Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2026-04-02
ECLI:NL:RBZWB:2026:2470
Bestuursrecht; Belastingrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,029 tokens
=== VOLLEDIG ===
ECLI:NL:RBZWB:2026:2470 text/xml public 2026-04-09T10:05:19 2026-04-02 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-04-02 24/5906 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Breda Bestuursrecht; Belastingrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:2470 text/html public 2026-04-09T10:03:18 2026-04-09 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBZWB:2026:2470 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 02-04-2026 / 24/5906 Motorrijtuigenbelasting, verjaring, beroep ongegrond. RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Zittingsplaats Breda Belastingrecht zaaknummer: BRE 24/5906 uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 2 april 2026 in de zaak tussen [belanghebbende], uit [plaats] (Slowakije), belanghebbende, en de ontvanger van de Belastingdienst, de ontvanger. Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de ontvanger van 20 juni 2024. 1.1. De ontvanger heeft aan belanghebbende met dagtekening 23 april 2024 een beschikking invorderingsrente vastgesteld ten bedrage van € 237 (de rentebeschikking). 1.2. De ontvanger heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard. 1.3. De ontvanger heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. 1.4. Belanghebbende heeft na ontvangst van het verweerschrift nadere stukken ingediend en een nadere reactie gegeven. 1.5. Partijen hebben de rechtbank laten weten dat zij een zitting niet nodig achten. De rechtbank heeft daarop het onderzoek gesloten en de zaak niet behandeld op een zitting. Feiten 2. In het kader van de betekeningskosten van een aan belanghebbende uitgevaardigd dwangbevel in verband met zijn openstaande motorrijtuigenbelastingschuld heeft de Hoge Raad geoordeeld: 4.5.1 (…) Dit een en ander brengt mee dat ervan moet worden uitgegaan dat die aanmaning niet op de in artikel 3:41, lid 1, Awb bedoelde wijze aan belanghebbende is bekendgemaakt. Dit heeft, gelet op de hoofdregel van artikel 12 IW 1990, tot gevolg dat de Ontvanger geen dwangbevel mocht uitvaardigen (…) 2.1. In de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem Leeuwarden van 23 januari 2024, is bepaald dat de ontvanger aan belanghebbende een dwangsom moet betalen van € 1.352 te vermeerderen met de wettelijke rente over deze dwangsom. 2.2. Op 21 februari 2024 heeft de ontvanger aan belanghebbende in een beschikking aangekondigd dat de ontvanger de verschuldigde dwangsom van € 1.352 en de daarover verschuldigde wettelijke rente zal verrekenen. 2.3. Bij brief van 23 april 2024 heeft de ontvanger aan belanghebbende medegedeeld dat hij de verschuldigde dwangsom heeft verrekend met de openstaande aanslag Motorrijtuigenbelasting 2012 (aanslag Mrb 2012) en tevens bij beschikking de invorderingsrente vastgesteld op € 237. Beoordeling door de rechtbank 3. De rechtbank beoordeelt of de rentebeschikking terecht aan belanghebbende is opgelegd. Meer specifiek beoordeelt de rechtbank of de aanslag Mrb 2012 is verjaard als gevolg waarvan de rentebeschikking ten onrechte aan belanghebbende is opgelegd. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende. 3.1. Naar het oordeel van de rechtbank is de aanslag Mrb 2012 niet verjaard en is de rentebeschikking terecht aan belanghebbende opgelegd . Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Motivering Vooraf 3.2. Belanghebbende heeft een (voorlopige) vrijstelling van betaling van het griffierecht gekregen vanwege betalingsonmacht en dus geen griffierecht betaald. Naar het oordeel van de rechtbank is de vrijstelling van betaling van het griffierecht terecht aan belanghebbende verleend. Belanghebbende hoeft dus geen griffierecht te betalen voor deze beroepsprocedure. De rentebeschikking 3.3. Belanghebbende stelt dat de aanslag Mrb 2012 is verjaard per 1 september 2021 en daarom ten onrechte de rentebeschikking is vastgesteld met dagtekening 23 april 2024. Volgens belanghebbende kan het in de eerdere procedure aan de orde zijnde dwangbevel (zie r.o. 2) niet dienen als een stuitingshandeling waardoor de aanslag Mrb 2012 op de datum van de rentebeschikking reeds was verjaard. Belanghebbende stelt nog dat uit de rentebeschikking onvoldoende blijkt hoe de hoogte ervan is berekend. 