Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2026-03-03
ECLI:NL:RBZWB:2026:2537
Civiel recht; Personen- en familierecht
Rekestprocedure
2,047 tokens
=== VOLLEDIG ===
ECLI:NL:RBZWB:2026:2537 text/xml public 2026-04-10T15:02:02 2026-04-03 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-03-03 C/02/444413 / JE RK 26-150 Uitspraak Rekestprocedure NL Breda Civiel recht; Personen- en familierecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:2537 text/html public 2026-04-10T15:01:35 2026-04-10 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBZWB:2026:2537 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 03-03-2026 / C/02/444413 / JE RK 26-150 Machtiging tot uithuisplaatsing in een voorziening voor pleegzorg tot het einde van de ondertoezichtstelling. Verblijf van de minderjarige bij de moeder is, ondanks de inzet van intensieve opvoedondersteuning en weekendopvang, niet langer houdbaar. RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Familie- en Jeugdrecht Locatie Breda Zaaknummer: C/02/444413 / JE RK 26-150 Datum uitspraak: 3 maart 2026 Beschikking van de kinderrechter over een machtiging tot uithuisplaatsing in de zaak van William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering , gevestigd te Amsterdam, hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (de GI), over [minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2022 in [geboorteplaats] , hierna te noemen: [minderjarige] . De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan: [de moeder] , hierna te noemen: de moeder, wonende op een bij de rechtbank bekend adres, advocaat: mr. S.M.E. van Fraaijenhove van der Maas te Breda, [de vader] , hierna te noemen: de vader, wonende in [woonplaats] , advocaat: mr. A.E. Voorvaart-Kuik te Breda. 1 Het verloop van de procedure 1.1. De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling: - het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 27 januari 2026. 1.2. De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 3 maart 2026. Daarbij waren aanwezig: - de vader, bijgestaan door zijn advocaat; - de moeder, bijgestaan door haar advocaat; - een tweetal vertegenwoordigsters van de GI. 1.3. De kinderrechter heeft – met instemming van alle aanwezigen – bijzondere toegang verleend aan de begeleidster van de moeder en de begeleider van de vader, beide werkzaam bij [accommodatie] , om als toehoorders bij de zitting aanwezig te zijn. 2 De feiten 2.1. De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] . 2.2. [minderjarige] woont bij zijn moeder. 2.3. Bij beschikking van 18 september 2024 heeft de kinderrechter [minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 18 september 2024 en tot 18 september 2025. Deze maatregel is nadien verlengd voor het laatst bij beschikking van 5 september 2025 met ingang van 18 september 2025 tot 18 september 2026. 2.4. Bij beschikking van 12 november 2025 heeft de kinderrechter in deze rechtbank een deeltijdmachtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] verleend in een gezinsgerichte accommodatie (gezinshuis van [accommodatie] ), voor ieder weekend van vrijdagmiddag tot zondagmiddag, met ingang van 12 november 2025 en tot 18 september 2026. 3 Het verzoek 3.1. De GI verzoekt een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg te verlenen voor de duur van de ondertoezichtstelling en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. 4 De standpunten 4.1. De GI handhaaft het verzoek en verwijst voor de onderbouwing daarvan naar het verzoekschrift. De GI heeft in toenemende mate zorgen over de veiligheid, de ouder-kindrelatie en het ontwikkelen van verdere problematiek van [minderjarige] . Het netwerk van de moeder is beperkt en er wordt al ingezet op traumabehandeling en zeer intensieve opvoedondersteuning voor de moeder. Sinds 12 december 2025 is er bovendien sprake van weekendopvang van [minderjarige] binnen een gezinshuis van het [accommodatie] . In tegenstelling tot wat met de weekendopvang werd beoogd is de spanning bij de moeder enkel toegenomen. De moeder