Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2026-04-01
ECLI:NL:RBZWB:2026:2474
Bestuursrecht; Belastingrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,705 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBZWB:2026:2474 text/xml public 2026-04-09T09:00:20 2026-04-02 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-04-01 BRE - 23 _ 10402 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Breda Bestuursrecht; Belastingrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:2474 text/html public 2026-04-08T12:18:19 2026-04-09 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBZWB:2026:2474 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 01-04-2026 / BRE - 23 _ 10402 Bpm RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Zittingsplaats Breda Belastingrecht zaaknummer: BRE 23/10402 uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 1 april 2026 in de zaak tussen [belanghebbende] , uit [plaats] , belanghebbende, (gemachtigde: mr. S.M. Bothof, verbonden aan Bothof Services B.V.), en de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur, en de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid). Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 12 oktober 2023. 1.1. De inspecteur heeft aan belanghebbende een naheffingsaanslag belasting van personenauto’s en motorrijwielen (bpm) opgelegd van € 7.298 en bij gelijktijdige beschikking € 23 belastingrente aan belanghebbende in rekening gebracht (de belastingrentebeschikking). 1.2. De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard. 1.3. De rechtbank heeft het beroep op 18 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: mr. M.U. Sahin, verbonden aan Bothof Services B.V., en namens de inspecteur, mr. [inspecteur 1] en mr. [inspecteur 2] . Beoordeling door de rechtbank 2. De rechtbank beoordeelt of de inspecteur de naheffingsaanslag en de belastingrentebeschikking terecht en niet tot te hoge bedragen heeft vastgesteld. De rechtbank doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende. 2.1. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de naheffingsaanslag en de belastingrentebeschikking terecht, maar tot te hoge bedragen vastgesteld. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Feiten 3. Belanghebbende heeft op aangifte een bedrag van € 20.811 aan bpm voldaan ter zake van de registratie van het motorrijtuig Audi A6 Avant RS 6 TFSI Quattro met VIN nummer [VIN nummer] (de auto). 3.1. Belanghebbende heeft in de aangifte een beroep gedaan op de taxatiemethode en een taxatierapport bij de aangifte gevoegd. 3.2. De inspecteur heeft een hertaxatie van de auto laten verrichten door Dienst Domeinen Roerende Zaken (DRZ). In het taxatierapport van DRZ van 25 oktober 2021 staat – voor zover hier van belang – het volgende: “Alle opgegeven schade is niet aangetroffen of kan als gebruikersschade aangemerkt worden. Taxateur: Aangever is met het voertuig over de weg aan komen rijden bij DRZ. Voertuig op bedrijfstempratuur en koelwater op normale bedrijfstempratuur. Geen lekkage of afwijkingen rond de waterpomp koelsysteem geconstateerd. Boordcomputer geen foutcodes. Na RDW bezoek heeft aangever 143 km over de weg gereden.” En: “ ” 3.3. Naar aanleiding van vragen van de inspecteur over de bevindingen ten aanzien van de koplamp rechtsvoor heeft DRZ op 22 augustus 2022 een herzien taxatierapport verstrekt. Daarin is vervanging van de koplamp rechtsvoor als schade meegenomen. 3.4. De inspecteur heeft naar aanleiding van de bevindingen van DRZ het standpunt ingenomen dat de verschuldigde Bpm € 28.109 bedraagt en de naheffingsaanslag opgelegd (zie 1.1). Motivering Vooraf; facturen tardief 4. Belanghebbende heeft op 5 februari 2026 een nader stuk overgelegd. Daarbij zijn een factuur van [B.V. 1] van 22 oktober 2021 en een factuur van [B.V. 2] van 22 oktober 2021 gevoegd ter onderbouwing van de gestelde waardevermindering. De inspecteur verzoekt de rechtbank deze facturen als tardief ter zijde te schuiven. De inspecteur heeft twijfels over de juistheid van de facturen en stelt dat hij deze had willen verifiëren via derdenonderzoek, maar dat dit door de late indiening niet