Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2026-03-02
ECLI:NL:RBZWB:2026:2437
Civiel recht; Personen- en familierecht
Rekestprocedure
2,042 tokens
=== VOLLEDIG ===
ECLI:NL:RBZWB:2026:2437 text/xml public 2026-04-10T14:35:03 2026-04-02 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-03-02 C/02/432445 / FA RK 25-1034 Uitspraak Rekestprocedure NL Breda Civiel recht; Personen- en familierecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:2437 text/html public 2026-04-02T12:28:55 2026-04-10 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBZWB:2026:2437 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 02-03-2026 / C/02/432445 / FA RK 25-1034 Ouderschapsplan is door beide partijen ondertekend. De vrouw komt hier ter zitting op terug en stelt dat zij zich onder druk gezet voelde om te tekenen. Ouderschapsplan desondank door de rechtbank bekrachtigt. beschikking RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Team Familie- en Jeugdrecht Locatie Breda Zaaknummer: C/02/432445 / FA RK 25-1034 datum uitspraak: 15 januari 2026 nadere beschikking over het hoofdverblijf en de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken in de zaak van [de man] , hierna: de man, wonende in [woonplaats 1] , advocaat: mr. M.J.E.M. Edelmann te Breda , tegen [de vrouw] , hierna: de vrouw, wonende in [woonplaats 2] , advocaat: mr. D.C.M. Smeulders-Martens te Raamsdonksveer, over de minderjarigen: - [minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 2015, hierna: [minderjarige 1] , - [minderjarige 2] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 2] 2016, hierna: [minderjarige 2] . Op grond van artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering heeft de Raad voor de Kinderbescherming , regio Zuidwest Nederland, locatie Breda, hierna: de Raad, de rechtbank over de verzoeken geadviseerd. 1 Het nadere procesverloop 1.1. De rechtbank oordeelt op grond van de navolgende stukken: - de beschikking van 17 juni 2025 en alle daarin genoemde stukken; - het raadsrapport van 27 oktober 2025; - het F9-formulier van 7 november 2025 van mr. Smeulders-Martens; - het bericht van 26 november 2025 van mr. Edelmann; - het F9-formulier met als bijlage het ondertekende ouderschapsplan van 9 januari 2026 van mr. Smeulders-Martens; - het F9-formulier van 12 januari 2026 van mr. Edelmann. 1.2. De verzoeken zijn behandeld ter zitting van 15 januari 2026. Bij die gelegenheid zijn verschenen partijen en hun advocaten. Tevens was aanwezig een medewerker namens de Raad. 1.3. Gelet op de nauwe samenhang van de onderhavige door partijen ingediende verzoeken met het door de Raad ingediende verzoek in de zaak C/02/441234 / JE RK 25-1917, zijn deze verzoeken gezamenlijk mondeling behandeld. In dat kader is bij de mondelinge behandeling tevens verschenen een medewerkster namens de GI. In beide zaken wordt een afzonderlijke beschikking afgegeven. 1.4. De kinderrechter heeft [minderjarige 1] en [minderjarige 2] naar hun mening gevraagd. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren. 2 De nadere feiten 2.1. Bij beschikking van deze rechtbank van 17 juni 2025 heeft de rechtbank de Raad verzocht een onderzoek in te stellen ter beantwoording van de in rechtsoverweging 4.5. vermelde vragen en daarover te rapporteren en te adviseren. De rechtbank heeft het rapport op 27 oktober 2025 van de Raad ontvangen. 3 De verzoeken 3.1 De man verzoekt: - te bepalen dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hun hoofdverblijfplaats krijgen bij de man; - te bepalen dat een zorg- en contactregeling wordt vastgelegd, bestaande uit een week bij de ene ouder en een week bij de andere ouder. 3.2. De vrouw is het niet eens met de verzoeken van de man en verzoekt deze verzoeken af te wijzen. 3.3. De vrouw verzoekt zelfstandig: - de hoofdverblijfplaats van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij haar te bepalen. 3.4. Op de standpunten van partijen wordt, voor zover van belang voor de beoordeling van de verzoeken, hierna ingegaan. 