wordt snel overvraagd en dit leidt tot incidenten. Het lukt de moeder, vanwege haar persoonlijke problematiek, niet om voldoende aan te sluiten bij [minderjarige] en zij is al geruime tijd onvoldoende emotioneel beschikbaar. [minderjarige] is zich daarbij steeds meer bewust van wat er speelt, hij vertoont meer gedragsproblematiek en de risico's op een gecompliceerde relatie met de moeder, met hechtingsproblemen tot gevolg, nemen steeds verder toe. De laatste weken merkt de GI dat het verblijf van [minderjarige] bij de moeder niet langer gaat. De begeleiding neemt de zorg voor [minderjarige] over en het aantrekken en afstoten van [minderjarige] richting de moeder neemt toe. Ook verweert [minderjarige] zich steeds meer tegen de begeleiding. Er is een pleeggezin gevonden in de regio en de moeder heeft afgelopen week kennisgemaakt met de pleegouders. De GI is voornemens om op korte termijn te onderzoeken hoe het contact tussen de moeder en [minderjarige] kan worden vormgegeven. Dit zal naar verwachting wekelijks zijn en onderzocht wordt of dit contact bij het pleeggezin of op een neutrale plek moet plaatsvinden. Het contact met de vader zal op dezelfde wijze als nu het geval is worden voortgezet. De logeerweekenden bij het gezinshuis zullen niet meer plaatsvinden. 4.2. Door en namens de moeder is ingestemd met het verzoek. De moeder begrijpt weliswaar met haar verstand dat de uithuisplaatsing in het belang van [minderjarige] is, maar gevoelsmatig ligt dit voor haar anders. Uit de weekverslagen van de begeleiding volgt dat er ook veel goed gaat in de thuissituatie bij de moeder en dat de moeder daarbij pedagogisch verantwoord handelt richting [minderjarige] . De moeder heeft veel geduld met [minderjarige] en past toe wat zij heeft geleerd. Tegelijkertijd zijn er ook momenten dat de moeder de begeleiding vraagt om de zorg over te nemen, omdat de spanning oploopt en dit niet fijn is voor [minderjarige] . Vanwege de start van haar persoonlijke therapie, komt er bij de moeder veel los en dit kost haar veel energie. De moeder hoopt dat zij met de therapie bepaalde dingen een plek kan geven en uiteindelijk weer voldoende ruimte krijgt om de zorg voor [minderjarige] op zich te nemen. Het is nog onbekend hoelang de therapie van de moeder zal duren. De gevraagde periode voor de machtiging tot uithuisplaatsing is in dat kader passend. Daarbij is de hoop dat er voldoende contact kan zijn tussen [minderjarige] en de moeder. [minderjarige] is nog jong en het is belangrijk dat de moeder in beeld blijft. 4.3. Door en namens de vader is ingestemd met het verzoek. De vader ziet in dat een machtiging tot uithuisplaatsing nodig is. Voor de vader blijft het moeilijk om te begrijpen dat [minderjarige] niet bij hem kan wonen. De vader maakt zich verder zorgen om zijn eigen contactregeling met [minderjarige] en zou graag zien dat deze contactregeling verder wordt uitgebreid. Hoewel de vader zijn best doet, lukt het tot op heden niet om tot een uitbreiding van het contact te komen. Dit zorgt voor frustratie en de vader hoopt dat er de komende periode ruimte kan ontstaan voor uitbreiding van het contact, al is dat door middel van videobellen. 5 De beoordeling Wettelijk kader 5.1. Ingevolge artikel 1:265b lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) kan de kinderrechter de GI, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid. Inhoudelijke beoordeling 5.2. Op basis van de stukken en de zitting is de kinderrechter van oordeel dat de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding. Hiertoe overweegt de kinderrechter als volgt. 5.3. Voorop staat dat de kinderrechter een liefdevolle moeder ziet die haar uiterste best doet voor [minderjarige] en te allen tijde probeert om de keuzes te maken die in het belang van [minderjarige] zijn. Tegelijkertijd constateert de kinderrechter dat de thuissituatie van [minderjarige] bij de moeder, ondanks de intensieve opvoedondersteuning en de deeltijdplaatsing van [minderjarige] in het weekend bij het gezinshuis, op het moment niet langer houdbaar is.