeenstemming kunnen bereiken. Wijziging van omstandigheden 5.3. Uit de stukken en hetgeen is besproken op de zitting blijkt dat de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in de praktijk al geruime tijd anders verloopt dan de regeling die door de rechtbank bij de beschikking van 20 maart 2015 is vastgelegd. De kinderen zijn sinds het vastleggen van die regeling een stuk ouder geworden en gaan inmiddels allebei naar de middelbare school. De rechtbank is daarom van oordeel dat er sprake is van een relevante wijziging van de omstandigheden. De man is ontvankelijk in zijn verzoek. Overeengekomen regeling 5.4. Partijen hebben op de zitting verklaard dat zij overeenstemming hebben bereikt over een wijziging van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Partijen zijn het volgende overeengekomen: in de even weken oefent de man de zorgtaken over de kinderen uit van woensdagmiddag uit school tot vrijdagochtend naar school; in de oneven weken oefent de man de zorgtaken over kinderen uit van woensdagmiddag uit school tot maandagochtend naar school; de kinderen zullen op woensdagmiddag na school zelfstandig naar de man gaan en zullen op vrijdagochtend respectievelijk maandagochtend vanuit de man zelfstandig naar school gaan; - wanneer de kinderen in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken bij de man verblijven, is de man verantwoordelijk voor het vervoer van de kinderen; de kinderen zullen zelfstandig reizen of worden gebracht en/of gehaald door de man. 5.5.
Volledig
Partijen zijn op de zitting overeengekomen dat de wijziging van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken direct ingaat. Dit betekent dat de kinderen in de week van de zitting (week 5) tot maandagochtend bij de man zullen zijn en in de daarop volgende week (week 6) van woensdagmiddag uit school tot vrijdagochtend bij de man zullen zijn. 5.6. De rechtbank is niet gebleken dat deze door partijen gemaakte afspraken niet in het belang van de minderjarigen zouden zijn. De rechtbank zal deze afspraken dan ook, zoals verzocht door partijen, in deze beschikking vastleggen. Daarmee worden de verzoeken van partijen beschouwd als te zijn afgedaan. Uitvoerbaar bij voorraad 5.7. De rechtbank zal de beslissing, gelet op de aard daarvan, uitvoerbaar bij voorraad verklaren. Dat betekent dat de beslissing alvast moet worden gevolgd, ook als er hoger beroep wordt ingesteld tegen deze beslissing. De kinderrechter vindt dit van belang voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Proceskosten 5.8. Partijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad en het geschil gaat over hun kinderen. De rechtbank zal daarom bepalen dat iedere partij de eigen proceskosten draagt. Brieven aan [minderjarige 1] en [minderjarige 1] 5.9. In het kindgesprek is aan [minderjarige 1] en [minderjarige 2] gevraagd hoe zij op de hoogte willen worden gesteld van de beslissing. Zij hebben allebei gezegd dat zij graag in een brief een terugkoppeling van de beslissing krijgen. Daarom zal in een aparte brief aan [minderjarige 1] en [minderjarige 2] kort worden uitgelegd wat de beslissing is. De kinderrechter acht het van belang dat partijen op de hoogte zijn van de inhoud van de brieven die [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zullen ontvangen. Vandaar dat de tekst van de brieven hieronder wordt weergegeven: Beste [minderjarige 1] , Op 27 januari 2026 heb ik met jou gesproken in de rechtbank. Je hebt toen verteld dat je graag een brief wil krijgen met de beslissing die ik zou gaan nemen over het verzoek dat je vader heeft gedaan. De beslissing gaat over de regeling van wanneer je bij je moeder bent en wanneer je bij je vader bent. Jij hebt mij verteld dat je graag meer bij je vader wil zijn. Ook zou je het fijn vinden als de regeling flexibeler is. Bijvoorbeeld dat als je op zondagavond laat klaar bent met werken, je bij je vader kan blijven slapen. Ook wil je graag na 19.00 uur kunnen reizen met het openbaar vervoer. Dat mag nu niet altijd van je moeder. Nadat ik met jou en je zus heb gesproken, heb ik met jouw ouders, hun advocaten en een medewerkster van de Raad voor de Kinderbescherming gesproken. Op de zitting hebben jouw ouders samen afspraken gemaakt over een nieuwe regeling voor jou en [minderjarige 2] . Afgesproken is dat jullie in de even weken van woensdagmiddag uit school tot vrijdagochtend bij jullie vader zullen zijn. In de oneven weken is dat van woensdagmiddag uit school tot maandagochtend. Jullie zullen op woensdagmiddag na school zelf naar jullie vader gaan en op vrijdagochtend/ maandagochtend vanuit jullie vader