Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2026-03-30
ECLI:NL:RBZWB:2026:2366
Bestuursrecht; Belastingrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,103 tokens
=== VOLLEDIG ===
ECLI:NL:RBZWB:2026:2366 text/xml public 2026-04-02T12:06:57 2026-03-30 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-03-30 24/778 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Breda Bestuursrecht; Belastingrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:2366 text/html public 2026-04-02T12:06:00 2026-04-02 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBZWB:2026:2366 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 30-03-2026 / 24/778 8:54, kennelijk niet-ontvankelijk. RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Belastingrecht zaaknummer: BRE 24/778 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 maart 2026 in de zaak tussen [belanghebbende], uit [plaats], belanghebbende, en de heffingsambtenaar van de gemeente Breda, de heffingsambtenaar. Inleiding 1. In deze uitspraak beslist de rechtbank over het beroep van belanghebbende tegen de bestreden uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar van 6 december 2023. Het beroep heeft betrekking op de naheffingsaanslag parkeerbelasting met [aanslagnummer] (de naheffingsaanslag). 1.1. Omdat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. Beoordeling door de rechtbank 2. De rechtbank komt tot het oordeel dat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is omdat een processueel belang bij de procedure ontbreekt. De rechtbank legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt. Motivering 3. Bij brief van 15 juli 2024 heeft de heffingsambtenaar de rechtbank laten weten dat de naheffingsaanslag is vernietigd. De heffingsambtenaar heeft belanghebbende verzocht het onderhavige beroep in te trekken, onder toezegging het betaalde griffierecht aan belanghebbende te vergoeden. 3.1. De rechtbank heeft belanghebbende bij brief van 17 juli 2024 verzocht om aan te geven of hij het beroep in wil trekken. Belanghebbende heeft bij brief van 5 oktober 2024 laten weten het beroep niet in te trekken, omdat hij ook de met de naheffingsaanslag samenhangende invorderingskosten terug wil krijgen. 3.2. De rechtbank stelt vast dat de heffingsambtenaar, nadat het beroep bij de rechtbank is ingesteld, alsnog aan het bezwaar van belanghebbende tegemoet is gekomen en de naheffingsaanslag heeft vernietigd. De heffingsambtenaar is daarmee – feitelijk – volledig tegemoetkomen aan het bezwaar van belanghebbende. Dit betekent dat belanghebbende niet in een betere positie kan komen door beroep in te stellen. Belanghebbende heeft dan ook geen processueel belang bij deze procedure. De rechtbank merkt daarbij op dat het geschil met betrekking tot de invordering van de naheffingsaanslag geen onderdeel uitmaakt van deze beroepsprocedure. De rechtbank komt daarom niet toe aan beoordeling van de invorderingskosten. 3.3. Aangezien geen sprake is van een processueel belang bij deze procedure verklaart de rechtbank het door belanghebbende ingestelde beroep tegen de uitspraak op bezwaar kennelijk niet-ontvankelijk. 3.4. In gevallen waarin een beroep niet-ontvankelijk wordt verklaard, omdat het bestuursorgaan geheel aan de bezwaren van de belanghebbende tegemoet is gekomen, behoort de heffingsambtenaar tot vergoeding van het griffierecht te worden gelast. 3.5. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding, omdat niet is gesteld of gebleken dat belanghebbende kosten heeft gemaakt die op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor vergoeding in aanmerking komen. Beslissing De rechtbank: verklaart het beroep niet-ontvankelijk; bepaalt dat de heffingsambtenaar het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 51 aan hem vergoedt. Deze uitspraak is gedaan door mr. J.A. den Braber-Riemens, rechter, in aanwezigheid van mr. F. de Jong, griffier, op 30 maart 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. griffier rechter De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld. Informatie over verzet Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.