Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2026-03-23
ECLI:NL:RBZWB:2026:2545
Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht
Mondelinge uitspraak
1,226 tokens
=== VOLLEDIG ===
ECLI:NL:RBZWB:2026:2545 text/xml public 2026-04-09T14:00:25 2026-04-03 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-03-23 26/1291 VV Uitspraak Mondelinge uitspraak Proces-verbaal Voorlopige voorziening NL Middelburg Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:2545 text/html public 2026-04-08T13:21:45 2026-04-09 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBZWB:2026:2545 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 23-03-2026 / 26/1291 VV PV mondelinge uitspraak. Verzoek voorlopige voorziening niet-ontvankelijk, omdat niet voldaan is aan het connexiteitsvereiste en het griffierecht niet is betaald. RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Zittingsplaats Middelburg Bestuursrecht zaaknummer: BRE 26/1291 PW VV proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van 23 maart 2026 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen [verzoekster] , uit [plaats] , verzoekster en het Dagelijks Bestuur van Orionis Walcheren (Orionis). Inleiding 1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekster tegen de opschorting en intrekking van haar bijstandsuitkering per 1 februari 2026 op grond van de Participatiewet. 1.1. Orionis heeft met het besluit van 10 februari 2026 (primair besluit I) het recht van verzoekster op een bijstandsuitkering opgeschort met ingang van 1 februari 2026. Met het besluit van 24 februari 2026 (primair besluit II) heeft Orionis het recht van verzoekster op een bijstandsuitkering ingetrokken met ingang van 1 februari 2026. 1.2. Verzoekster heeft bewaar gemaakt tegen de primaire besluiten en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen. 1.3. Met het bestreden besluit van 12 maart 2026 heeft Orionis het bezwaar van verzoekster tegen de primaire besluiten ongegrond verklaard. 1.4. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 23 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [vertegenwoordiger 1] en [vertegenwoordiger 2] namens Orionis. Verzoekster was, zonder voorafgaand bericht, niet aanwezig. 1.5. Na afloop van de zitting heeft de voorzieningenrechter onmiddellijk uitspraak gedaan. Beoordeling door de voorzieningenrechter 2. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen inzake een bestreden besluit indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. 3. Gelet op bovengenoemd artikel moet er sprake zijn van een besluit en een bezwaar of een beroep tegen dat besluit voordat een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening inhoudelijk kan worden behandeld. Dit is het zogenaamde connexiteitsvereiste. 4. Verzoekster heeft haar verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening ingediend tijdens de bezwaarprocedure. De voorzieningenrechter stelt vast dat op 12 maart 2026 een beslissing op bezwaar is genomen. Met verzoekster is op 13 maart 2026 telefonisch afgesproken, en bij brief van 16 maart 2026 schriftelijk bevestigd, dat de voorlopige voorziening aangemerkt kan worden als een verzoek gerelateerd aan de beroepsprocedure. Verzoekster is ook medegedeeld dat daarvoor nodig is dat zij zo spoedig mogelijk doch uiterlijk voor de zitting van 23 maart 2026 beroep instelt tegen de beslissing op bezwaar. 5. De rechtbank stelt vast dat verzoekster ten tijde van de zitting (nog) geen beroep heeft ingesteld tegen de beslissing op bezwaar van 12 maart 2026. Dat betekent dat er op dit moment geen sprake is van een beroepsprocedure zodat niet is voldaan aan de voorwaarde van connexiteit. Het verzoek zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard. 6. Daarnaast moet degene die een verzoek om voorlopige voorziening vraagt, griffierecht betalen. Dit staat in artikel 8:41 van de Awb. In een zaak als deze is het griffierecht € 54,-. Bij aangetekende brief van 6 maart 2026 is verzoekster erop gewezen dat zij binnen twee weken na dagtekening van de brief het griffierecht moet voldoen. In het telefoongesprek van 13 maart 2026 is verzoekster erop gewezen dat zij het griffierecht uiterlijk voorafgaand aan de zitting moet betalen. Omdat verzoekster het griffierecht niet (tijdig) heeft betaald, zal het verzoek ook om deze reden niet-ontvankelijk worden verklaard. 7. Dat betekent dat het verzoek niet inhoudelijk beoordeeld zal worden. Beslissing De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk. Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 23 maart 2026 door mr. A.G.J.M. de Weert, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. S.J.E. Loontjens, griffier. griffier voorzieningenrechter Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op: Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.