4 De beoordeling Inhoudelijke beoordeling 4.1. Ingevolge artikel 1:253a lid 1 BW kunnen geschillen omtrent de gezamenlijke uitoefening van het gezag op verzoek van de ouders of van een van hen aan de rechtbank worden voorgelegd. De rechtbank neemt alsdan een zodanige beslissing als haar in het belang van het kind wenselijk voorkomt. 4.2. De rechtbank heeft met partijen en hun advocaten en de Raad gesproken over het door partijen bij de GezinsManager ondertekende ouderschapsplan. Partijen hebben de rechtbank voorafgaande aan de mondelinge behandeling bericht dat zij tot een ouderschapsplan zijn gekomen en beide partijen gaven aan dat de zaak verder schriftelijk kon worden afgedaan. De rechtbank heeft echter besloten om onderhavige verzoeken toch gezamenlijk met het verzoek van de Raad ter zitting te behandelen teneinde hierover met partijen van gedachten te kunnen wisselen. 4.3. Ter zitting is door de advocaat van de vrouw naar voren gebracht dat de vrouw de gesprekken met de GezinsManager over het ouderschapsplan als moeizaam heeft ervaren. Zij voelde veel druk om in te stemmen met co-ouderschap. Zij heeft getekend maar staat daar eigenlijk niet volledig achter. De advocaten van partijen zijn ook niet betrokken geweest bij de totstandkoming van het ouderschapsplan. De advocaat van de vrouw bepleit daarom dat het ouderschapsplan nog niet definitief kan worden vastgesteld. Dat betekent dat er vooralsnog niets verandert aan de afspraken tussen partijen. Daarentegen bepleit de advocaat van de man dat de onderlinge regelingen uit het ouderschapsplan wel kunnen worden vastgesteld, de vrouw heeft het ouderschapsplan immers willens en wetens ondertekend. De Raad heeft de rechtbank vervolgens geadviseerd om de verzoeken over de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken en het hoofdverblijf aan te houden in afwachting van de uitkomsten van de hulpverlening vanuit de GezinsManager en de interventies vanuit de GI in het kader van de ondertoezichtstelling. Daartoe heeft de Raad naar voren gebracht dat hoewel de ouders een co-ouderschapsregeling zijn overeengekomen de daarvoor benodigde samenwerking ontbreekt. Daarnaast hebben de minderjarigen aangegeven geen co-ouderschapsregeling te willen. Tot slot heeft de GI aangegeven dat het voor de uitvoering van de ondertoezichtstelling geen probleem is als het overeengekomen ouderschapsplan wordt vastgesteld. 4.4. De rechtbank begrijpt dat het voor partijen, en zo blijkt met name voor de vrouw ingewikkeld is dat het ouderschapsplan tot stand is gekomen zonder de betrokkenheid van hun advocaten. Echter, dit is wel een keuze die zij zelf heeft gemaakt. Datzelfde geldt voor het feit dat beiden partijen het ouderschapsplan hebben ondertekend. Dat de vrouw nu stelt dat zij onder druk is gezet om in te stemmen met ouderschapsplan waarin onder andere afspraken over co-ouderschap en het hoofdverblijf zijn gemaakt, heeft zij naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende nader onderbouwd. Voor de rechtbank is niet duidelijk wat dit gevoel heeft veroorzaakt of waar het gevoel vandaan komt. Dit kan naar het oordeel van de rechtbank een terzijdelegging van het door beiden partijen ondertekende ouderschapsplan dan ook niet rechtvaardigen. Bovendien heeft de vrouw het ouderschapsplan op enig moment na ondertekening met haar advocaat besproken, de advocaat van de vrouw heeft het ouderschapsplan immers op 9 januari 2026 aan de rechtbank doen toekomen met daarbij het bericht dat wat de vrouw betreft alle discussies over de hoofdverblijfplaats en de zorgregeling zijn afgerond. 4.5. Alles overziende is de rechtbank van oordeel dat het voor partijen en [minderjarige 1] en [minderjarige 2] het beste is als de onderlinge regelingen uit het ouderschapsplan, waaronder de co-ouderschapsregeling en het hoofdverblijf wel nu worden vastgelegd. Daarmee wordt de situatie zoals die nu is bestendigd, partijen geven immers al enige tijd uitvoering aan de regelingen uit het ouderschapsplan. In het kader van de ondertoezichtstelling zal onder regie van de GI worden onderzocht wat uiteindelijk in het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] is, welke zorgregeling hierbij past en in hoeverre een co-ouderschapsregeling uitvoerbaar is.