Rechtspraak Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-01-21
ECLI:NL:RBZWB:2026:249
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Zittingsplaats: Breda Bestuursrecht zaaknummer: BRE 24/6998 WIA uitspraak van 21 januari 2026 van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , te [woonplaats] , eiser, gemachtigde: mr. C.F.A. Cadot, en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV; kantoor Breda), verweerder. Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de toekenning van een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). 1.1. Het UWV heeft met het besluit van 16 juli 2021 (primair besluit) geweigerd per 9 februari 2015 aan eiser een WIA-uitkering toe te kennen. Hiertegen heeft eiser bezwaar gemaakt. Met het besluit van 17 juni 2022 is het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Het hiertegen door eiser ingestelde beroep is bij uitspraak van deze rechtbank van 31 oktober 2023 gegrond verklaard en het besluit van 17 juni 2022 is daarbij vernietigd. Met het besluit van 30 augustus 2024 heeft het UWV aan eiser een WIA-uitkering toegekend met ingang van 9 februari 2015 naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 51,13%. Het UWV heeft dit besluit herzien met het besluit van 2 oktober 2024 en daarin overwogen dat eisers WIA-uitkering vanaf 14 januari 2020 tot uitbetaling komt. Het UWV heeft het besluit van 2 oktober 2024 herzien met het bestreden besluit van 3 juni 2025 en daarin overwogen dat eisers WIA-uitkering per 14 januari 2020 wordt gebaseerd op een arbeidsongeschiktheid van 80% tot 100%. De rechtbank heeft het beroep tegen de beslissing op bezwaar van 30 augustus 2024 met toepassing van artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) mede gericht geacht tegen de beslissing op bezwaar van 2 oktober 2024 en 3 juni 2025. 1.2. Het UWV heeft op het beroep gereageerd met verweerschriften. 1.3. De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of partijen het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek op 14 januari 2026 gesloten en de zaak niet behandeld op een zitting. Artikel 8:57 van de Awb maakt dat mogelijk. Beoordeling door de rechtbank 2. Eiser is werkzaam geweest als jongerenwerker bij de stichting [werkgever 1] . Hij heeft zich op 7 december 2009 ziek gemeld vanwege hoofdpijn- en psychische klachten. Na een herstelmelding op 15 februari 2010 heeft eiser zich per deze datum ook weer ziek gemeld wegens toegenomen visusklachten. Na een herstelmelding op 10 januari 2011 is eiser in het kader van een re-integratietraject gaan werken als algemeen medewerker bij [werkgever 2] . Eiser heeft zich op 14 november 2012 ziek gemeld vanwege visusklachten, pijnklachten aan zijn rechterhand en psychische klachten. 2.1. Op 9 juni 2014 heeft eiser een uitkering ingevolge de WIA aangevraagd. Bij deze aanvraag heeft eiser vermeld dat hij vanaf december 2009 arbeidsongeschikt is. Bij besluit van 13 oktober 2014 heeft het UWV geweigerd eiser met ingang van 30 augustus 2014 een WIA-uitkering toe te kennen. Bij besluit van 19 maart 2015 heeft het UWV het bezwaar tegen het besluit van 13 oktober 2014 ongegrond verklaard. Vervolgens heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 19 maart 2015 ongegrond verklaard bij uitspraak van 2 februari 2016 . Omdat eiser vanaf 5 december 2011 aanspraak heeft gemaakt op een WIA-uitkering, heeft het UWV na een nieuwe medische en arbeidskundige beoordeling bij besluit van 17 december 2018 geweigerd eiser met ingang van 5 december 2011 een WIA-uitkering toe te kennen omdat hij per die datum minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Het bezwaar daartegen heeft het UWV bij besluit van 18 juli 2019 ongegrond verklaard. Het tegen de uitspraak van de rechtbank van 2 februari 2016 door eiser ingestelde hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep (CRvB) heeft geleid tot een uitspraak van 9 december 2020 waarbij het beroep tegen het besluit van 19 maart 2015 gegrond werd verklaard, dat