meer mogelijk is. 4.1. De rechtbank zal de facturen als tardief ter zijde schuiven. Redengevend daarvoor is dat de facturen kort voor zitting zijn ingediend, terwijl – gelet op de datum van die facturen – niet valt in te zien waarom belanghebbende deze facturen niet eerder heeft kunnen overleggen. Verder kan de rechtbank goed volgen dat de facturen vragen oproepen bij de inspecteur en dat de inspecteur daarom twijfelt aan de juistheid, terwijl hij dit door de late indiening niet meer via derdenonderzoek heeft kunnen verifiëren. De factuur van [B.V. 1] is onder meer gericht aan een ander dan belanghebbende, de datum gereed ontbreekt en er is geen omschrijving gegeven van de verrichte werkzaamheden. Op de factuur van [B.V. 2] staat geen adressering en de factuur is gericht aan ‘ [nummer] Garantie te claimen’. Verder staat dat de diensten zijn verricht door een garantie medewerker. Onduidelijk is wat de status en doel van de factuur is. De rechtbank zal dus voor de beoordeling van deze zaak geen acht slaan op de betreffende stukken. Op grond van het procesreglement worden de stukken wel toegevoegd aan het procesdossier. Toepassing taxatiemhetode? 5. Belanghebbende stelt dat voor het bepalen van de verschuldigde bpm de taxatiemethode moet worden toegepast. De inspecteur stelt dat uit het taxatierapport bij de aangifte volgt dat er schade zou zijn aan de waterpomp en aan de koplampen. Dit zijn volgens de inspecteur essentiële gebreken, waardoor de taxatiemethode niet kan worden toegepast. 5.1. De rechtbank stelt voorop dat de toepassing van de taxatiemethode is beperkt tot een voertuig met meer dan normale gebruiksschade en/of een motorrijtuig dat niet voorkomt op een koerslijst. Voor een vanuit het buitenland overgebracht, gebruikt motorrijtuig die niet voldoet aan de eisen, bedoeld in de hoofdstukken 5 en 7 van de Regeling voertuigen, waardoor met de auto niet kan of mag worden deelgenomen aan het verkeer, kan de taxatiemethode niet worden toegepast. Dat moet worden bepaald naar de (verwachte) staat waarin het motorrijtuig verkeert op het tijdstip van het belastbaar feit. 5.2. Uit het rapport van DRZ blijkt dat de waterpomp is gecontroleerd en daaraan geen (essentieel) gebrek is geconstateerd (zie 3.2). Verder volgt uit het rapport van DRZ dat er vocht achter de lenskap aanwezig was, maar dat de lamp wel functioneert (zie ook 3.2). Dat betekent dat de rechtbank ervan uitgaat dat de auto op het tijdstip van het belastbaar feit geen essentiële gebreken had waardoor met de auto niet kan of mag worden deelgenomen aan het verkeer . De taxatiemethode kan dus worden toegepast. Ontbreken inkoopfactuur 5.3. De inspecteur stelt verder nog dat de inkoopfactuur ontbreekt bij de stukken. Volgens de inspecteur moet het taxatierapport van belanghebbende daarom buiten beschouwing blijven. 5.4. De rechtbank ziet in het ontbreken van de inkoopfactuur geen aanleiding om het taxatierapport in het geheel terzijde te schuiven. Wel kan het gevolgen hebben voor de bewijskracht die aan het taxatierapport toekomt. Historische nieuwprijs 5.5. Belanghebbende stelt dat in het DRZ-rapport de historische nieuwprijs te laag is vastgesteld en dat deze moet worden vastgesteld op € 203.260. De inspecteur heeft zich, gelet op het arrest van de Hoge Raad van 22 december 2023 , daarbij aangesloten. De rechtbank ziet geen reden anders te beslissen. Handelsinkoopwaarde 5.6. Belanghebbende stelt dat de handelsinkoopwaarde uit de koerslijst van Eurotax als uitgangspunt moet worden gehanteerd. Uit deze koerslijst volgt een handelsinkoopwaarde van € 101.430. De inspecteur heeft dat gemotiveerd betwist. 5.7. De rechtbank is van oordeel dat de koerslijst van Eurotax in dit geval niet kan worden gebruikt. Uit de VIN-gegevens van de auto blijkt dat de taxateur van belanghebbende te weinig opties heeft geselecteerd. Verder heeft belanghebbende – tegenover de betwisting door de inspecteur – niet aannemelijk gemaakt dat de zogenoemde ‘bijstelling aantal eigenaren’ kan worden aangevinkt. De rechtbank neemt daarom de handelsinkoopwaarde van € 114.198 uit de koerslijst van Xray die door DRZ is gehanteerd tot uitgangspunt. 5.8.
