Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2026-04-01
ECLI:NL:RBZWB:2026:2433
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Mondelinge uitspraak
1,174 tokens
=== VOLLEDIG ===
ECLI:NL:RBZWB:2026:2433 text/xml public 2026-04-09T14:00:26 2026-04-01 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-04-01 26/1878 BESLU Uitspraak Mondelinge uitspraak Proces-verbaal Voorlopige voorziening NL Middelburg Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:2433 text/html public 2026-04-08T13:28:29 2026-04-09 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBZWB:2026:2433 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 01-04-2026 / 26/1878 BESLU voorlopige voorziening afgewezen. RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Middelburg Bestuursrecht zaaknummer: BRE 26/1878 BESLU VV proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van 1 april 2026 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen [verzoeker] , uit [plaats] , verzoeker en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Tilburg. Inleiding 1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker inzake de mededeling dat hij de opvanglocatie aan [adres] te [plaats] moet verlaten. 1.1. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 1 april 2026 op zitting behandeld in Breda. Namens het college heeft hieraan deelgenomen [vertegenwoordiger college] . Verzoeker is niet verschenen. 1.2. Na afloop van de zitting heeft de voorzieningenrechter onmiddellijk uitspraak gedaan. Voorgeschiedenis 2. Verzoeker heeft de Marokkaanse nationaliteit en behoort tot de categorie derdelanders uit Oekraïne. Verzoeker verblijft in de opvanglocatie aan [adres] te [plaats] . 2.1. Met het besluit van 13 augustus 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie aan verzoeker meegedeeld dat hij binnen 4 weken na 4 september 2025 moet terugkeren naar zijn land van herkomst (het terugkeerbesluit). Het beroep dat verzoeker tegen dit besluit heeft ingesteld is op 26 februari 2026 ongegrond verklaard. 2.2. Met de brief van 9 maart 2026 is aan verzoeker meegedeeld dat hij de opvang uiterlijk op 7 april 2026 moet verlaten. Verzoeker heeft bezwaar gemaakt tegen deze brief. Hij heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat er nog geen definitief besluit is genomen over zijn terugkeer. Als hij verplicht wordt te vertrekken dan wordt hij dakloos en is er sprake van disproportionele en onomkeerbare gevolgen voor zijn welbevinden. Tevens heeft hij aan de voorzieningenrechter gevraagd een voorlopige voorziening te treffen. Beoordeling door de voorzieningenrechter 3. Verzoeker heeft verzocht om vrijstelling van het betalen van griffierecht wegens betalingsonmacht. Omdat niet gebleken is dat verzoeker enig inkomen heeft, wordt dat verzoek toegewezen. 3.1. Het is de voorzieningenrechter niet gebleken dat verzoeker andere opvang heeft. Dat verzoeker een spoedeisend belang heeft, wordt daarom aangenomen. 3.2. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de brief van 9 maart 2026 geen besluit is in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht, waartegen bezwaar kan worden gemaakt. Met deze brief zijn de rechten en plichten van verzoeker namelijk niet gewijzigd. Met het terugkeerbesluit is zijn recht op opvang immers al komen te vervallen. Met de brief van 9 maart 2026 is verzoeker alleen geïnformeerd over de gevolgen van dit terugkeerbesluit, namelijk dat hij de opvang moet verlaten. 3.3. Gelet op artikel 72, derde lid, van de Vreemdelingenwet (Vw), in samenhang bezien met de ‘handreiking vertrek derdelanders’ heeft verzoeker echter wel toegang tot de bestuursrechter. Op grond van artikel 72, derde lid, van de Vw wordt een handeling van een bestuursorgaan ten aanzien van een vreemdeling namelijk gelijkgesteld met een besluit. In de handreiking wordt ook naar dit artikel gewezen. De mogelijkheid om bezwaar te maken is echter beperkt tot de wijze waarop het college overgaat tot de feitelijke beëindiging van de opvang. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan een beëindiging op een voor de betrokkene ongeschikt moment. 3.4. De voorzieningenrechter stelt vast dat de bezwaren van verzoeker zien op de beëindiging van de opvang op zich. Dat de opvang wordt beëindigd, volgt echter al direct uit het terugkeerbesluit en kan daarom in deze procedure niet aan de orde komen. Dat betekent dat het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening wordt afgewezen. Beslissing De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af. Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 1 april 2026 door mr. I.M. Josten, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A.J.M. van Hees, griffier. griffier voorzieningenrechter Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op: Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.