besluit werd vernietigd Indien het UWV vanaf het moment dat zij bekend is geworden met de overgelegde medische informatie van eisers oogarts van 30 juli 2015 in het kader van de destijds lopende procedure bij de rechtbank, deze informatie juist had geïnterpreteerd, had zij reeds in 2015 – ambtshalve – tot het oordeel kunnen komen dat eiser per 9 februari 2015 aanspraak had kunnen maken op een WIA-uitkering. De nadelige gevolgen van deze handelswijze aan de zijde van het UWV dienen niet op eiser afgewenteld te worden, althans behoren niet voor zijn rekening en risico te komen. Doordat eiser later na consultatie van de oogarts op 18 oktober 2019 de bevestiging heeft gekregen dat zijn visus inderdaad slechter was geworden, heeft dit hem de mogelijkheid geboden een beroep te doen op toegenomen arbeidsongeschiktheid. In verband met zijn persoonlijke situatie is eiser daaraan pas in 2021 toegekomen. In het kader van de beroepsprocedure stelt het UWV uiteindelijk wel juist vast dat eiser reeds per 9 februari 2015 aanspraak kon maken op een WIA-uitkering. 6.2. In deze beroepsgronden ziet het UWV geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen. Op het moment van het overleggen van medische informatie van 30 juli 2015 was er geen lopende uitkeringsrelatie met eiser. Zonder een lopende uitkeringsrelatie kan een beoordeling ambtshalve niet aan de orde zijn. Het UWV verwijst verder naar de onder 2.1. genoemde uitspraak van de CRvB waarbij de weigering van de WIA-uitkering in stand is gebleven. Ook na het bekend worden van de informatie van 18 oktober 2019, heeft het echter nog geduurd tot 14 januari 2021 alvorens eiser een nieuwe aanvraag heeft ingediend. Eiser heeft met betrekking tot zijn persoonlijke situatie geen nadere gronden of (medische) onderbouwing overgelegd. Niet gesteld of gebleken is dat eiser – mede als gevolg van zijn persoonlijke dan wel medische (psychische) situatie – het inzicht in de ernst, de aard en de duurzaamheid van zijn medische problematiek heeft ontbroken en om die reden heeft nagelaten eerder een aanvraag in te dienen. Eiser is verder gedurende de gerechtelijke procedures steeds bijgestaan door een gemachtigde. Voor zover deze inzichten niet al bij eiser bestonden, had van deze gemachtigde verwacht mogen worden dat zij in het kader van de belangenbehartiging van eiser eerder een aanvraag zou hebben kunnen entameren. Het UWV kan niet inzien dat eiser niet in staat was om (met behulp van zijn gemachtigde) eerder een WIA-aanvraag in te dienen. 6.3. In artikel 64, elfde lid, van de Wet WIA is bepaald dat het recht op een uitkering op grond van deze wet niet kan worden vastgesteld over perioden gelegen voor 52 weken voorafgaand aan de dag waarop de aanvraag om een uitkering werd ingediend. Het UWV kan voor bijzondere gevallen van de eerste zin afwijken. 6.4. Volgens vaste rechtspraak van de CRvB moet het begrip ‘bijzonder geval’ naar zijn aard restrictief worden uitgelegd. Van een bijzonder geval is slechts sprake indien betrokkene ter zake van de late aanvraag of het niet aanvragen redelijkerwijs geacht moet worden niet in verzuim te zijn geweest. Dat zal onder meer het geval zijn indien de verzekerde – mede als gevolg van zijn medische situatie – het aan inzicht in de ernst, de aard en de duurzaamheid van met name zijn psychische problematiek heeft ontbroken en hij om die reden heeft nagelaten (eerder) een aanvraag in te dienen. Op de betrokken verzekerde rust de bewijslast van de aanwezigheid van een bijzonder geval. 6.5. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van een bijzonder geval op grond waarvan eisers recht op een WIA-uitkering kan worden vastgesteld over perioden gelegen 52 weken voorafgaand aan zijn aanvraag. Eiser heeft namelijk niet toegelicht en onderbouwd waarom hij vanwege zijn persoonlijke (medische) situatie niet in staat was eerder een WIA-aanvraag in te dienen. Het UWV heeft er daarnaast terecht op gewezen dat eiser in de periode van 2015 tot en met 2020 met behulp van zi