Volledig
De inspecteur stelt zich op het standpunt dat als de historische nieuwprijs van de auto hoger is dan van de referentieauto dit er ook toe leidt dat de handelsinkoopwaarde van de auto hoger is. De rechtbank volgt de inspecteur niet in zijn standpunt dat een correctie moet worden gemaakt op de koerslijstwaarde van de referentieauto. Voor zover het verschil is veroorzaakt door een verschil in opties, uitvoering of motormanagement, heeft belanghebbende gemotiveerd aangevoerd dat hiermee bij het invullen van de gegevens voor de koerslijst rekening is gehouden en deze dus zijn verdisconteerd in de koerslijstwaarde. Gelet op het geringe verschil in CO2-uitstoot tussen de referentieauto en de auto ziet de rechtbank geen reden om te oordelen dat dit aanleiding is voor een waardecorrectie. 5.9. De rechtbank stelt de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat voor auto daarom vast op € 114.198, zoals volgt uit de koerslijst van Xray die bij de hertaxatie is gebruikt. Waardevermindering wegens schade 5.10. De taxateur van belanghebbende heeft schade geconstateerd voor een bedrag van € 31.115 en deze voor 85% op de handelsinkoopwaarde in mindering gebracht. De hertaxateur van DRZ heeft schade aan de auto geconstateerd voor een bedrag van € 7.488 en deze voor 72% in mindering gebracht. 5.11. De rechtbank is van oordeel dat belanghebbende – gelet op de gemotiveerde betwisting door de inspecteur – aan de hand van het taxatierapport en foto’s niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van meer schade dan door de hertaxateur van DRZ in aanmerking is genomen. Evenmin maakt belanghebbende aannemelijk dat meer dan 72% van de herstelkosten in mindering moet worden gebracht. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat de auto destijds zo’n anderhalf jaar oud was en 24.131 kilometer had gereden. Ook is niet aannemelijk dat de aard van de te herstellen schade een hoger percentage rechtvaardigt. Het beleid dat binnen de branche zou bestaan leidt niet tot een ander oordeel. Tussenconclusie naheffingsaanslag 5.12. Het voorgaande betekent de naheffingsaanslag wel terecht aan belanghebbende is opgelegd, maar tot een te hoog bedrag vastgesteld. Uitgaande van een historische nieuwprijs van € 203.260, een handelsinkoopwaarde van € 114.198, een bruto Bpm van € 55.378 en een extra leeftijdskorting van € 1.844 berekent de rechtbank de verschuldigde Bpm op € 27.800. Belanghebbende heeft een bedrag aan Bpm voldaan van € 20.811 zodat de naheffingsaanslag moet worden verminderd naar € 6.989. De belastingrentebeschikking moet dienovereenkomstig worden verminderd. Vergoeding van immateriële schade 6. Belanghebbende heeft in het beroepschrift van 24 oktober 2023 verzocht om toekenning van een schadevergoeding vanwege de overschrijding van de redelijke termijn waarbinnen het onderhavige geschil beslecht had moeten zijn. 6.1. De rechtbank stelt vast dat de inspecteur het bezwaarschrift op 30 november 2022 heeft ontvangen. De rechtbank doet uitspraak op 1 april 2026. De redelijke termijn van twee jaar is met afgerond 17 maanden overschreden. Belanghebbende heeft recht op een schadevergoeding van € 1.500. 6.2. Omdat de bezwaarfase afgerond 11 maanden heeft geduurd en daarmee 5 maanden te lang, komt € 441 (5/17e) voor rekening van de inspecteur en de rest (€ 1.059) voor rekening van de Staat. De rechtbank merkt de Staat in zoverre mede aan als partij in dit geding. Conclusie en gevolgen 7. Het beroep is gegrond. Dat betekent dat de naheffingsaanslag wordt verminderd tot € 6.989 en de belastingrentebeschikking dienovereenkomstig wordt verminderd. Belanghebbende heeft verder recht op een vergoeding van immateriële schade van € 1.500. Omdat het beroep gegrond is, moet de inspecteur het griffierecht aan belanghebbende vergoeden en krijgt belanghebbende ook een vergoeding van zijn proceskosten. 7.1. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt belanghebbende een vast bedrag per proceshandeling. In bezwaar heeft elke proceshandeling een waarde van € 666. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 934. De gemachtigde heeft een bezwaarschrift ingediend, de hoorzitting bijgewoond, een beroepschrift ingediend en heeft aan de zitting van de rechtbank deelgenomen. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 3.200. Beslissing De rechtbank: verklaart het beroep gegrond; vernietigt de uitspraak op bezwaar: vermindert de naheffingsaanslag tot een bedrag van € 6.989 en vermindert de belastingrentebeschikking dienovereenkomstig; veroordeelt de inspecteur tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade van € 441; veroordeelt de Staat tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade van € 1.059; veroordeelt de inspecteur tot betaling van € 3.200 aan proceskosten aan belanghebbende; bepaalt dat de inspecteur het griffierecht van € 184 aan belanghebbende moet vergoeden. Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. S.J. Willems-Ruesink, rechter, in aanwezigheid van mr. F.E.M. Houben, griffier, op 1 april 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. griffier rechter De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld. Aan deze uitspraak hoeft eerst uitvoering te worden gegeven als de uitspraak onherroepelijk is geworden. De uitspraak is onherroepelijk als niet binnen zes weken na verzending van de uitspraak een rechtsmiddel is aangewend of onherroepelijk op het aangewende rechtsmiddel is beslist. Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch. Artikel 2.16 van het Procesreglement bestuursrecht rechtbanken, Staatscourant 2023, 32442. Artikel 10, zevende lid, van de Wet BPM. Artikel 8, lid 3, van de Uitvoeringsregeling BPM bewerkstelligt dat. Vgl. Hoge Raad 26 maart 2021, ECLI:NL:HR:2021:415. Gelet op hoofdstukken 5 en 7 van de Regeling voertuigen. Vgl. Hof ’s-Hertogenbosch 10 mei 2023, ECLI:NL:GHSHE:2023:1520. Hoge Raad 22 december 2023, ECLI:NL:HR:2023:1703. Artikel 27h, derde lid en artikel 28, zevende lid AWR.