Rechtspraak Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-01-20
ECLI:NL:RBZWB:2026:240
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Bestuursrecht zaaknummer: BRE 24/8062 JW uitspraak van 20 januari 2026 van de meervoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , uit [plaats] , eiser, gemachtigde: [gemachtigde] , en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Waalwijk (het college), verweerder. Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank eisers beroep tegen een besluit van het college over zijn recht op een persoonsgebonden budget (pgb) op grond van de Jeugdwet (Jw). 1.1. Het college heeft in een besluit van 19 april 2024 (primair besluit) eisers aanvraag om een pgb op grond van de Jw afgewezen. 1.2. Het college heeft in het bestreden besluit van 15 oktober 2024 eisers bezwaren tegen het primaire besluit gegrond verklaard. Het college heeft alsnog een pgb toegekend voor 688 uren aan informele begeleiding individueel en 62 uren aan informele persoonlijke verzorging individueel. Het pgb is toegekend voor de periode van 1 april 2024 tot en met 5 april 2025, waarmee de voorzieningen eindigden op de dag dat eiser achttien jaar werd. 1.3. Het college heeft op eisers beroep gereageerd middels een verweerschrift. 1.4. De rechtbank heeft het beroep op 10 december 2025 op zitting behandeld. Eiser werd vertegenwoordigd door zijn gemachtigde, bijgestaan door eisers moeder. Het college werd vertegenwoordigd door mr. H. Siragedik en [naam]. Overwegingen Relevante feiten en omstandigheden 2. Eiser, geboren op [datum] 2007, heeft de diagnoses ASS, ADHD en Gilles de la Tourette. Daarnaast is sprake van een niet-verbale leerstoornis, een gedefragmenteerde perceptie en chronische angst met een gemiddelde intelligentie. Eisers problematiek zorgt ervoor dat hij aansturing en begeleiding nodig heeft bij dagelijkse taken. Eiser heeft het college in november 2023 verzocht om verlenging van zijn Jeugdwet-indicatie en daartoe een persoonlijk plan voor een pgb ingediend. Op 20 februari 2024 heeft een keukentafelgesprek met eiser plaatsgevonden, gevolgd door een gesprek met zijn moeder op 14 maart 2024. Het college heeft op 8 april 2024 een plan van aanpak toegezonden, dat door eiser op 12 april 2024 ondertekend is geretourneerd. Daarbij heeft eiser vermeld dat hij niet akkoord is met de inhoud van het plan en heeft hij verwezen naar een bijlage met een nadere toelichting. Het college is vervolgens overgegaan tot het nemen van de bestreden besluitvorming. Hij heeft in een besluit van 19 november 2024 aan eiser een proceskostenvergoeding toegekend van € 1.248,- voor gemaakte proceskosten in de bezwaarfase. Standpunt van het college 3. Het college stelt zich in het bestreden besluit op het standpunt dat bij eiser sprake is van voldoende eigen kracht. De vaststelling van de eigen kracht kan echter onvoldoende worden gemotiveerd vanuit de gemeentelijke verordening, waardoor een afwijzing van eisers aanvraag niet op deze verordening kan worden gebaseerd. Dit betekent volgens het college nog niet dat een voorziening voor onbepaalde tijd moet worden toegekend, omdat hij na aanpassing van de verordening binnen een redelijke termijn kan beoordelen of de betrokkene nog steeds in aanmerking komt voor de gewenste voorzieningen. Het college heeft daarom een pgb aan eiser toegekend over de periode van 1 april 2024 tot en met 5 april 2025, waarmee de voorzieningen eindigden op de dag dat eiser achttien jaar werd. Eisers beroepsgronden 4. Eiser voert aan dat de looptijd van de toegekende voorziening langer had moeten zijn. Daarnaast stelt hij dat het pgb niet kan worden uitbetaald, omdat in het bestreden besluit geen pgb-tarief is vastgesteld en geen budget is gereserveerd bij de Sociale Verzekeringsbank (Svb). Hij voert verder aan dat het aantal toegekende uren jeugdhulp onvoldoende is, nu zijn persoonlijke situatie is gewijzigd. Sinds 14 februari 2024 zit hij vrijwel volledig thuis en heeft hij naar eigen zeggen meer begeleiding nodig dan in de periode waarin hij nog naar school ging. Tot slot stelt hij dat ten onrechte geen proceskostenvergoeding i Hoewel het – zoals ook erkend door het college ter zitting – wel gebruikelijk is om dit te doen, volgt uit de Jw en de daarop gebaseerde rechtspraak niet dat het pgb-tarief in het toekenningsbesluit zelf moet staan. Ook de gemeentelijke regelgeving bevat geen dergelijke verplichting. Artikel 4.1 van de Verordening jeugdhulp gemeente Waalwijk 2023 (Verordening) bepaalt enkel dat het college een individuele voorziening toekent bij beschikking. Artikel 4.6 schrijft voor dat in de beschikking wordt vermeld of de voorziening in natura of als pgb wordt verstrekt, en hoe bezwaar kan worden gemaakt, maar over het opnemen van het tarief wordt niets geregeld. Artikel 5.7 van de Beleidsregels jeugdhulp Waalwijk 2019 bepaalt slechts dat het pgb wordt afgeleid van de tarieven voor zorg in natura, waarbij voor formele zorg 90% van dat tarief geldt en voor informele zorg 50%. Het concrete pgb-tarief volgt overigens wel uit artikel 4.7, zesde lid, van de Verordening, waarin staat dat pgb-zorg wordt verstrekt tegen de tarieven in Bijlage 1. Die bijlage vermeldt voor informele begeleiding en persoonlijke verzorging een tarief van € 16,48 per uur. Eiser kon hiermee dus bekend zijn, en hij heeft ook niet gesteld dat dit anders is. De rechtbank oordeelt daarom dat aan het bestreden besluit geen gebrek kleeft, enkel omdat het pgb-tarief daarin niet afzonderlijk is vermeld. De rechtbank volgt eiser ook niet in zijn stelling dat de toegekende voorziening niet kan worden uitbetaald, omdat geen budget is gereserveerd bij de Svb. Dit betreft namelijk een uitvoeringsaspect dat niet raakt aan de rechtmatigheid van het bestreden besluit. Conclusie 10. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.M.L. van de Sande, voorzitter, en mr. R.J.H. van der Linden en mr. M. Koek, leden, in aanwezigheid van mr. M.I.P. Buteijn, griffier, op 20 januari 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. griffier voorzitter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Digitaal hoger beroep instellen kan via "Formulieren en inloggen" op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht. Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving Jeugdwet Artikel 2.3 1. Indien naar het oordeel van het college een jeugdige of een ouder jeugdhulp nodig heeft in verband met opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen en voor zover de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen ontoereikend zijn, treft het college ten behoeve van de jeugdige die zijn woonplaats heeft binnen zijn gemeente, voorzieningen op het gebied van jeugdhulp en waarborgt het college een deskundige toeleiding naar, advisering over, bepaling van en het inzetten van de aangewezen voorziening, waardoor de jeugdige in staat wordt gesteld: a. gezond en veilig op te groeien; b. te groeien naar zelfstandigheid, en c. voldoende zelfredzaam te zijn en maatschappelijk te participeren, rekening houdend met zijn leeftijd en ontwikkelingsniveau. 2. Voorzieningen op het gebied van jeugdhulp omvatten voor zover naar het oordeel van het college noodzakelijk in verband met een medische noodzaak of beperkingen in de zelfredzaamheid, het vervoer van een jeugdige van en naar de locatie waar de jeugdhulp wordt geboden. 3. Indien een jeugdige die de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt, aangewezen is op pe