3.4. De ontvanger stelt zich op het standpunt dat de verjaring van de aanslag Mrb 2012 is gestuit door het dwangbevel dat op 6 september 2019 is betekend (zie r.o. 2). Volgens de ontvanger is in een eerdere procedure geoordeeld dat de voorafgaande aanmaning niet op de juiste wijze bekend was gemaakt en daarom het door belanghebbende ingestelde beroep tegen de betekeningskosten gegrond was. Dit doet volgens de ontvanger niet af aan het feit dat belanghebbende met het door hem ontvangen dwangbevel op de hoogte was van de openstaande aanslag Mrb 2012. Met het dwangbevel heeft de ontvanger uitdrukkelijk aanspraak gemaakt op de betaling van deze openstaande belastingaanslag, aldus de ontvanger. De ontvanger stelt nog dat ook andere handelingen hebben plaatsgevonden die stuiting van de aanslag Mrb 2012 tot gevolg hadden. De ontvanger noemt daartoe onder meer de mededeling verrekening met dagtekening 26 juli 2018, waarmee aan belanghebbende kenbaar is gemaakt dat een negatieve aanslag inkomstenbelasting/premies volksverzekeringen 2017 (gedeeltelijk) is verrekend met de aanslag Mrb 2012. 3.5. De rechtbank overweegt allereerst dat een rechtsvordering tot betaling van een geldsom vijf jaren nadat de voorgeschreven betalingstermijn is verstreken verjaart. Het bestuursorgaan kan de verjaring onder meer stuiten door een beschikking tot verrekening. De aanslag Mrb 2012 is gedagtekend op 17 augustus 2016 en de betalingstermijn liep tot en met 31 augustus 2016. De verjaringstermijn van de aanslag ving daarom aan op 1 september 2016 en zou zonder stuiting zijn verjaard op 1 september 2021. 3.6. De inspecteur heeft onweersproken gesteld dat er reeds op 26 juli 2018 een mededeling verrekening is gestuurd waarmee de verjaring van de betreffende aanslag is gestuit. De vordering was dan op 23 april 2024 sowieso nog niet verjaard ongeacht of het versturen van het dwangbevel van 6 september 2019 leidt tot stuiting van de verjaring of niet. De inspecteur heeft op die datum de betreffende aanslag motorrijtuigenbelasting verrekend met de door belanghebbende te ontvangen dwangsom. Daarmee was de betreffende aanslag volledig voldaan. De rentebeschikking is daarom terecht door de ontvanger vastgesteld. Naar het oordeel van de rechtbank is de rentebeschikking ook voldoende onderbouwd. Ook het overige door belanghebbende aangevoerde kan naar het oordeel van de rechtbank niet leiden tot een ander oordeel. De rechtbank ziet geen aanleiding tot het stellen van prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie, zoals door belanghebbende was verzocht. Schadevergoeding 3.7. Belanghebbende heeft aanspraak gemaakt op € 270 vanwege materiele schade en € 1.000 immateriële schade vanwege spanning en frustratie. Belanghebbende komt alleen in aanmerking voor vergoeding van materiele schade als zijn beroep gegrond is. De rechtbank wijst daarom het verzoek van belanghebbende af. De rechtbank is van oordeel dat de door belanghebbende gestelde immateriële schade evenmin in aanmerking komt voor vergoeding. De redelijke termijn voor de bezwaar- en beroepsprocedure is op de datum van de uitspraak niet verstreken. Naar het oordeel van de rechtbank heeft belanghebbende daarom geen recht op vergoeding van immateriële schade. Conclusie en gevolgen 4. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de rentebeschikking gehandhaafd blijft. Belanghebbende krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. J.H. Bogert, rechter, in aanwezigheid van mr. R.M.P. Dees, griffier, op 2 april 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. griffier rechter De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.