Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2026-02-27
ECLI:NL:RBZWB:2026:2343
Civiel recht; Personen- en familierecht
Rekestprocedure
11,858 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBZWB:2026:2343 text/xml public 2026-04-02T11:47:27 2026-03-30 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-02-27 C/02/427834 / FA RK 24-4874 - C/02/444101 - C/02/444683 Uitspraak Rekestprocedure NL Middelburg Civiel recht; Personen- en familierecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:2343 text/html public 2026-04-02T11:47:02 2026-04-02 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBZWB:2026:2343 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 27-02-2026 / C/02/427834 / FA RK 24-4874 - C/02/444101 - C/02/444683 Ondertoezichtstelling toegewezen. Vervangende toestemming verhuizing, wijziging hoofdverblijf en wijziging zorgregeling afgewezen. Geen noodzaak voor verhuizing. In het kader van OTS moet duidelijk worden welk contact het meest in belang van mjs is. RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Familie- en Jeugdrecht Locatie Middelburg Zaaknummers: C/02/427834 / FA RK 24-4874 (hoofdverblijf, zorgregeling, vervangende toestemming verhuizing [minderjarige 1] ) C/02/444101 / JE RK 26-85 ( verzoek tot ondertoezichtstelling [minderjarige 1] ) C/02/444683 / JE RK 26-206 (verzoek tot ondertoezichtstelling [minderjarige 2] ) Datum uitspraak: 27 februari 2026 Beschikking betreffende de hoofdverblijfplaats, de zorgregeling, vervangende toestemming voor verhuizing en de ondertoezichtstelling in de zaak ( C/02/427834 / FA RK 24-4874) van [de moeder] , hierna te noemen: de moeder, wonende te [woonplaats 1] , advocaat: mr. W.J. Jurgers te Bergen op Zoom, tegen [de vader] , hierna te noemen: de vader, wonende te [woonplaats 2] , advocaat: mr. I. Dobbelaere-Woets te Terneuzen , en in de zaken ( C/02/444101 / JE RK 26-85 en C/02/444683 / JE RK 26-206) van de Raad voor de Kinderbescherming , locatie Middelburg, hierna te noemen: de Raad, over In C/02/427834 / FA RK 24-4874 en C/02/444101 / JE RK 26-85: [minderjarige 1] , geboren op [geboortedag 1] 2015 in [geboorteplaats 1] , hierna te noemen: [minderjarige 1] , In C/02/444683 / JE RK 26-206: [minderjarige 2] , geboren op [geboortedag 2] 2011 in [geboorteplaats 2] , hierna te noemen: [minderjarige 2] , Als belanghebbende in de zaak ( C/02/427834 / FA RK 24-4874) wordt gezien: mr. D.J.A. Burlet , advocaat in Oostburg, in haar functie als bijzondere curator over [minderjarige 1] . Op grond van artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering heeft de Raad voor de Kinderbescherming, regio Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg, hierna: de Raad, de rechtbank over dit verzoek geadviseerd. Als belanghebbenden in de zaak ( C/02/444101 / JE RK 26-85) worden gezien: [de moeder] , hierna te noemen: de moeder, wonende te [woonplaats 1] , advocaat: mr. W.J. Jurgers te Bergen op Zoom, [de vader] , hierna te noemen: de vader, wonende te [woonplaats 2] , advocaat: mr. I. Dobbelaere-Woets te Terneuzen , mr. D.J.A. Burlet , advocaat in Oostburg, in haar functie als bijzondere curator over [minderjarige 1] . Als belanghebbenden in de zaak ( C/02/444683 / JE RK 26-206) worden gezien: [de moeder] , hierna te noemen: de moeder, wonende te [woonplaats 1] , advocaat: mr. W.J. Jurgers te Bergen op Zoom, [de vader] , hierna te noemen: de (stief)vader, wonende te [woonplaats 2] , advocaat: mr. I. Dobbelaere-Woets te Terneuzen , Als informant wordt ( in de zaken C/02/444101 / JE RK 26-85 en C/02/444683 / JE RK 26-206) aangemerkt: Stichting Jeugdbescherming west Zeeland , hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (de GI), gevestigd te Middelburg. 1 Het verloop van de procedure 1.1. De rechtbank oordeelt op grond van de navolgende stukken: Inzake C/02/427834 / FA RK 24-4874: de tussenbeschikking van deze rechtbank van 21 juli 2025 en alle daarin vermelde stukken; het aanvullende verzoek van de moeder, tevens houdende een provisionele voorziening, ontvangen op 19 september 2025; de brief van mr. Jurgers met bijlage, ontvangen op 20 oktober 2025; het verweerschrift van de vader, tevens houdende zelfstandige verzoeken in de provisionele voorziening ( in de zaak met kenmerk C/02/440146 / FA RK 25-4913 ), ontvangen op 20 oktober 2025; de beschikking van deze rechtbank van 23 oktober 2025 ( in de zaak met kenmerk C/02/440146 / FA RK 25-4913 ); de adviesbrief en het raadsrapport van 9 januari 2026, ontvangen op 9 januari 2026; het bericht van de Raad met twee bijlagen van de moeder bij het raadsrapport, ontvangen op 9 januari 2026; de brief van mr. Jurgers met bijlage, ontvangen op 14 januari 2026; de adviesbrief en het raadsrapport van 9 januari 2026, met de daarbij behorende bijlagen, ontvangen op 14 januari 2026; de brief van mr. Jurgers met bijlagen, ontvangen op 16 januari 2026 en op 21 januari 2026; de brief van mr. Jurgers, ontvangen op 26 januari 2026; de brief van mr. Dobbelaere-Woets, met als bijlage het verweerschrift in de provisionele voorziening, ontvangen op 9 februari 2026; de brief van mr. Jurgers met bijlage, ontvangen op 11 februari 2026; de tijdens de zitting overgelegde brief van mr. Burlet van 3 februari 2026 met bijlage; de ter zitting van 12 februari 2026 overgelegde en voorgedragen pleitaantekeningen van mr. Jurgers. Inzake C/02/444101 / JE RK 26-85: het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 9 januari 2026; de brief van mr. Jurgers, ontvangen op 26 januari 2026; het bericht met bijlage van mr. Burlet van 3 februari 2026; de brief van mr. Dobbelaere-Woets, met als bijlage het verweerschrift in de provisionele voorziening, ontvangen op 9 februari 2026; de brief van mr. Jurgers met bijlage, ontvangen op 11 februari 2026; de ter zitting van 12 februari 2026 overgelegde en voorgedragen pleitaantekeningen van mr. Jurgers. Inzake C/02/444683 / JE RK 26-206: het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 9 januari 2026; de brief van mr. Jurgers, ontvangen op 26 januari 2026; de brief van mr. Dobbelaere-Woets, met als bijlage het verweerschrift in de provisionele voorziening, ontvangen op 9 februari 2026; de brief van mr. Jurgers met bijlage, ontvangen op 11 februari 2026; de ter zitting van 12 februari 2026 overgelegde en voorgedragen pleitaantekeningen van mr. Jurgers. 1.2. De zaken zijn tijdens de (nadere) mondelinge behandeling van 12 februari 2026 met gesloten deuren door de meervoudige kamer van de rechtbank gelijktijdig behandeld. Daarbij waren aanwezig: - de vader, bijgestaan door zijn advocaat; de moeder, bijgestaan door haar advocaat; mr. Burlet, als bijzondere curator voor [minderjarige 1] ; - een vertegenwoordigster van de Raad; - een vertegenwoordigster van de GI. 1.3. De voorzitter van de meervoudige kamer heeft [minderjarige 1] en [minderjarige 2] naar hun mening gevraagd. Zij heeft hierover op 16 januari 2026 met [minderjarige 1] gesproken en op 9 februari 2026 heeft zij met [minderjarige 1] en met [minderjarige 2] gesproken. Tijdens de zitting is samengevat wat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren. 2 De feiten 2.1. De ouders zijn met elkaar getrouwd geweest. Bij beschikking van deze rechtbank van 15 november 2022 is de echtscheiding uitgesproken en deze beschikking is op 6 december 2022 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand die daarvoor zijn bedoeld. 2.2. Tijdens het huwelijk van de ouders is [minderjarige 1] geboren. 2.3. Daarnaast behoorde tijdens het huwelijk tot het gezin van partijen [minderjarige 2] , de andere zoon van de moeder uit een eerdere relatie, geboren op [geboortedag 2] 2011 te [geboorteplaats 2] . 2.4. [minderjarige 1] heeft zijn hoofdverblijf bij de vader. [minderjarige 2] heeft zijn hoofdverblijf bij de moeder. 2.5. De moeder heeft de Indonesische nationaliteit, de vader de Nederlandse. 2.6. Bij vonnis in kort geding d.d. 1 november 2024 is de moeder veroordeeld tot nakoming van de in het ouderschapsplan van 12 augustus 2022, dat is gehecht aan de beschikking van 15 november 2022, vastgestelde zorgregeling, inhoudende dat partijen de zorgtaken over [minderjarige 1] evenredig verdelen, waarbij [minderjarige 1] steeds een aaneengesloten periode van een week bij ieder van de ouders verblijft, waarbij wordt gewisseld op zondag om 18:00 uur. Voorts is mr. Burlet benoemt tot bijzondere curator over [minderjarige 1] . 2.7.
Volledig
Bij tussenbeschikking van 21 juli 2025 heeft de rechtbank de verzoeken van de moeder aangehouden en de Raad verzocht om een onderzoek in te stellen ter beantwoording van de volgende vragen: - In hoeverre komt een wijziging van de hoofdverblijfplaats, conform het verzoek van de moeder, tegemoet aan de belangen van de minderjarige? - In hoeverre komt een wijziging van de zorgregeling door de ouders tegemoet aan de belangen van de minderjarige? 2.8. Bij beschikking van 23 oktober 2025 heeft de rechtbank de (zelfstandige) verzoeken van de moeder en de vader in het kader van de provisionele voorziening afgewezen en heeft de rechtbank de Raad verzocht om een aanvullend onderzoek in te stellen in de bodemprocedure ter beantwoording van de navolgende vragen: - Heeft de moeder met haar verhuizing voldaan aan de zogenaamde verhuiscriteria? - Is de verhuizing van de moeder in het belang van [minderjarige 1] ? - Als de moeder niet zou zijn verhuisd, had dit dan verschil gemaakt voor het advies van de Raad in deze zaak? 3 De verzoeken Inzake C/02/427834 / FA RK 24-4874 3.1. De moeder verzoekt, uitvoerbaar bij voorraad, I. te bepalen dat het hoofdverblijf van [minderjarige 1] zal zijn bij de moeder; II. een gewijzigde zorg- en contactregeling met betrekking tot [minderjarige 1] en de vader vast te stellen overeenkomstig de regeling die wordt vermeld in het namens de moeder voorgestelde gewijzigde ouderschapsplan onder sub 28 vermeld, waarbij [minderjarige 1] een weekend per veertien dagen bij de vader verblijft van vrijdagmiddag na schooltijd tot zondagavond 19:00 uur en waarbij de vader [minderjarige 1] zelf zal ophalen en thuisbrengen. De moeder is bereid financieel de helft bij te dragen in de brandstofkosten die de vader maakt voor het halen en brengen, alsmede te bepalen dat de regelingen in dit ouderschapsplan deel uitmaken van de ten deze af te geven beschikking. 3.2. In aanvulling op het inleidende verzoekschrift is namens de moeder verzocht om, uitvoerbaar bij voorraad, III. de moeder vervangende toestemming te verlenen voor haar verhuizing naar [woonplaats 1] , al dan niet tezamen met [minderjarige 1] , zulks afhankelijk van het door de Rechtbank te geven oordeel aangaande het hoofdverblijf van [minderjarige 1] . 3.3. De vader voert verweer tegen de verzoeken van de moeder. Inzake C/02/444101 / JE RK 26-85 en C/02/444683 / JE RK 26-206 3.4. De Raad verzoekt [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht te stellen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. 4 De (nadere) standpunten 4.1. Tijdens het gesprek met de voorzitter heeft [minderjarige 2] aangegeven dat hij het vreemd vindt dat er een ondertoezichtstelling wordt verzocht. Hij begrijpt niet waarom er nu hulpverlening moet worden betrokken, terwijl het inmiddels juist beter met hem gaat. [minderjarige 2] heeft betere cijfers, zit beter in zijn vel en is minder introvert. Verder vertelt [minderjarige 2] dat hij geen contact wil met de stiefvader. Hij vond het niet fijn bij de stiefvader en de stiefvader heeft hem mishandeld. 4.2. Tijdens de gesprekken met de voorzitter heeft [minderjarige 1] aangegeven dat hij wil dat de ouders stoppen met ruzie maken en stoppen met de procedures bij de rechtbank. Verder geeft [minderjarige 1] aan dat hij graag bij de moeder wil wonen en dat hij dan eenmaal per maand naar de vader wil. [minderjarige 1] benoemt daarbij dat de vader hem heeft mishandeld. Ook vertelt [minderjarige 1] dat de vader tegenover de voorzitter zou hebben gelogen bij een eerdere zitting. Hoewel [minderjarige 1] het verzoek tot ondertoezichtstelling raar vindt, begrijpt hij het wel. 4.3. Door en namens de moeder zijn de voorliggende verzoeken – onder verwijzing naar het verzoekschrift en de nader ingediende stukken – gehandhaafd. Vooruitlopend op het huwelijk, hebben de moeder en haar nieuwe partner besloten te willen samenwonen. Dit komt ook voort uit hun religieuze overtuigingen. Daarnaast was de verhuizing voor de moeder noodzakelijk vanwege de toenemende klachten ten aanzien van haar posttraumatische stressstoornis zoals ontstaan tijdens het huwelijk met de vader. De moeder kan normaal functioneren, waaronder het uitvoeren van haar werkzaamheden, zolang zij niet wordt geconfronteerd met triggers en zij is dan beschikbaar voor de minderjarigen. Ter bescherming van zichzelf en van [minderjarige 2] heeft de moeder zich genoodzaakt gezien om in augustus 2025 te verhuizen naar [woonplaats 1] . De moeder heeft sindsdien uitvoering gegeven aan de co-ouderschapsregeling en de verhuizing heeft een positief effect gehad op de moeder, [minderjarige 2] en [minderjarige 1] . De dreiging dat de vervangende toestemming haar mogelijk zal worden onthouden, brengt een grote psychische druk met zich mee. Dit heeft de afgelopen maanden een ernstige toename van de mentale klachten van de moeder veroorzaakt. De EMDR-behandeling is gestaakt en de moeder gebruikt medicatie. Bij een negatieve beslissing van de rechtbank bestaat er een reëel risico op verdere psychische decompensatie. Hoewel de moeder nog steeds meent dat het in het belang van [minderjarige 1] is dat hij zijn hoofdverblijf bij haar heeft en een weekendregeling heeft met de vader, kan zij er – bij toewijzing van het verzoek tot vervangende toestemming – mee instemmen dat deze verzoeken worden aangehouden in afwachting van de uitkomst van de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] . De moeder voert geen verweer tegen het verzoek tot ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] . Door en namens de moeder is wel verweer gevoerd tegen het verzoek tot ondertoezichtstelling van [minderjarige 2] . Aan de wettelijke criteria voor een ondertoezichtstelling is wat [minderjarige 2] betreft volgens haar niet voldaan. Het gaat goed met [minderjarige 2] en er is geen sprake van kindermishandeling/huiselijk geweld, ernstige opvoedingsproblemen of tekortschietende opvoedingsvaardigheden, oncontroleerbare ernstige gedragsproblematiek of een zodanig conflictueuze scheidingsdynamiek dat zijn ontwikkeling in het gedrang komt. 4.4. Door en namens de vader is – onder verwijzing naar het verweerschrift – verweer gevoerd tegen de verzoeken van de moeder. De noodzaak voor de verhuizing naar [woonplaats 1] is door de moeder niet onderbouwd en niet gebleken. Het samenwonen van de moeder met haar nieuwe partner betreft een wens, maar geen noodzaak. De verhuizing kan daarnaast niet enkel worden opgehangen aan de psychische gesteldheid van de moeder. Uit de overgelegde berichtgeving van [zorgorganisatie] volgt niet dat de behandelaren tot de conclusie zijn gekomen dat de moeder naar [woonplaats 1] moest verhuizen. Dat een verhuizing naar elders in Zeeland niet tot de mogelijkheden behoort volgt evenmin uit de stukken. Er is bovendien geen, althans nauwelijks, communicatie tussen de ouders, waardoor van confrontatie geen sprake is. De moeder heeft door haar handelswijze een bijna onomkeerbare situatie gecreëerd welke schadelijk is voor [minderjarige 1] en zijn loyaliteitsconflict enkel vergroot. De vader vraagt zich af of er bij de moeder überhaupt draagkracht bestaat om de zorg voor de minderjarigen op zich te nemen en hen op te voeden en te verzorgen. De minderjarigen worden belast met volwassenzaken. Het hoofdverblijf van [minderjarige 1] en de co-ouderschapsregeling dient niet te worden gewijzigd. De vader voert geen verweer tegen de verzoeken tot ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . De vader heeft wel zorgen over wat dit met [minderjarige 1] zal doen en of dit niet eveneens belastend zal zijn voor [minderjarige 1] . [minderjarige 2] is altijd welkom bij de vader en de vader zou graag zien dat [minderjarige 2] wordt meegenomen in de co-ouderschapsregeling. 4.5. De Raad handhaaft de verzoeken tot ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en verwijst voor de onderbouwing daarvan naar het raadsrapport. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] worden ernstig in hun ontwikkeling bedreigd. Zowel [minderjarige 1] als [minderjarige 2] zitten ontzettend klem tussen de ouders. De situatie van [minderjarige 2] kan niet los worden gezien van de situatie van [minderjarige 1] .
Volledig
Beide minderjarigen zijn verweven in een systeem waarbij zij ontzettend onder druk staan, onder meer vanwege de psychische problematiek van de moeder. Bij [minderjarige 2] is er daarnaast sprake van een contactbreuk met een voor hem belangrijk hechtingsfiguur. De stiefvader heeft lange tijd deel uitgemaakt van het leven van [minderjarige 2] en voor [minderjarige 2] is het lange tijd niet duidelijk geweest dat de stiefvader niet zijn biologische vader is. Het lukt de ouders onvoldoende om hier, al dan niet met de inzet van hulpverlening, stappen in te zetten. De Raad is voorts van mening dat er zicht moet komen op beide opvoedsituaties, de opvoedvaardigheden van ouders individueel en de mogelijkheden van ouders om de onderlinge samenwerking te verbeteren. De raad denkt daarbij aan de inzet van middelen als de MASIC, om zoveel als mogelijk achteraf te objectiveren hoe de relatie tussen ouders verlopen is en of er eventueel geweld heeft plaatsgevonden. De Raad adviseert – onder verwijzing naar de bevindingen in het raadsrapport – om de verzoeken in de bodemprocedure aan te houden en daarin thans niets te wijzigen. Hoewel dit een groot beroep op [minderjarige 1] doet, omdat de reisafstand groot is en hij functioneert tussen twee ouders die niet met elkaar kunnen communiceren, is dit voor nu de minst kwalijke situatie. De verhuizing van de moeder naar [woonplaats 1] acht de Raad niet in het belang van [minderjarige 1] . De moeder heeft er weliswaar een persoonlijk belang bij dat zij niet meer dan nodig wordt geconfronteerd met de vader, maar daarbij heeft zij onvoldoende rekening gehouden met het belang van de vader en [minderjarige 1] . De huidige co-ouderschapsregeling is voor [minderjarige 1] onder de huidige omstandigheden, waarbij er veel strijd en onenigheid is tussen de ouders en praktische bezwaren meespelen, belastend. 4.6. De bijzondere curator voert geen verweer tegen het verzoek van de Raad. Een ondertoezichtstelling is voor [minderjarige 1] noodzakelijk. Het gaat niet goed met [minderjarige 1] . [minderjarige 1] worstelt met zijn gevoelens en is wisselend in wat hij aangeeft. De bijzondere curator vraagt zich af of wat hij aangeeft authentiek is en voortkomt uit zijn eigen beleving of dat hij bepaalde belevingen van anderen overneemt. Ook het beeld dat [minderjarige 1] over het geloof heeft, lijkt mee te spelen in zijn belevingen en de manier waarop hij naar de ouders kijkt. Tegelijkertijd maakt de bijzondere curator zich ernstig zorgen over de draagkracht en beschikbaarheid van de moeder op het moment dat [minderjarige 1] (en [minderjarige 2] ) onder toezicht word(en) gesteld. Binnen de ondertoezichtstelling zal de moeder veelvuldig worden geconfronteerd met hulpverlening en de zaken die spelen. Nu het trauma van de moeder centraal staat in de procedure, is het van belang dat er zicht komt op waar die traumaklachten vandaan komen. De bijzondere curator deelt daarom de mening van de Raad ten aanzien van het inzetten van de MASIC voor de ouders. In combinatie met de MASIC zou ook een onderzoek voor [minderjarige 1] passend zijn. 4.7. De GI benoemt dat de ondertoezichtstelling betekent dat het gezin aan de slag moet met de problematiek. Dit kan een trigger zijn voor de moeder. De GI zal voornamelijk regievoeren en hulpverlening inzetten. De GI kan zich vinden in de door de Raad opgestelde doelen en is bereid om de ondertoezichtstelling uit te voeren. Wel vraagt de GI zich af of een landelijke GI niet meer passend is vanwege de afstand naar [woonplaats 1] indien de moeder daar blijft wonen. Als de door de Raad voorgestelde GI benoemd wordt, is het niet duidelijk of er meteen een vaste jeugdbeschermer betrokken zal worden. Dit zal in ieder geval niet al te lang op zich laten wachten. 5 De (nadere) beoordeling Rechtsmacht en toepasselijk recht 5.1. De rechtbank constateert dat de moeder de Indonesische nationaliteit heeft. Dit brengt mee dat deze zaak een internationaal karakter heeft, waardoor de rechtbank (ambtshalve) dient te beoordelen of haar in deze zaak rechtsmacht toekomt. Indien dit het geval is, dient de rechtbank het toepasselijk recht te bepalen. 5.2. De Nederlandse rechter is bevoegd van de verzoeken kennis te nemen aangezien de minderjarigen hun gewone verblijfplaats in Nederland hebben. 5.3. Nu de Nederlandse rechter bevoegd is op de verzoeken te beslissen, zal op grond van artikel 15 van het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996 Nederlands recht op de verzoeken worden toegepast. De stiefvader als belanghebbende in de procedure voor [minderjarige 2] ? 5.4. Op grond van artikel 798 lid 1 eerste volzin Rechtsvordering (hierna: Rv) wordt onder belanghebbende verstaan degene op wiens rechten of verplichtingen de zaak rechtstreeks betrekking heeft. De door art. 798 lid 1, eerste volzin, Rv bestreken kring van belanghebbenden kan volgens jurisprudentie van de Hoge Raad niet in algemene zin worden afgebakend. Welke persoon of instelling als belanghebbende moet worden aangemerkt, wordt bepaald enerzijds door het onderwerp van de aan de rechter voorgelegde zaak en anderzijds door de rechten of verplichtingen waarop de betrokkene zich beroept. Slechts indien het onderwerp van de zaak ertoe kan leiden dat de rechten of verplichtingen waarop de betrokkene zich beroept, rechtstreeks door de rechterlijke beslissing worden geraakt, is die betrokkene in die zaak belanghebbende in de zin van art. 798 lid 1, eerste volzin, Rv. 5.5. De rechtbank stelt vast dat de stiefvader gedurende een substantiële periode van het leven van [minderjarige 2] de vaderrol op zich heeft genomen. [minderjarige 2] behoorde tijdens het huwelijk van partijen tot het gezin en is gedurende het huwelijk van partijen door partijen in de veronderstelling gelaten dat de stiefvader zijn biologische vader was. Ook na de scheiding van partijen en nadat er statusvoorlichting aan [minderjarige 2] was verleend, heeft de stiefvader nog een substantiële rol gespeeld in het leven van [minderjarige 2] . [minderjarige 2] ging samen met [minderjarige 1] overeenkomstig de co-ouderschapsregeling naar de stiefvader, waarbij de stiefvader [minderjarige 2] als behorende tot zijn gezin heeft verzorgd en opgevoed. Dat dit contact door [minderjarige 2] is stopgezet en er nu al geruime tijd geen contact meer is, maakt dit – anders dan namens de moeder is bepleit – voor de rechtbank niet anders. Daarnaast zien de doelen van de ondertoezichtstelling, zoals door de Raad geformuleerd in het raadsrapport, ook op het onderzoeken van de mogelijkheid van contactherstel tussen [minderjarige 2] en de stiefvader. Hiermee kunnen de rechten of verplichtingen van de stiefvader rechtstreeks door de rechterlijke beslissing ten aanzien van [minderjarige 2] worden geraakt. 5.6. Gelet op het voorgaande heeft de rechtbank de stiefvader tijdens de mondelinge behandeling aangemerkt als belanghebbende in deze procedure. Ondertoezichtstelling 5.7. Ingevolge het bepaalde in artikel 1:255 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (hierna te noemen: BW) kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en: a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en; b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW, in staat zijn te dragen. 5.8. De rechtbank is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een ondertoezichtstelling is voldaan. De rechtbank legt hieronder uit waarom. 5.9. De ontwikkeling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] wordt ernstig bedreigd. De rechtbank maakt zich ernstig zorgen over de ontwikkeling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . De rechtbank onderschrijft daarbij de zorgen van de Raad.
Volledig
Voor [minderjarige 1] zijn deze zorgen voornamelijk gelegen in zijn sociaal-emotionele ontwikkeling. [minderjarige 1] zit klem tussen de ouders en kan op deze manier geen onbelast contact onderhouden met zijn beide ouders. De ouders zijn niet in staat om gezamenlijk afspraken te maken over [minderjarige 1] en uiten over en weer zorgen over de opvoedsituatie bij de andere ouder. Hierdoor is [minderjarige 1] in de positie gekomen dat hij zich genoodzaakt voelt om een keuze tussen zijn ouders te maken. Daarbij twijfelt de rechtbank er – net als de bijzondere curator – sterk aan of hetgeen [minderjarige 1] aangeeft de authentieke wens van [minderjarige 1] is. [minderjarige 1] vertelt immers tegenstrijdige verhalen, al dan niet met als doel de personen in zijn omgeving zo min mogelijk te kwetsen en te belasten. 5.10. Voorts is de rechtbank van oordeel dat de situatie van [minderjarige 2] rechtstreeks raakt aan de situatie van [minderjarige 1] . Zij groeien bij de moeder immers op in dezelfde opvoedomgeving en worden beide geconfronteerd met de verstoorde verhoudingen tussen de ouders. Het is dus niet alleen [minderjarige 1] , maar ook [minderjarige 2] die ernstig klem zit in de strijd tussen de moeder en de (stief)vader en dit veroorzaakt forse loyaliteitsproblemen bij hen. De rechtbank maakt zich hierbij ook zorgen over de beschikbaarheid van de moeder gelet op haar psychische problematiek en de hevige emoties die de afgelopen periode op de voorgrond lijken te staan. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] worden daardoor belast met volwassenzaken. 5.11. Bij [minderjarige 2] maakt de rechtbank zich daarnaast ook zorgen over de contactbreuk tussen hem en de stiefvader. Het verbreken van het contact tussen [minderjarige 2] en de stiefvader is een verlieservaring van een belangrijk hechtingsfiguur voor hem. De stiefvader heeft immers een lange tijd deel uitgemaakt van zijn leven en de vaderrol voor [minderjarige 2] vervult. Partijen hebben [minderjarige 2] ook lange tijd in de veronderstelling gelaten dat de stiefvader zijn biologische vader was. Vervolgens is ieder contact tussen [minderjarige 2] en de stiefvader abrupt verbroken. Dat het – zoals door de moeder is gesteld – hierdoor de laatste tijd beter met [minderjarige 2] gaat, lijkt juist voort te komen uit het feit dat hij zich genoodzaakt heeft gezien om zich door middel van het verbreken van het contact uit het conflict te halen. Een dergelijk contactverlies met een belangrijk hechtingsfiguur kan evenwel schadelijk zijn voor [minderjarige 2] . Er is op het moment dan ook nog onvoldoende zicht op wat het verbreken van het contact met stiefvader met [minderjarige 2] heeft gedaan en wat hierin het meest in zijn belang is. 5.12. De ernstige ontwikkelingsbedreiging kan niet of onvoldoende worden weggenomen met vrijwillige hulpverlening. Het is op basis van de overgelegde stukken en hetgeen daarover tijdens de zitting is besproken, evident dat het de ouders op dit moment niet lukt om met elkaar, zonder hulp en regie van derden, invulling te geven aan hun ouderlijke verantwoordelijkheid. De verhoudingen tussen de ouders zijn ernstig verstoord en er is geen sprake van een constructieve samenwerking op grond waarvan de ouders met elkaar communiceren en gezamenlijk de beslissingen nemen die in het belang van de minderjarigen zijn. Hierdoor is het de ouders niet gelukt om op eigen kracht en met inzet van hulpverlening in het vrijwillig kader de zorgen over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] weg te nemen en de situatie ten positieve te veranderen. De rechtbank heeft dan ook niet de verwachting dat het de ouders zonder ondertoezichtstelling lukt om te komen tot het behalen van de hierna geformuleerde doelen, hetgeen noodzakelijk is om de ontwikkelingsbedreiging bij [minderjarige 1] en [minderjarige 2] weg te nemen. Hoewel de rechtbank inziet dat dit, vanwege haar psychische gesteldheid, veel van de moeder zal vragen, is de rechtbank van oordeel dat het noodzakelijk is dat voor beide minderjarigen hulp en regie in een gedwongen kader wordt ingezet. 5.13. De ondertoezichtstelling is daarom zowel voor [minderjarige 1] als voor [minderjarige 2] nodig. De rechtbank stelt [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht voor de duur van een jaar. Die termijn is noodzakelijk gezien de stappen die nog gezet moeten worden. In het kader van de ondertoezichtstelling sluit de rechtbank zich aan bij de doelen die de Raad in de raadsrapportage heeft geformuleerd. De rechtbank vindt het noodzakelijk dat er de komende periode wordt gewerkt aan de volgende doelen: - [minderjarige 1] kan positief en onbelast contact onderhouden met beide ouders en met [minderjarige 2] . - [minderjarige 1] en [minderjarige 2] worden niet belast met volwassenzaken, emoties van ouders en onenigheid tussen ouders. - [minderjarige 1] krijgt zo spoedig mogelijk duidelijkheid over zijn perspectief qua wonen en de zorgregeling. - [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben een emotioneel beschikbare opvoeder, die hun behoeftes volgt. - Er bestaat duidelijkheid over de behoeften van [minderjarige 2] ten aanzien van contact met stiefvader en over contact met [minderjarige 1] . - [minderjarige 2] krijgt een, naar alle betrokkenen ontschuldigend, verhaal over de reden dat hij stiefvader nu een geruime periode niet heeft gezien. 5.14. Daarbij verwacht de rechtbank dat de GI stevig regie voert en passende hulpverlening inzet om bovenstaande doelen te behalen. Het is van belang dat in de komende periode meer zicht komt op de opvoedsituatie van de beide ouders en op wat er speelt en nodig is in het systeem, zodat er duidelijkheid kan komen over welke zorgregeling c.q. welke vorm van contact het meest in het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] is. Ook dient er duidelijkheid te komen over het onderlinge contact tussen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Daarnaast is het van groot belang dat er op korte termijn hulpverlening wordt ingezet voor de minderjarigen en voor het verbeteren van de oudercommunicatie. Daarbij geeft de rechtbank de GI in overweging om te beoordelen of – zoals door de Raad is voorgesteld en door de bijzondere curator wordt onderschreven – de inzet van de MASIC al dan niet noodzakelijk is. Vervangende toestemming verhuizing 5.15. Ingevolge artikel 1:253a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW), kunnen in geval van gezamenlijke uitoefening van het gezag geschillen hieromtrent op verzoek van de ouders of van een van hen aan de rechtbank worden voorgelegd. De gezamenlijke gezagsuitoefening van de ouders brengt mee dat de ene ouder voor een verhuizing toestemming van de andere ouder nodig heeft. Als de ouders het hierover niet eens worden zal de rechter hierover een zodanige beslissing nemen als haar in het belang van het kind wenselijk voorkomt. 5.16. Bij een dergelijke beslissing dient de rechter – conform vaste rechtspraak – alle omstandigheden in acht te nemen en alle belangen af te wegen. Hoewel het belang van het kind een overweging van de eerste orde dient te zijn bij deze belangenafweging, kunnen andere belangen zwaarder wegen dan het belang van het kind (zie ook HR 25 april 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC5901). In de jurisprudentie zijn omstandigheden benoemd aan de hand waarvan een voorgenomen verhuizing moet worden beoordeeld.
Volledig
Dat zijn onder meer: - de noodzaak om te verhuizen; - de mate waarin de verhuizing is doordacht en voorbereid; - het recht en het belang van de verhuizende ouder om te verhuizen en de vrijheid om zijn of haar leven opnieuw in te richten; - de door de verhuizende ouder geboden alternatieven en maatregelen om de gevolgen van de verhuizing voor de minderjarige en de andere ouder te verzachten en/of te compenseren; - de mate waarin de ouders in staat zijn tot onderlinge communicatie en overleg; - de rechten van de andere ouder en de minderjarige op onverminderd contact met elkaar in hun vertrouwde omgeving; - de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken en de continuïteit van de zorg; - de frequentie van het contact tussen de minderjarige en de andere ouder voor en na de verhuizing; - de leeftijd van de minderjarige, zijn of haar mening en de mate waarin het geworteld is in zijn of haar omgeving of juist gewend is aan de verhuizingen; - de (extra) kosten van het contact met de andere ouder na de verhuizing. De rechtbank hoeft alleen die punten in de beoordeling te betrekken, die op het verzoek van toepassing zijn. 5.17. Zoals blijkt uit hetgeen de rechtbank hierna zal overwegen zal de rechtbank geen wijziging aanbrengen in het hoofdverblijf van [minderjarige 1] en ook niet in de zorgregeling voor wat betreft [minderjarige 1] . Dat betekent dat er in beginsel van een formele verhuizing geen sprake is. De rechtbank begrijpt het verzoek van de moeder echter zo dat zij wenst dat [minderjarige 1] in de week dat hij bij de moeder verblijft met haar in [woonplaats 1] zal doorbrengen. Nu er sprake is van een gelijkwaardige co-ouderschapsregeling tussen de ouders, waarbij het hoofdverblijf van [minderjarige 1] in dat kader meer administratief dan feitelijk van aard is, zal de rechtbank het verzoek van de moeder aan de voor een verhuizing gebruikelijke criteria toetsen. 5.18. De rechtbank stelt voorop dat de moeder het recht heeft haar verblijfplaats te kiezen en een nieuw leven op te bouwen. De vrijheid van de moeder om met de minderjarige te verhuizen, kan echter worden beperkt op een wijze die in de wet is voorzien en die in een democratische samenleving noodzakelijk is ter bescherming van de rechten en vrijheden van anderen. Nu de moeder en de vader gezamenlijk het gezag over [minderjarige 1] uitoefenen en zij in het kader van een co-ouderschapregeling de zorg en opvoeding van [minderjarige 1] met elkaar delen, zou de bescherming van de rechten en vrijheden van de vader en die van [minderjarige 1] (indirect) een inbreuk op de vrijheid van verplaatsing van de moeder kunnen rechtvaardigen. 5.19. Naar het oordeel van de rechtbank staat vast dat de moeder een persoonlijk belang heeft bij de verhuizing naar [woonplaats 1] . De moeder heeft al geruime tijd een relatie met haar huidige partner en zij zijn voornemens om met elkaar in het huwelijk te treden. De wens van de moeder om verder te gaan met haar leven en samen met haar partner een gezin te vormen is dan ook alleszins begrijpelijk. De wens van de moeder om haar nieuwe leven met haar nieuwe partner op te bouwen betekent echter niet dat daarmee een noodzaak voor een verhuizing naar [woonplaats 1] is gegeven. 5.20. Naast de wens om samen te wonen met haar partner, is de verhuizing voortgekomen uit de wens van de moeder om niet langer met de vader te worden geconfronteerd ten einde de triggers in het kader van haar posttraumatische stressstoornis te voorkomen. Hetgeen de moeder stelt ten aanzien van de noodzaak om te verhuizen ziet ook hier voornamelijk op haar eigen belang dat is ingegeven vanuit haar psychische gesteldheid en niet in de eerste plaats op het belang van [minderjarige 1] . Dat er een noodzaak voor de verhuizing zou zijn gelegen in het afstand nemen van de vader vanwege de psychische gesteldheid van de moeder, is de rechtbank bovendien onvoldoende gebleken dan wel is door de moeder onvoldoende onderbouwd. De overgelegde berichtgeving van [zorgorganisatie] is zeer summier en weinig concreet. Een daadwerkelijke diagnose is in die berichten niet gesteld en de adviezen van [zorgorganisatie] lijken voort te komen uit hetgeen de moeder bij [zorgorganisatie] heeft verteld. Dit geeft een eenzijdig beeld van de herkomst van de problematiek en is niet nader geverifieerd. Hieruit volgt – naar het oordeel van de rechtbank – niet, althans onvoldoende, dat de moeder een (medisch) advies heeft gekregen om Zeeland te verlaten om afstand te nemen van de vader en daardoor (objectief en dringend) genoodzaakt is geweest om te verhuizen naar [woonplaats 1] . Daarbij overweegt de rechtbank dat de problemen die de moeder ervaart in het contact met de vader niet per definitie zullen worden opgelost met een verhuizing naar [woonplaats 1] . De afstand tot de vader wordt met de verhuizing weliswaar vergroot, maar de kans dat de moeder geconfronteerd wordt met de vader, hetgeen zoals de moeder stelt zorgt voor een trigger van haar posttraumatische stressstoornis, is met de verhuizing naar [woonplaats 1] niet uitgesloten. In de weken dat [minderjarige 1] bij de moeder verblijft, werkt de moeder nog in [plaats 1] en brengt zij alsnog tijd door in en rond [woonplaats 2] . De moeder moet [minderjarige 1] immers brengen en halen naar en van school, voetbal en sociale activiteiten. Dat de klachten van de moeder zijn toegenomen door de vrees dat haar de vervangende toestemming voor de verhuizing zal worden onthouden, maakt het oordeel van de rechtbank ten aanzien van de noodzaak van de verhuizing evenmin anders. 5.21. Bovendien heeft de moeder niet aangetoond dat zij vanwege een andere, zwaarwegende reden gebonden zou zijn aan wonen in [woonplaats 1] en zij heeft onvoldoende laten zien dat zij de mogelijkheden van minder ingrijpende alternatieven dan een verhuizing naar [woonplaats 1] daadwerkelijk en serieus heeft onderzocht. De beslissing van de moeder om te kiezen voor een verhuizing naar [woonplaats 1] lijkt mede te zijn ingegeven door de situatie van de partner van de moeder. Zo stelt de moeder dat zij heeft gezocht naar een locatie die, vanwege de zorgregelingen aan beide zijden, binnen een uur reisafstand van de ex-partners was gelegen. De keuze is dan ook, vanwege de afstand tot de ex-partner van de partner, niet op [plaats 2] gevallen. Dat de moeder ook rekening heeft willen houden met de uitvoering van de zorgregeling van haar partner, heeft de situatie en de beslissing van de moeder bemoeilijkt en het komt voor de verantwoordelijkheid van de moeder dat zij rekening heeft willen houden met variabelen die zij zelf aan deze reeds ingewikkelde beslissing heeft toegevoegd. Dat een verhuizing naar een andere plek in Zeeland, zoals de moeder stelt, niet tot de mogelijkheden behoorde vanwege de slechte naam die de moeder en [minderjarige 2] in Zeeland zouden hebben, is de rechtbank niet gebleken. [minderjarige 2] gaat immers nog altijd in [plaats 2] naar school, alwaar de moeder ook lesgeeft, en de moeder werkt nog in [plaats 1] . 5.22. Nu de moeder reeds in augustus 2025 naar [woonplaats 1] is verhuisd, heeft zij alle betrokkenen voor een voldongen feit gesteld. De moeder was ermee bekend dat zij daarvoor de toestemming van de vader dan wel – ter vervanging van die toestemming – de toestemming van de rechtbank nodig had, maar heeft desondanks haar plannen doorgezet. De verhuizing van de moeder naar [woonplaats 1] staat naar het oordeel van de rechtbank haaks op de tussen partijen geldende co-ouderschapsregeling en leidt ertoe dat deze regeling thans door de grotere – en volgens de rechtbank onaanvaardbaar lange – reisafstand extreem belastend is geworden voor [minderjarige 1] . De rechtbank acht dit – net als de Raad – allerminst in het belang van [minderjarige 1] . Door te verhuizen heeft de moeder [minderjarige 1] in een zeer benarde positie gebracht, terwijl [minderjarige 1] reeds vóór deze verhuizing al ernstig klem zat tussen de ouders. De verhuizing van de moeder naar [woonplaats 1] brengt immers grote gevolgen met zich mee voor [minderjarige 1] en deze gevolgen heeft de moeder onvoldoende doordacht.
Volledig
Dat de moeder de verhuizing reeds heeft doorgezet en daardoor mogelijk niet langer beschikt over een woning in [plaats 3] , is een situatie die de moeder zelf heeft gecreëerd en komt naar het oordeel van de rechtbank dan ook voor haar eigen rekening en risico. 5.23. Alle hierboven genoemde omstandigheden en belangen tegen elkaar afwegend, is de rechtbank van oordeel dat het recht van de moeder en haar belang om te verhuizen naar [woonplaats 1] niet zwaarder wegen dan het belang van de [minderjarige 1] en de vader bij handhaving van de voor de verhuizing bestaande situatie. De rechtbank zal het verzoek van de moeder om haar vervangende toestemming te verlenen voor een verhuizing, met [minderjarige 1] , naar [woonplaats 1] dan ook afwijzen. Wijziging hoofdverblijf en zorgregeling 5.24. Ingevolge artikel 1:253a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek kunnen geschillen omtrent de gezamenlijke uitoefening van het gezag op verzoek van de ouders of van een van hen aan de rechtbank worden voorgelegd. De rechtbank neemt alsdan een zodanige beslissing als haar in het belang van het kind wenselijk voorkomt. 5.25. De rechtbank ziet geen aanleiding om het hoofdverblijf van [minderjarige 1] thans te wijzigen. Dit acht de rechtbank op het moment niet in het belang van [minderjarige 1] . De moeder heeft ondanks de daartoe gegeven adviezen de verhuizing naar [woonplaats 1] , zonder daartoe de benodigde toestemming te hebben verkregen, doorgezet. Daardoor heeft de moeder [minderjarige 1] , die zich voorafgaand aan de verhuizing al in een kwetsbare situatie bevond, in een nog benardere positie gebracht, waarbij het loyaliteitsconflict bij hem lijkt te zijn vergroot. Ook lijken de spanningen tussen de ouders daardoor verder te zijn opgelopen. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat het risico bestaat dat de moeder het patroon van haar handelen van de afgelopen periode voortzet en de vader (steeds verder) uit het leven van [minderjarige 1] zal weren. Dat [minderjarige 1] tijdens het gesprek met de voorzitter heeft aangegeven dat hij bij de moeder wenst te wonen, maakt dit niet anders. [minderjarige 1] zit klem tussen de ouders en het is belangrijk dat hij onbelast contact kan ervaren met zijn beide ouders. Dit lijkt het best gewaarborgd wanneer het hoofdverblijf van [minderjarige 1] bij de vader blijft gelegen. 5.26. Voorts stelt de rechtbank vast dat een co-ouderschapsregeling gelet op de onderlinge verhouding, de gebrekkige communicatie en de aanhoudende strijd tussen de ouders in beginsel niet aan de orde kan zijn. Voor co-ouderschap is immers functionerend ouderschap noodzakelijk en hiervan is tussen de ouders op dit moment geen sprake. Met de verhuizing naar [woonplaats 1] is [minderjarige 1] bovendien in een zodanige positie gebracht dat het co-ouderschap praktisch nagenoeg niet vol te houden is, maar ook emotioneel veel van hem vraagt. [minderjarige 1] staat zo onder druk om een keuze te maken tussen de ouders dat zijn loyaliteitsconflict lijkt te zijn toegenomen. Nu de rechtbank geen vervangende toestemming verleent aan de moeder voor de verhuizing naar [woonplaats 1] en het hoofdverblijf van [minderjarige 1] niet wijzigt, ligt een weekendregeling tussen [minderjarige 1] en de moeder voor de hand. Een dergelijk verzoek ligt echter aan de rechtbank niet voor. Bovendien stelt de rechtbank vast dat het op dit moment in het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] lijkt om de huidige co-ouderschapsregeling – overeenkomstig het advies van de Raad – in stand te laten. De rechtbank ziet dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] veel steun aan elkaar lijken te hebben en hoopt dat de inzet van hulpverlening binnen het gedwongen kader van de ondertoezichtstelling de onderlinge communicatieproblemen en de samenwerking tussen de ouders kan ondervangen en verbeteren. Hoewel in deze procedure niet is verzocht om terugverhuizing van de moeder, verwacht de rechtbank, nu de thans geldende co-ouderschapsregeling in stand blijft, wel dat de moeder terug zal verhuizen naar in ieder geval Zeeland ten einde uitvoering te kunnen blijven geven aan de co-ouderschapsregeling op een wijze die zo min mogelijk belastend is voor [minderjarige 1] . 5.27. Daarbij merkt de rechtbank op dat zij van oordeel is dat het niet in het belang van [minderjarige 1] is om deze procedure langer te laten voortduren. Het aanhouden van de procedure zorgt voor spanning en onrust bij partijen en daarmee wordt de onderlinge strijd in stand gehouden. De rechtbank ziet vanwege voorgaande overwegingen daarom aanleiding om de regie ten aanzien van de verdere verdeling van de zorg- en opvoedtaken bij de GI te beleggen. In het kader van de ondertoezichtstelling zal de komende periode duidelijk moeten worden welke zorgregeling het meest in het belang van [minderjarige 1] is, meer in het bijzonder wanneer de moeder toch besluit om in [woonplaats 1] te blijven wonen. Daarbij dient ook aandacht te bestaan voor het contact tussen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Wanneer de GI concludeert dat de co-ouderschapsregeling niet langer passend is, heeft de GI de mogelijkheid om in kaart te brengen welke zorgregeling wel haalbaar en passend is voor [minderjarige 1] en daartoe een verzoek in te dienen bij de rechtbank. 5.28. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank de verzoeken van de moeder strekkende tot wijziging van het hoofdverblijf van [minderjarige 1] en wijziging van de zorgregeling afwijzen. Uitvoerbaar bij voorraad 5.29. De rechtbank verklaart de beslissing ten aanzien van de ondertoezichtstelling van de minderjarigen uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat deze beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat. De rechtbank doet dit, omdat het voor de ontwikkeling van de minderjarigen noodzakelijk is dat de beslissing ondanks een eventueel hoger beroep meteen uitgevoerd kan worden. Beëindigen werkzaamheden bijzondere curator 5.30. Uit de te nemen eindbeslissingen volgt dat vertegenwoordiging van [minderjarige 1] door de bijzondere curator in deze procedures niet meer nodig is. De rechtbank beschouwt de werkzaamheden van de bijzondere curator voor deze procedure – in eerste aanleg – als voltooid. De rechtbank is de bijzondere curator zeer erkentelijk voor de toewijding en inzet die zij heeft geleverd in deze zaak en de betrokken en zorgvuldige wijze waarop zij invulling heeft gegeven aan haar taken als bijzondere curator voor [minderjarige 1] . 6 De beslissing De rechtbank: Inzake C/02/444101 / JE RK 26-85 en C/02/444683 / JE RK 26-206: 6.1. stelt [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht van Stichting Jeugdbescherming west Zeeland met ingang van 27 februari 2026 tot 27 februari 2027; 6.2. verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad; Inzake C/02/427834 / FA RK 24-4874: 6.3. wijst de verzoeken af. Deze beschikking is gegeven door mr. Voorn, voorzitter tevens (kinder)rechter, mr. Hendriks en mr. Van der Hoeven, (kinder)rechters en in het openbaar uitgesproken op 27 februari 2026 in tegenwoordigheid van mr. Palings, griffier. Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen: degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak; andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen. De rechtbank gaat in deze beschikking uit van de namen van partijen zoals deze volgen uit de Basisregistratie Personen (BRP).