zelf naar school gaan. Over het reizen is verder afgesproken dat als jullie volgens de regeling bij jullie vader zijn, jullie zelfstandig zullen reizen of dat jullie worden gebracht en gehaald door jullie vader. Ook is afgesproken dat de nieuwe regeling direct ingaat. Je ouders hebben dus een regeling afgesproken waardoor je langer bij je vader zult zijn. Ook is duidelijk afgesproken hoe het met het reizen gaat. Ik hoop dat deze regeling goed voor jou gaat werken en dat je zowel met je vader als je moeder een fijn contact hebt. In ons gesprek hebben wij het ook nog even gehad over een kindercoach. Dat heb ik gevraagd voor het geval je ouders het niet eens zouden worden over de regeling voor jou en [minderjarige 2] . Dan kan het fijn zijn om met een hulpverlener te praten over het gedoe tussen je ouders en wat dat doet met jou. Omdat je ouders samen afspraken hebben gemaakt, zal de rechtbank geen kindercoach regelen. Als je het fijn vindt om met een kindercoach te praten, kun je dat vast wel zelf met je ouders regelen. Ik wens jou en [minderjarige 2] het allerbeste toe. Vriendelijke groeten, mr. Vos, kinderrechter. Beste [minderjarige 2] , Op 27 januari 2026 heb ik met jou gesproken in de rechtbank. Je hebt toen verteld dat je graag een brief wil krijgen met de beslissing die ik zou gaan nemen over het verzoek van je vader. De beslissing gaat over de regeling wanneer je bij je moeder bent en wanneer je bij je vader bent. Jij hebt mij verteld dat je graag meer bij je vader wil zijn, al vanaf woensdag na school en om de week tot maandagochtend. Als je maar kort bij je vader bent, mis je je hondjes. Ook zou je graag zelf willen reizen met het openbaar vervoer. Dat mag je nu nog niet van je moeder. Nadat ik met jou en je zus heb gesproken, heb ik met jouw ouders, hun advocaten en een medewerkster van de Raad voor de Kinderbescherming gesproken. Op de zitting hebben jouw ouders samen afspraken gemaakt over een nieuwe regeling voor jou en [minderjarige 1] . Afgesproken is dat jullie in de even weken van woensdagmiddag uit school tot vrijdagochtend bij jullie vader zullen zijn. In de oneven weken is dat van woensdagmiddag uit school tot maandagochtend. Jullie zullen op woensdagmiddag na school zelf naar jullie vader gaan en op vrijdagochtend/ maandagochtend vanuit jullie vader zelf naar school gaan. Over het reizen is verder afgesproken dat als jullie volgens de regeling bij jullie vader zijn, jullie zelfstandig zullen reizen of dat jullie worden gebracht en gehaald door jullie vader. Ook is afgesproken dat de nieuwe regeling direct ingaat. Je ouders hebben dus een regeling afgesproken waardoor je langer bij je vader zult zijn. Ook is duidelijk afgesproken hoe het met het reizen gaat. Ik hoop dat deze regeling goed voor jou gaat werken en dat je zowel met je vader als je moeder een fijn contact hebt. Ik wens jou en [minderjarige 1] het allerbeste toe. Vriendelijke groeten, mr. Vos, kinderrechter. 6 beslissing De rechtbank: 6.1. wijzigt de in de beschikking van 20 maart 2015 van deze rechtbank opgenomen onderlinge regeling van partijen uit de vaststellingsovereenkomst van 13 oktober 2014 met betrekking tot de verdeling van de zorg- en opvoedingszaken - met inachtneming van hetgeen hierboven onder 5.5 is overwogen - als volgt: in de even weken oefent de man de zorgtaken over de kinderen uit van woensdagmiddag uit school tot vrijdagochtend naar school; in de oneven weken oefent de man de zorgtaken over kinderen uit van woensdagmiddag uit school tot maandagochtend naar school; de kinderen zullen op woensdagmiddag vanuit school zelfstandig naar de man gaan en zullen op vrijdagochtend respectievelijk maandagochtend vanuit de man zelfstandig naar school gaan; wanneer de kinderen in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken bij de man verblijven, is de man verantwoordelijk voor het vervoer van de kinderen; de kinderen zullen dan zelfstandig reizen of worden gebracht en/of gehaald door de man; 6.2. verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad; 6.3. compenseert de kosten van het geding aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt; 6.4. wijst het meer of anders verzochte af. Deze beschikking is gegeven door mr. Vos, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 25 februari 2026 in tegenwoordigheid van mr. Van Oorschot, griffier. Mededeling van de griffier : Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld: - door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak, - door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden. Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch.