Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2026-02-27
ECLI:NL:RBZWB:2026:2340
Civiel recht; Personen- en familierecht
Rekestprocedure
1,971 tokens
=== VOLLEDIG ===
ECLI:NL:RBZWB:2026:2340 text/xml public 2026-04-10T14:24:02 2026-03-30 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-02-27 C/02/445276 / JE RK 26-295 Uitspraak Rekestprocedure NL Breda Civiel recht; Personen- en familierecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:2340 text/html public 2026-04-10T14:23:17 2026-04-10 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBZWB:2026:2340 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 27-02-2026 / C/02/445276 / JE RK 26-295 Beschikking na een machtiging (spoed)uithuisplaatsing. MUHP toegewezen tot het einde van de ondertoezichtstelling. RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Familie- en Jeugdrecht Locatie Breda Zaaknummer: C/02/445276 / JE RK 26-295 Datum uitspraak: 27 februari 2026 Beschikking van de kinderrechter over een machtiging tot uithuisplaatsing in de zaak van de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Brabant , gevestigd te Etten-Leur, hierna te noemen de GI, over [minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2011 in [geboorteplaats] , hierna te noemen [minderjarige] . De kinderrechter merkt als belanghebbende aan: [de moeder] , hierna te noemen de moeder, wonende in [woonplaats] , advocaat mr. G.A.P. Avontuur uit Breda. De kinderrechter merkt als informant aan: [de vader] , hierna te noemen de vader. 1 Het verdere verloop van de procedure 1.1. De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling: - de beschikking van 19 februari 2026 en alle daarin vermelde stukken; - het bericht van de advocaat van de vader van 25 februari 2026. 1.2. Op 27 februari 2026 heeft de kinderrechter de zitting met gesloten deuren voortgezet. Daarbij waren aanwezig: de moeder met haar advocaat; de vader; - een vertegenwoordiger van de GI. 1.3. De kinderrechter heeft [minderjarige] naar haar mening gevraagd. [minderjarige] heeft geen mening gegeven. 1.4. De advocaat van de vader heeft bij voormeld bericht verzocht om de vader in deze procedure aan te merken als belanghebbende. De kinderrechter heeft voorafgaand aan de mondelinge behandeling, op basis van de beschikbare informatie, geoordeeld dat de vader niet als belanghebbende kan worden aangemerkt onder verwijzing naar de vaste jurisprudentie van de Hoge Raad. Het verzoek om hem aan te merken als belanghebbende is dan ook afgewezen. 2 De feiten 2.1. De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] . 2.2. [minderjarige] verblijft sinds kort op een woongroep van [accommodatie] . 2.3. De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 19 februari 2026 een spoedmachtiging verleend [minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een accommodatie jeugdhulpaanbieder 24-uurs, dan wel een voorziening voor (netwerk)pleegzorg, tot 5 maart 2026. De kinderrechter heeft deze beslissing genomen zonder de belanghebbende te horen. 3 Het (resterende) verzoek 3.1. De GI verzoekt een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie jeugdhulpaanbieder 24-uurs, dan wel een voorziening voor (netwerk)pleegzorg, te verlenen voor de duur van de ondertoezichtstelling en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. 4 De standpunten 4.1. Ter toelichting op het verzoek is door de GI aangegeven dat bij [minderjarige] sprake is van individuele problematiek. Er is sprake van een zeer lage eigenwaarde, suïcidaliteit, een gameverslaving en trauma- en depressieproblematiek. Een intensief behandelprogramma daarvoor bij [hulpverlening 1] heeft onvoldoende resultaat gehad, onder meer wegens wegloopgedrag van [minderjarige] en het zich anderszins onttrekken aan het behandelprogramma. [minderjarige] gaat ook niet naar school. De situatie bij de moeder is niet langer houdbaar gebleken. Op dit moment is zij, na een kort verblijf bij haar vader, geplaatst op [crisisgroep] van [accommodatie] . De GI is er nog niet van overtuigd dat dit een juiste plek voor haar is en bekeken zal worden welke plaatsing passend is voor [minderjarige] ook met het oog op het behandeltraject bij de GGZ dat niet dient te stagneren. De komende tijd zal worden bekeken wat de verschillende mogelijkheden zullen zijn en welke plaatsing passend is voor [minderjarige] . Daarnaast zal moeten worden bekeken of er bij de moeder nog draagkracht is voor het traject en wat de wens hierin is van [minderjarige] . Voor nu is het belangrijk dat zij rust krijgt. 4.2. Door en namens de moeder is naar voren gebracht dat zij achter het verzoek van de GI staat. Zij maakt zich echter wel zorgen over het behandeltraject dat [minderjarige] volgt bij [hulpverlening 2] en dat dit traject mogelijk stagneert door de uithuisplaatsing bij [accommodatie] . De moeder heeft dan ook de voorkeur dat gekeken wordt naar een plaatsing binnen [hulpverlening 2] zodat de behandeling kan worden voortgezet. Verder heeft de moeder naar voren gebracht dat er reeds lange tijd problemen zijn en dat het gedrag van [minderjarige] al heel lang problematisch is. Zij heeft zich eerder onttrokken aan de behandeling bij [hulpverlening 1] . De moeder maakt zich zorgen en vraagt zich af of een uithuisplaatsing verandering zal brengen. Ook maakt zij zich zorgen over de kwetsbaarheid van [minderjarige] . Zij is al twee keer slachtoffer geworden van sextortion. 4.3. De vader heeft tijdens de mondelinge behandeling aangegeven dat hij [minderjarige] een paar dagen heeft opgevangen. Hij had zich niet gerealiseerd dat de problematiek van [minderjarige] zo ernstig was. Tijdens de dagen bij hem was [minderjarige] rustig. Zij was erg moe en heeft veel geslapen. Daarna is zij op de woongroep van [accommodatie] geplaatst. 5 De beoordeling 5.1. Op basis van de stukken en de zitting is de kinderrechter van oordeel dat de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding. 5.2. De kinderrechter heeft daarbij in overweging genomen dat er bij [minderjarige] sprake van diepgaande forse problematiek. Er is reeds veel hulpverlening en behandeling ingezet. Een eerder behandeltraject bij [hulpverlening 1] heeft onvoldoende resultaat gehad. De situatie bij de moeder is geëscaleerd en ook een langer verblijf bij de vader is niet voldoende om de problematiek van [minderjarige] te kunnen behandelen. Daarvoor is op dit moment een professionele omgeving nodig. Door de GI zal de komende periode moeten worden bekeken welke plek passend is voor [minderjarige] . Daarbij moet ook het (GGZ)behandeltraject bij [hulpverlening 2] worden meegenomen. Bekeken zal moeten worden hoe dit traject voortgezet kan worden dan wel dat dit deel uitmaakt van de plek waar [minderjarige] kan verblijven. Een uithuisplaatsing van [minderjarige] tot het einde van de ondertoezichtstelling is dan ook noodzakelijk. Het resterende verzoek zal dan ook worden toegewezen. 5.3. De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat. 6 De beslissing De kinderrechter: 6.1. verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie jeugdhulpaanbieder 24-uurs met ingang van 5 maart 2026 tot 3 april 2026; 6.2. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad. Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 27 februari 2026 door mr. Van Gessel, kinderrechter, in aanwezigheid van Boink als griffier, en op schrift gesteld op 13 maart 2026. Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen: degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak; andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen. Artikel 1:265b, eerste lid, Burgerlijk Wetboek.